Home › Smallingerland › Document

Ingekomen stukken

Raadsvoorstel
TypeRaadsvoorstel
GemeenteSmallingerland
Datum2026-10-06
BronDownload brondocument →

Document

Geëxtraheerde tekst

Ingekomen stukken nummer 2026-209 hoofddocument 260908 Reactienota FUMO - zienswijzen begroting 2027 datum brief 08-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen Bijlagen: 260908 Bijlage - Bericht FUMO - Reactienota zienswijzen begroting 2027 nummer 2026-210 hoofddocument 260908 Brief college - Aanpak netcongestie datum brief 08-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-211 hoofddocument 260908 Brief college - Informatie over toezegging planning P&C cyclus 2028 datum brief 08-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-212 hoofddocument 260909 Bericht inwoner - Aanleggen beperkte waterleiding in natuurgebieden datum brief 09-09-2026 advies Ter afhandeling in handen van college nummer 2026-213 hoofddocument 260909 Brief college - Beantwoording schriftelijke vragen ELP over reconstructie De Vore datum brief 09-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-214 hoofddocument 260910 Brief college - Beantwoording schriftelijke vragen ELP over handhaving parkhaven datum brief 10-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-215 hoofddocument 260908 Brief college - Tijdelijke opschorting overdracht eigendom kinderopvangruimten bij lopende MFC-projecten in afwachting hoger beroep datum brief 08-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-216 hoofddocument 260902 Brief inwoner - Zuil met plaquette Kyriaat Onoplein datum brief 02-09-2026 advies Ter afhandeling in handen van college nummer 2026-217 hoofddocument 260909 Diverse berichten inwoner - Vragen over klachten Dorenbos datum brief 09-09-2026 advies Ter afhandeling in handen van college nummer 2026-218 hoofddocument 260915 Brief college - Aanpak Dakloosheid Fryslân 2026 - 2032 datum brief 15-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-219 hoofddocument 260915 Brief college - Beantwoording schriftelijke vragen VVD “Dekking begroting 2027 uit de algemene reserve” datum brief 15-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen Bijlagen: 260915 Bijlage - Beantwoording schriftelijke vragen VVD - Dekking begroting 2027 uit de algemene reserve 260915 Bijlage - Schriftelijke vragen VVD - Dekking begroting 2027 uit algemene reserve (260821) nummer 2026-220 hoofddocument 260914 Brief Kennisnetwerk participatie en uitdaagrecht - Nota Kansen met het Uitdaagrecht datum brief 14-09-2026 advies Ter afhandeling in handen van college Bijlagen: 260914 Bijlage - Nota Kansen met het Uitdaagrecht nummer 2026-221 hoofddocument 260915 Brief college - Beantwoording schriftelijke vragen CDA - Bestrijding waterplanten Drachtstervaart datum brief 15-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-222 hoofddocument 260915 Brief college - Beantwoording schriftelijke vragen ChristenUnie - Ambities Visie Waterfront Drachten datum brief 15-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-223 hoofddocument 260915 Oproep Volt - Kies voor eerlijke verdeling van partijsubsidies datum brief 15-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen Bijlagen: 260915 Bijlage bij oproep Volt - Kies voor eerlijke verdeling van partijsubsidies nummer 2026-224 hoofddocument 260916 Brief Stem van Ouders - Maak werk van gezinsbeleid datum brief 16-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-225 hoofddocument 260914 VNG-ledenbrief 26033 - Eerste nazending ALV 30 september 2026 'Principe afspraken samenwerkingsagenda met kabinet' datum brief 14-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen Bijlagen: 260915 VNG-ledenbrief 26034 - Weerbaarheid en veerkracht geactualiseerde handreiking en vervolgstappen nummer 2026-226 hoofddocument 260911 Brief FNV Senioren - Aanbieding brochure 'Samenwerken aan leeftijdsvriendelijke gemeente- checklist WHO' datum brief 11-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-227 hoofddocument 260914 Brief MDL-fonds - Wereld-WC-Dag-2026 datum brief 14-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-229 hoofddocument 260910 Bericht Kico - Concrete visie en oplossingen voor de hervorming van het jeugd- en gezinszorgstelsel datum brief 10-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen nummer 2026-230 hoofddocument 260921 Brief onderzoeksraad voor veiligheid - Veiligheid van kinderen in de asielnoodopvang - publicatie rapport Kinderen in nood datum brief 21-09-2026 advies Voor kennisgeving aannemen Bijlagen: 260921 Bijlage - Rapport 'Kinderen in nood' Reactienota ontwerpbegroting 2027 Inleiding Op 15 april 2026 heeft het Dagelijks Bestuur (DB) van de FUMO de Ontwerpbegroting 2027 verzonden aan de deelnemers. Daarbij werden Provinciale Staten, gemeenteraden en het AB van Wetterskip Fryslân in de gelegenheid gesteld om tot 22 juni 2026 een zienswijze op deze begroting in te dienen. Wij willen de deelnemers bedanken voor de ingediende zienswijzen en het constructieve begrotingsgesprek dat wij tot nu toe met elkaar hebben gevoerd. De FUMO bevindt zich in een transitieperiode, waarin wordt gewerkt aan de door het bestuur gewenste ontwikkeling naar een uniforme, regionaal en onafhankelijk opererende organisatie. Het doet ons goed te constateren dat deze koers wordt onderschreven en dat er begrip bestaat voor de financiële investeringen die nodig zijn om deze ontwikkeling te realiseren. De ingediende zienswijzen geven aanleiding om de begroting 2027 aan te passen op twee onderdelen. Ten eerste wordt het aantal Omgevingsadviseurs voor 2027 naar beneden bijgesteld naar 2 fte, waarbij het voornemen is om deze in 2028 en 2029 te laten ingroeien naar 4 fte. Dit zal gebeuren in samenspraak met onze deelnemers. Ten tweede worden de middelen voor ZZS incidenteel in de begroting opgenomen in plaats van structureel en wordt ook de financieringswijze hiervan aangepast. In de algemene reactie op de zienswijzen wordt dit nader uitgewerkt. Hieronder beschrijven we eerst de rode draad die we in de verschillende zienswijzen hebben waargenomen en geven wij een inhoudelijke reactie. Tenslotte worden de zienswijzen per deelnemer behandeld en waar nodig van een reactie van het DB voorzien. Alle ingediende zienswijzen zijn integraal opgenomen als bijlage. Leeswijzer In overeenstemming met de daarvoor geldende procedure ontvangen alle deelnemers de integrale teksten van de ingediende zienswijzen. In deze reactienota zijn ze vanwege het leesgemak samengevat en geparafraseerd. 1 Inhoudsopgave Algemene reactie zienswijzen ............................................................................................... 3 Omgevingsadviseurs ............................................................................................................... 3 ZZS .......................................................................................................................................... 4 Aandacht voor financiële situatie deelnemers ...................................................................... 4 Proces ontwerpbegroting ....................................................................................................... 5 Efficiencywinst – bedrijfsvoering – temporisering – incidenteel/ structureel....................... 6 Vraag om integraal meerjarenplan ........................................................................................ 7 Zienswijzen en reacties per deelnemer ............................................................................... 8 Gemeente Achtkarspelen ....................................................................................................... 8 Gemeente Ameland ............................................................................................................... 9 Gemeente Dantumadiel ......................................................................................................... 9 Gemeente de Fryske Marren ................................................................................................. 9 Gemeente Harlingen ............................................................................................................ 10 Gemeente Heerenveen ........................................................................................................ 11 Gemeente Leeuwarden ........................................................................................................ 12 Gemeente Noardeast-Fryslân .............................................................................................. 14 Gemeenten Ooststellingwerf, Opsterland en Weststellingwerf .......................................... 16 Gemeente Schiermonnikoog ................................................................................................ 17 Gemeente Smallingerland .................................................................................................... 17 Gemeente Súdwest-Fryslân ................................................................................................. 18 Gemeente Terschelling ........................................................................................................ 20 Gemeente Tytsjerksteradiel ................................................................................................. 20 Gemeente Vlieland ............................................................................................................... 21 Gemeente Waadhoeke ........................................................................................................ 21 Provincie Fryslân .................................................................................................................. 22 Wetterskip Fryslân ............................................................................................................... 23 2 Algemene reactie zienswijzen Er is een aantal onderwerpen waar meerdere deelnemers een zienswijze over hebben ingediend. Dit betreft: • Omgevingsadviseurs • Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) • Aandacht voor financiële situatie deelnemers • Proces ontwerpbegroting • Efficiencywinst - Formatie Bedrijfsvoering – Temporiseren – Incidentele middelen • Vraag om integraal meerjarenplan Hieronder wordt eerst per onderwerp de algemene tendens uit de zienswijzen weergegeven, gevolgd door een reactie van het Dagelijks Bestuur (DB) van de FUMO. Omgevingsadviseurs Een groot deel van de gemeentelijke deelnemers heeft een zienswijze ingediend over het onderwerp Omgevingsadviseur. Deze zienswijzen hebben betrekking op: • Het aantal begrote Omgevingsadviseurs; • Het incidenteel opnemen van deze kosten in plaats van structureel; • Het temporiseren van het opnemen van deze kosten; • De wijze (als collectieve taak) waarop deze kosten in de begroting zijn opgenomen. Ook geven sommige deelnemers aan om graag eerst met de FUMO in gesprek te gaan over de invulling van deze functie, voordat deze in de begroting wordt opgenomen. De ingediende zienswijzen zijn voor het Dagelijks Bestuur aanleiding om de begroting aan te passen. In de aangepaste begroting zijn 2 fte Omgevingsadviseurs opgenomen, in plaats van 4 fte. Hierdoor daalt de begroting met ongeveer € 200.000. Het Dagelijks Bestuur kiest op basis van de zienswijzen voor een ingroeimodel, waarbij in 3 jaren wordt toegegroeid naar 4 fte. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de vraag om het aantal Omgevingsadviseurs kritisch te beoordelen, evenals de oproep om te temporiseren. Op basis van tussentijdse monitoring en signalen van deelnemers kan het tijdspad van ingroei worden bijgesteld. Het Dagelijks Bestuur besluit de hiermee gemoeide kosten structureel in de begroting te laten staan. De ervaringen van andere Omgevingsdiensten in Nederland laten zien dat deze functie een aantoonbare bijdrage levert aan de kwaliteit, continuïteit en verdere professionalisering van de organisatie. Ook spelen Omgevingsadviseurs een cruciale rol in het versterken van het onderlinge vertrouwen en het verbeteren van de samenwerking met de deelnemers. Gelet op deze meerwaarde acht het Dagelijks Bestuur het wenselijk deze functie structureel te borgen. Hiervoor zijn structurele financiële middelen benodigd. Het Dagelijks Bestuur kiest ervoor om de begrote uren onder de collectieve taken op te nemen. Op deze manier zijn er uren, en dus formatie, beschikbaar om deze functie vorm en inhoud te geven. In de verantwoording worden de uren als plustaak afgerekend. Alleen die deelnemers waar de Omgevingsadviseurs werkzaamheden voor doen, zullen hier uiteindelijk voor betalen. Op deze manier wordt tegemoetgekomen aan de ingediende zienswijzen over de financiering van deze taak. De 3 aankomende periode gaat de FUMO graag met de deelnemers in gesprek over een passende taakuitvoering vanaf 2027. ZZS Er zijn diverse zienswijzen ingediend met betrekking tot het onderwerp ZZS. De belangrijkste onderwerpen in deze zienswijzen zijn: • Het uitvoeren van deze taak binnen de bestaande uren, conform de methodiek van 2026; • Het incidenteel opnemen van deze uren in plaats van structureel; • De wijze (als collectieve taak) waarop deze kosten in de begroting zijn opgenomen. De ingediende zienswijzen zijn voor het Dagelijks Bestuur aanleiding om de begroting aan te passen. In de aangepaste begroting zijn de uren voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) als incidentele middelen opgenomen in plaats van structureel. Voor de periode 2026-2028 is een Meerjarenagenda ZZS opgesteld. De FUMO verwacht in deze periode aanvullende middelen nodig te hebben om te investeren in het op peil brengen van de kennis en expertise rondom ZZS. Doordat de gedane investeringen zullen leiden tot een grotere mate van efficiëntie is de verwachting dat dit onderwerp na 3 jaar structureel kan worden opgenomen binnen het programma binnen de bestaande begroting. In 2026 is in samenspraak met de deelnemers gekozen om de tijdsinvestering voor ZZS ten koste te laten gaan van het aantal uit te voeren bedrijfscontroles. Hierdoor kan de FUMO niet voldoen aan de streefwaarden voor controles zoals opgenomen in de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie. Het Dagelijks Bestuur acht deze situatie ongewenst en kiest er daarom voor ZZS als aanvullende opgave afzonderlijk en herkenbaar te financieren. Hiermee blijft het regionale toezichtprogramma voor thematische en branchegerichte inzet in stand en blijft de afgesproken controlefrequentie haalbaar. In de zienswijzen wordt gevraagd om een analyse van de extra risico’s die ontstaan wanneer minder controles worden uitgevoerd. Het Dagelijks Bestuur begrijpt de achterliggende gedachte van deze vraag, maar merkt tegelijkertijd op dat het niet mogelijk is deze risico’s op objectieve wijze te kwantificeren. In algemene zin kan worden gesteld dat een afname van het aantal controles leidt tot een groter risico op milieuschade. Daarnaast heeft een vermindering van het toezicht gevolgen voor de effectiviteit van handhaving. Toezicht werkt immers niet uitsluitend doordat overtredingen worden vastgesteld, maar ook door de preventieve werking ervan: de zichtbaarheid van toezicht en de reële kans op controle stimuleren naleving. Het Dagelijks Bestuur kan zich vinden in de zienswijzen waarin wordt gesteld dat de uren voor ZZS niet thuishoren binnen de collectieve uren. Daarom is er in de aangepaste begroting voor gekozen het aantal toezichtsuren met 3.000 uur te verhogen en het aantal collectieve uren met hetzelfde aantal uur te verlagen. Deze uren zijn toegerekend aan het toezicht op basis van dezelfde verdeelsleutel die ook wordt gehanteerd voor het regionale uitvoeringsprogramma. Aandacht voor financiële situatie deelnemers In diverse zienswijzen wordt aandacht gevraagd voor de kwetsbare financiële positie van bepaalde deelnemers. Hierbij wordt erop gewezen dat het ravijnjaar naar achteren geschoven is en dat de financiële situatie moeilijk blijft. 4 Wij zijn ons terdege bewust van deze situatie. Dat wij bereid zijn mee te denken met onze deelnemers blijkt ook uit het feit dat, mede naar aanleiding van een brief van de Vereniging van Friese Gemeenten (VFG), in de begroting van 2026 bezuinigingen voor gemeentelijke deelnemers zijn doorgevoerd voor een bedrag van € 865.000. De begrote deelnemersbijdrage voor gemeentelijke deelnemers is in de jaren 2025 en 2026 niet gegroeid ten opzichte van 2024, ondanks indexeringen die zijn toegepast. Kostenstijgingen hebben we opgevangen binnen de begroting. Gezien de grote veranderopgave waar we als FUMO voor staan en gezien de kwetsbare huidige staat van de organisatie, ontkomen we er niet aan de nullijn voor gemeentelijke deelnemers los te laten. Wij begrijpen dat we onze deelnemers hiermee confronteren met een kostenstijging. Proces ontwerpbegroting Diverse deelnemers hebben in hun zienswijze zorgen uitgesproken over het proces van totstandkoming van de ontwerpbegroting 2027. Deze zorgen hebben enerzijds betrekking op de wijze waarop signalen en aandachtspunten van deelnemers zijn meegewogen en vertaald naar de keuzes die ten grondslag liggen aan de ontwerpbegroting. Anderzijds betreft het de keuze om in aanloop naar de begroting 2027 geen kadernota, maar een kaderbrief op te stellen. Deelnemers verzoeken de FUMO om richting de begroting 2028 weer het reguliere proces te volgen. Het begrotingsproces voor de begroting 2027 week inderdaad af van de gebruikelijke werkwijze. Hiervoor waren verschillende oorzaken, waarvan het onderzoek naar een robuuste en toekomstbestendige FUMO de belangrijkste was. In samenspraak met het Algemeen Bestuur is bewust besloten de kaders voor de begroting 2027 pas op te stellen nadat het Algemeen Bestuur richting had gegeven aan de doorontwikkeling van de FUMO. Hierdoor kon de reguliere begrotingsplanning niet worden gevolgd. Vervolgens is, eveneens in samenspraak met het Algemeen Bestuur, gekozen voor een kaderbrief in plaats van een kadernota. Wij streven ernaar toekomstige begrotingen weer volgens het reguliere proces tot stand te laten komen. De ontwerpbegroting 2027 is opgesteld in een periode van transitie. In deze periode is een interim- directeur gestart, waren wij met deelnemers in gesprek over de stappen die nodig zijn voor een robuuste en toekomstbestendige FUMO en hebben wij een zelfevaluatie uitgevoerd als input voor een externe visitatie. Tegen deze achtergrond was het niet altijd mogelijk om alle deelnemers in een zeer vroeg stadium bij alle ontwikkelingen te betrekken. Wij blijven ons inzetten voor een zorgvuldig en breed gedragen begrotingsproces, waarbij alle deelnemers de gelegenheid krijgen hun inbreng te leveren. Als dagelijks bestuur nemen wij (ambtelijke) adviezen zorgvuldig mee in onze afwegingen. Tegelijkertijd zijn wij in onze eigenaarsrol verantwoordelijk voor de FUMO en zetten wij ons in voor een robuuste en toekomstbestendige organisatie. Vanuit die verantwoordelijkheid blijven wij achter de investeringen staan die noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. 5 Efficiencywinst – bedrijfsvoering – temporisering – incidenteel/ structureel In diverse zienswijzen wordt aangegeven dat de investeringen in de doorontwikkeling van de FUMO, waaronder de uitbreiding van de formatie binnen Bedrijfsvoering, naar verwachting zullen leiden tot efficiencywinst. Op basis van deze verwachting wordt voorgesteld om (een deel van) deze investeringen incidenteel in de begroting op te nemen in plaats van structureel. Daarnaast wordt voorgesteld om te overwegen de investeringen gefaseerd in te voeren, in plaats van deze volledig in de begroting 2027 op te nemen. Ook wordt gevraagd kritisch te kijken naar alternatieven voor structurele capaciteitsuitbreiding. Met betrekking tot de opgenomen formatie-uitbreiding binnen Bedrijfsvoering geven sommige deelnemers aan dat zij de noodzaak van een verdere ontwikkeling van de bedrijfsvoering binnen de FUMO onderschrijven, maar vraagtekens plaatsen bij de omvang en het tempo van de voorgestelde uitbreiding. Eén deelnemer stelt dat onvoldoende is onderbouwd dat de investeringen daadwerkelijk zullen leiden tot een betere en robuustere bedrijfsvoering. Deze deelnemer verzoekt daarom om deze structurele uitbreiding niet in de begroting op te nemen. Wij beschouwen de investeringen in de bedrijfsvoering als noodzakelijk om de FUMO verder te ontwikkelen tot een robuuste en toekomstbestendige organisatie. Het betreft structurele investeringen in formatieplaatsen. Wij zijn geen voorstander van het financieren van structurele lasten met incidentele middelen, omdat een duurzame en solide begroting vraagt om structurele dekking van structurele uitgaven. Ook achten wij een gefaseerde invoering van de investeringen niet passend, gelet op de omvang van de knelpunten waarmee de FUMO momenteel wordt geconfronteerd. Een dergelijke aanpak zou ertoe leiden dat noodzakelijke verbeteringen worden uitgesteld, terwijl de risico’s op verder oplopend verzuim en het vertrek van medewerkers toenemen. Wij verwachten dat de voorgenomen investeringen op middellange termijn zullen bijdragen aan efficiencyverbeteringen binnen de organisatie. Tegelijkertijd achten wij het niet wenselijk om deze potentiële voordelen als taakstellende besparing in de begroting op te nemen. Een dergelijke benadering zou extra druk leggen op een organisatie die zich nog in de opbouwfase bevindt. Gelet op de huidige ontwikkelfase achten wij het niet verstandig om deze aanvullende opgave op dit moment bij de organisatie neer te leggen. Wel wil de organisatie zichzelf ten aanzien van de overhead een concrete doelstelling stellen. In de begroting 2027 bedraagt de verhouding tussen de overheadformatie en de totale formatie 25,1%. Het doel is om dit percentage gedurende de looptijd van het meerjarig ontwikkelplan met 2 procentpunt te verlagen. In de begrotingen van de komende jaren zal deze ontwikkeling worden gevolgd, zodat de voortgang voor de deelnemers op transparante wijze inzichtelijk wordt gemaakt. Tot slot is het van belang te benadrukken dat eventuele overschotten die voortvloeien uit gerealiseerde efficiencyverbeteringen uiteindelijk ten goede komen aan de deelnemers. Dit kan plaatsvinden door versterking van het weerstandsvermogen van de FUMO, waardoor deelnemers minder financiële risico’s lopen, of door uitkering van het overschot aan de deelnemers. De afweging en besluitvorming hierover berusten bij het Algemeen Bestuur van de FUMO. 6 Vraag om integraal meerjarenplan In diverse zienswijzen wordt aandacht gevraagd voor een integraal meerjarenplan, een gezamenlijk vastgesteld toekomstbeeld en/ of een breed gedragen ontwikkelplan. De behoefte aan de mate van detail van deze plannen verschilt tussen de deelnemers. Waar de ene deelnemer aangeeft meer op hoofdlijnen te willen sturen, is bij andere deelnemers behoefte aan een gedetailleerd plan dat samen met de deelnemers wordt opgesteld en waarin financiële- en personele consequenties, aanpak en tijdspad en organisatorische gevolgen worden weergegeven. Tijdens het opstellen van deze reactienota werkt de FUMO hard aan het gevraagde ontwikkelplan. De deelnemers zijn in het eerste tertaalbericht meegenomen in de stappen die zijn gezet en die nog worden genomen. Ook is in het tertaalbericht de planning op hoofdlijnen voor de komende 4 jaren geschetst. 2026 is het jaar van het kwartiermaken. Het Algemeen Bestuur heeft in de bestuurdersconferentie van 29 januari 2026 de richting meegegeven. Ook waren er diverse sessies met de gremia uit de governance van de FUMO om de samenwerking te verbeteren. De aanbesteding van een nieuw zaaksysteem gaat bijdragen aan de voorspelbaarheid van de FUMO, een belangrijke pijler in de doorontwikkeling van de FUMO. Tenslotte versterkt de FUMO de sturing van de organisatie door een nieuwe directeur te werven en een leiderschapstraject te starten. De volgende versie van het ontwikkelplan wordt tijdens de vergadering van het Algemeen Bestuur van 10 september 2026 aan de deelnemers gepresenteerd. 7 Zienswijzen en reacties per deelnemer Gemeente Achtkarspelen Wij erkennen en onderschrijven dat de FUMO voor een belangrijke opgave staat. Uit de aan ons toegezonden stukken blijkt dat de FUMO zich bevindt in een fase van herstel, versterking en doorontwikkeling. Wij begrijpen dat deze ontwikkelingen vragen om gerichte keuzes en investeringen om zo toe te werken naar een robuuste en toekomstbestendige omgevingsdienst. Ondanks dat wij positief staan tegenover de ingezette doorontwikkelingen, moeten wij, mede gezien onze eigen financiële positie, voorzichtig zijn. Het zogenoemde ravijnjaar is naar achteren geschoven en er is geen zicht op een structurele aanvullende vergoeding vanuit het Rijk richting gemeenten. Wij uiten onze zorgen over het proces dat is doorlopen voorafgaand aan de toezending van de Ontwerpbegroting FUMO 2027. Deze zorgen hebben in het bijzonder betrekking op de wijze waarop signalen en aandachtspunten vanuit deelnemers zijn meegewogen en vertaald in de uiteindelijke keuzes die ten grondslag liggen aan de ontwerpbegroting. Wij zijn daarnaast van oordeel dat de doorontwikkelingen van de FUMO op termijn ook moeten leiden tot efficiencywinst. Wij gaan ervan uit dat deze efficiencywinst bijdraagt aan het beperken van de financiële gevolgen voor deelnemers en daarmee de structurele uitzettingen kan reduceren of mogelijk geheel teniet kan doen. Tegen deze achtergrond achten wij het logisch om de doorontwikkeling vorm te geven via een verbeterplan dat wordt gefinancierd met incidentele middelen. Wij verzoeken u om structurele uitzettingen te overwegen wanneer de noodzaak en meerwaarde daarvan aantoonbaar zijn onderbouwd en bestuurlijk goed kunnen landen bij de deelnemers. Wij erkennen dat versterking van de bedrijfsvoering een belangrijke randvoorwaarde is voor een robuuste en toekomstbestendige FUMO. In de Ontwerpbegroting FUMO 2027 constateren wij dat wordt voorgesteld om de bedrijfsvoering structureel te versterken door een uitbreiding van 7 fte en 4 fte voor ketentoezicht. Gezien de omvang en impact van deze uitbreiding achten wij het wenselijk dat deze versterking niet in één keer, maar stapsgewijs wordt ingevoerd. Voor een doorontwikkeling achten wij het van belang dat uitbreidingen van deze omvang worden bezien in samenhang met een integraal meerjarenplan. In een dergelijk plan dient inzichtelijk te worden gemaakt welke opgaven wanneer worden opgepakt, welke prioriteiten daarbij worden gesteld en hoe de uitbreiding van capaciteit hieraan bijdraagt. Dit biedt deelnemers de mogelijkheid om de voorgestelde uitbreiding in samenhang te beoordelen en hun rol als opdrachtgever zorgvuldig in te vullen. In de Ontwerpbegroting FUMO 2027 is structureel budget opgenomen voor de inzet van omgevingsadviseurs, gebaseerd op de nieuwe set Kwaliteitscriteria 3.1. Deze kwaliteitscriteria introduceren een adviserende rol die kan bijdragen aan de versterking van het VTH-stelsel. Wij zijn bereid om de mogelijke meerwaarde van deze rol in samenhang met deze kwaliteitscriteria nader te verkennen. Wij achten het daarbij passend om deze verkenning vorm te geven via incidentele middelen, met een beperkte inzet in fte, en deze te voorzien van duidelijke evaluatie- en bijstuurmomenten. Dit stelt deelnemers in staat om op basis van ervaringen de daadwerkelijke meerwaarde te beoordelen, alvorens over te gaan tot structurele inbedding en eventuele uitbreiding. Het vooraf vastleggen van de omgevingsadviseur als structurele taak dwingt deelnemers om vooruitlopend op deze afweging een standpunt in te nemen en beperkt daarmee de bestuurlijke keuzevrijheid. Wij pleiten er daarom voor om de inzet van omgevingsadviseurs niet als structurele 8 voorziening in de ontwerpbegroting op te nemen, maar deze expliciet te positioneren als een aanvullende taak waarvoor deelnemers afzonderlijk kunnen kiezen. Dit doet recht aan de systematiek van de Gemeenschappelijke Regeling en draagt bij aan een zorgvuldige, transparante en gedragen doorontwikkeling van de FUMO. Reactie DB: Dank voor uw uitgebreide zienswijze. De onderwerpen die u in uw zienswijze aanhaalt zijn door meerdere deelnemers benoemd. Dit betreft de onderwerpen: • Financiële positie deelnemers • Begrotingsproces • Efficiencywinst • Bedrijfsvoering • Ontwikkelplan/ meerjarenplan • Omgevingsadviseurs Voor een reactie op deze onderwerpen verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Voor de volledigheid wijzen wij u er hierbij op dat wij geen 4 fte vragen voor ketentoezicht, maar 2 fte. Wij gaan er van uit dat dit een verschrijving betreft in uw zienswijze. Gemeente Ameland Heeft geen zienswijze ingediend. Gemeente Dantumadiel Vooropgesteld zien wij dat er stappen worden gezet om te komen tot een toekomstbestendige en robuuste FUMO. Dit stemt ons positief. Echter, hierbij ontstaat een spanningsveld tussen enerzijds de ambitie en anderzijds de financiering door de deelnemers. In de opgestelde begroting 2027 zitten voor het grootste deel uitzettingen die nodig zijn om de komende jaren de uitdagingen het hoofd te bieden. De gevraagde uitzettingen zijn dan ook grotendeels goed te verklaren en noodzakelijk. Ten aanzien van de nieuwe functie omgevingsadviseur (4FTE) willen wij een voorbehoud maken. De uitzetting van de begroting met de nieuwe functie omgevingsadviseurs komt ons nu te vroeg. Bij een uitrol van deze functies bij de FUMO zou eerst een discussie moeten plaatsvinden of dit voor de deelnemers gewenst is. Ook dient hierbij de taakomschrijving volledig helder te zijn. Wij gaan ervan uit dat deze uitzetting dan ook uit de begroting gehaald. Reactie DB: Dank voor uw zienswijze. Het onderwerp ‘Omgevingsadviseurs’ is door meerdere deelnemers ingebracht. Voor een reactie hierop verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Gemeente de Fryske Marren Wij verzoeken u dan ook om nog eens kritisch te kijken naar structurele uitzetting en mogelijk gefaseerde invoering van investeringen. En roepen wij u op, gelet op de financiële vooruitzichten van gemeenten, om uitzetting van de begroting te voorkomen. We willen u aanmoedigen om ontwikkelingen met bestaande middelen en formatie op te vangen. 9 Versterking bedrijfsvoering In het ontwikkelplan wordt aangegeven dat deze investeringen nodig zijn om de FUMO doelgerichter en efficiënter te laten werken. Wij gaan ervanuit dat efficiëntievoordelen in de komende begrotingen zichtbaar worden. Alvorens deze uitzetting structureel in de begroting op te nemen, verzoeken wij u de efficiëntievoordelen te bepalen, niet structureel op te nemen en zichtbaar te maken. Omgevingsadviseurs Voor de aanstelling van omgevingsadviseurs wordt een structurele uitzetting begroot van € 400.000. U geeft aan dat de omgevingsadviseur een belangrijke sparringpartner voor de deelnemers is, kennis heeft van de milieuvraagstukken die spelen en deze weet te vertalen naar een gerichte inzet van expertise vanuit de FUMO. De omgevingsadviseurs kunnen daarnaast een belangrijke bijdrage leveren aan de milieuparagraaf in de omgevingsplannen van gemeenten. De uitzetting voor de omgevingsadviseurs is opgenomen in de collectieve uren, wij zien dit als een plustaakuren. Wij zien voor onze gemeente een behoefte om deze uren af te nemen. Wij vragen u samen met de deelnemers de verdeling van het aantal uren en type uren te bepalen voordat deze structureel in de begroting wordt opgenomen. Meerjarenagenda ZZS Voor de uitvoering van de Meerjarenagenda Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) wordt een structurele uitzetting begroot van € 230.000. Hiermee wordt voorkomen dat de inzet op ZZS (te veel) ten koste gaat van de reguliere controles bij bedrijven conform de uitvoerings- en handhavingsstrategie. Hoewel sprake is van een meerjarenagenda, stellen wij vast dat dit onderwerp op termijn opgenomen kan worden in het algehele jaarlijkse uitvoeringsprogramma, aangezien sprake is van reguliere taken. Wij verzoeken u dan ook deze post incidenteel te maken en voor de begroting 2028 te onderzoeken op welke wijze ZZS een plaats kan krijgen in het algehele jaarlijkse uitvoeringsprogramma. Reactie DB: Dank voor uw zienswijze. De onderwerpen die u in uw zienswijze aanhaalt zijn door meerdere deelnemers benoemd. Dit betreft de onderwerpen: • Financiële positie deelnemers • Bedrijfsvoering - efficiencywinst • Omgevingsadviseurs • ZZS Voor een reactie op deze onderwerpen verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Gemeente Harlingen Wij vragen u zorg te dragen voor een jaarlijkse terugkoppeling aan de hand van objectief meetbare prestatie-indicatoren over de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelen. We vragen op deze manier om een goede vergelijking tussen de beoogde en gerealiseerde resultaten, ínclusief een toelichting en eventuele afwijkingen. Wij zijn van mening dat dit nodig is om onze controlerende rol goed uit te kunnen voeren. Daarnaast spreken wij onze zorg uit de omvang en het tempo van de stijging van de deelnemersbijdragen en de daarmee samenhangende druk op de gemeentelijke begrotingen. 10 Reactie DB: Dank voor uw brief. Wij zijn ons terdege bewust van de kwetsbare financiële positie van (sommige) deelnemers. In de algemene toelichting van deze reactienota gaan wij hier uitgebreider op in. Wij leggen verantwoording af over onze prestaties in de P&C-producten (tertaalrapportage, bestuurlijke halfjaar rapportage en jaarrekening) en de verantwoordingen die gekoppeld zijn aan de BIG8-cyclus (halfjaarverslag VTH-basistaken en jaarverslag VTH-basistaken). Bij het opstellen van de begroting en het uitvoeringsprogramma betrekken wij onze deelnemers, zodat hierin de benodigde prestatie-indicatoren worden opgenomen. Gemeente Heerenveen Wij onderschrijven het belang van een goed functionerende en toekomstbestendige omgevingsdienst en zien de noodzaak van verdere ontwikkeling van de FUMO. Tegelijkertijd beoordeelt de raad de voorliggende ontwerpbegroting kritisch, mede in het licht van de financiële positie van gemeenten. De gemeenteraad van Heerenveen verzoekt het algemeen bestuur vanaf het volgende begrotingsjaar weer conform de vastgestelde governancestructuur te werken, inclusief tijdige aanbieding van een kadernota. Naast het proces rondom de kaderbrief en de begroting zouden wij aandacht willen vragen voor de governance in het algemeen, specifiek de rolzuiverheid en de positie van de verschillende gremia. Wij zouden graag zien dat ontwikkelingen vroegtijdig met elkaar gecommuniceerd worden, in de juiste volgordelijkheid en binnen de juiste gremia om de processen optimaal te laten verlopen. Omgevingsadviseurs Heerenveen is kritisch op de introductie en structurele inzet van de omgevingsadviseurs. Hoewel het belang van goede advisering wordt onderkend, is voor ons onvoldoende duidelijk: • Welke concrete meerwaarde deze functie oplevert; • Hoe deze zich verhoudt tot bestaande samenwerkings- en adviesstructuren; • Waarom hiervoor nu structurele middelen noodzakelijk zijn. Daarnaast stellen wij de nadrukkelijke vraag of de rol van omgevingsadviseur wel een onderdeel vormt van het wettelijke basistakenpakket. Op grond van de GR FUMO ligt de beslissing om aanvullende taken bij de FUMO onder te brengen bij de individuele deelnemers. Voor de gemeente Heerenveen is geen besluit genomen om deze aanvullende taak structureel onder te brengen bij de FUMO. De raad verzoekt daarom om deelnemers de expliciete keuze te laten maken en deze functie niet generiek en structureel in de begroting op te nemen. Bedrijfsvoering Hoewel wij, zoals eerder beschreven, de noodzaak van verdere ontwikkeling van de FUMO inzien, plaatsen wij kanttekeningen bij de omvang en het tempo van de voorgestelde uitbreiding van de bedrijfsvoering. De uitbreiding leidt tot een substantiële stijging van de overhead en draagt in belangrijke mate bij aan de totale begrotingsgroei. De raad verzoekt het algemeen bestuur kritischer te kijken naar: • De proportionaliteit van de voorgestelde uitbreiding; • Fasering in de tijd; • Alternatieven voor structurele capaciteitsuitbreiding; 11 • De mate waarin doorontwikkeling op termijn leidt tot efficiencywinst. Reactie DB: Dank voor uw zienswijze. Bepaalde onderwerpen die u in uw zienswijze aanhaalt zijn door meerdere deelnemers benoemd. Dit betreft de onderwerpen: • Financiële positie deelnemers • Omgevingsadviseurs • Bedrijfsvoering Voor een reactie op deze onderwerpen verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Ook vraagt u ons om aandacht te hebben voor de governance in het algemeen, specifiek de rolzuiverheid en de positie van de verschillende gremia. U zou graag zien dat ontwikkelingen vroegtijdig met elkaar gecommuniceerd worden, in de juiste volgordelijkheid en binnen de juiste gremia om de processen optimaal te laten verlopen. Wij streven er altijd naar deelnemers zo tijdig mogelijk mee te nemen in ontwikkelingen en om processen zo goed mogelijk te laten verlopen. De praktijk is echter weerbarstiger. De governance van de FUMO is dusdanig complex ingericht, dat het planningstechnisch soms simpelweg onmogelijk is om alle stappen uitgebreid te doorlopen. De wil is er zeker, maar de weg niet altijd. In het meerjaren ontwikkelplan van de FUMO wordt uitgebreid aandacht besteed aan de werking van de governance. Wij maken graag met onze partners werkbare afspraken, die leiden tot gedegen besluitvorming. Gemeente Leeuwarden Allereerst willen we uitspreken dat we het belang van een robuuste en toekomstige FUMO belangrijk vinden; een organisatie die de basis op orde heeft, organisatorisch staat en waar medewerker met plezier werken. Toekomstbeeld en Robuustheid Tijdens de bestuurdersconferentie, gehouden 20 januari ’26, is afgesproken te werken aan een gezamenlijk toekomstbeeld voor de FUMO. Tegelijkertijd moet de FUMO aan de robuustheidcriteria voldoen. Aan een plan van aanpak hiervoor wordt nu gewerkt, in samenwerking met een werkgroep van Friese gemeentesecretarissen die hierin ondersteunend zijn. Het eindbeeld is echter nog niet gereed en het plan is nog niet bestuurlijk vastgesteld, terwijl de begroting 2027 al investeringen bevat die hierop vooruitlopen. Dit veroorzaakt spanning tussen de behoefte aan richting en de timing van financiële besluitvorming. Traject ontwerpbegroting De ontwerpbegroting 2027 is al eerder binnen de governance Fumo verspreid. Omdat de ontwerpbegroting een uitzetting kent van € 3,2 miljoen, heeft een werkgroep, bestaande uit een aantal deelnemers aan de GR FUMO, een objectieve beoordeling opgesteld om de afwegingsgronden inzichtelijk te maken en heeft daarop een aantal adviezen geformuleerd. Het merendeel van de deelnemers kon zich hierin vinden en heeft de FUMO verzocht om een nadere onderbouwing van de uitzettingen. Zonder een gezamenlijk vastgesteld toekomstbeeld ontbreekt de basis om de huidige begrotingsvoorstellen stevig te onderbouwen. In de aanbiedingsbrief van de ontwerpbegroting van 15 12 april 2026 en de uiteenzetting hoe tot een robuuste en toekomstbestendige FUMO te komen, is geprobeerd om hier meer onderbouwing aan te geven. De onderbouwing van deze posten is naar onze mening nog steeds onvoldoende uitgewerkt, waardoor inzicht in noodzaak, omvang en fasering ontbreekt. Omgevingsadviseurs In de ontwerpbegroting is 4 fte omgevingsadviseurs opgenomen. Deze nieuwe rol is opgenomen in de nieuwe set Kwaliteitscriteria 3.1. Vanuit onze optiek is de rol ‘Omgevingsadviseur’ geen basistaak, maar een plustaak. Er is verschil tussen de deelnemers voor wat betreft het onderbrengen van taken bij de FUMO. Enkele deelnemers hebben alle taken bij de FUMO ondergebracht, het merendeel alleen de wettelijke basistaken en soms enkele plustaken. Op grond van de GR FUMO zijn de individuele deelnemers de rechtspersoon die kunnen besluiten om aanvullende taken bij de FUMO onder te brengen. Leeuwarden kiest er bewust voor om zoveel als mogelijk alleen de wettelijke basistaken onder te brengen bij de FUMO en de plustaken zoveel als mogelijk zelf uit te voeren omdat binnen onze organisatie bewust en zorgvuldig wordt gebouwd aan expertise van deskundigheidsgebieden binnen de fysieke leefomgeving en het voldoen aan de kwaliteitscriteria. Deze keuze draagt substantieel bij aan de professionele advisering aan onze klanten en ons bestuur. De behoefte om naast de wettelijke basistaken ook plustaken bij de FUMO onder te brengen is Fryslân breed niet overal hetzelfde. Wij ondersteunen daarom dat u in de ontwerpbegroting voorstelt om in het kader van de robuustheid en toekomstbestendigheid van de organisatie, omgevingsadviseurs op te nemen voor die deelnemers die er behoefte aan hebben om deze taak af te nemen bij de FUMO als plustaak. Met het nu opnemen van deze rol in de ontwerpbegroting gaat u vanuit onze visie een stap te snel. De gemeente Leeuwarden heeft geen besluit genomen om de plustaak ‘Omgevingsadviseur’ onder te brengen bij de FUMO. In eigen organisatie zijn we aan het uitzoeken hoe/of we deze nieuwe rol gaan invullen. Fryslân breed is er ook nog geen mogelijkheid geweest om de positionering van deze rol samen met de overige bevoegde gezagen te verkennen. Gezien bovenstaande, vragen wij u om deze taak voor onze gemeente niet te betrekken bij deze begrotingsprocedure. ZZS In de ontwerpbegroting is een aanvullende uitzetting van € 230.000 voor extra milieucontroles opgenomen ter compensatie van de inzet op ZZS. Wij vinden uw motivering – dat door de gemaakte keuzes de zichtbaarheid afneemt en er minder zicht ontstaat op het werkveld – onvoldoende onderbouwd. Deze toelichting biedt onvoldoende inzicht in concrete risico’s om een verhoging van het ambitieniveau te rechtvaardigen. Het verhogen van het ambitieniveau pas bespreekbaar indien sprake is van aantoonbare en substantiële risico’s die het behalen van de gezamenlijke ambities voor een schone, gezonde en veilige fysieke leefomgeving daadwerkelijk in gevaar brengen. De keuze om de inzet op ZZS te verplaatsen naar de zogenoemde ‘collectieve taken’ kunnen wij niet volgen. De inzet op ZZS betreft immers de uitvoering van ambities binnen het wettelijke 13 basistakenpakket. In de definitie van de GR FUMO is expliciet vastgelegd dat binnen de collectieve taken geen inzet op wettelijke basistaken plaatsvindt. Door de inzet op ZZS onder te brengen in de post ‘collectieve uren’ ontstaat daarmee een inhoudelijke inconsistentie met de geldende definitie van collectieve taken. Daarnaast wordt deze inzet onttrokken aan de basistaken, terwijl deelnemers deze basistaken juist risicogestuurd kunnen inzetten om gezamenlijk uitvoering te geven aan de afgesproken ambities. Dit beperkt de sturingsmogelijkheden van de deelnemers en doet geen recht aan het karakter van de ZZS-opgave. Voor nu vragen wij u de € 230.000 voor extra milieucontroles ter compensatie van de inzet op ZZS uit de begroting te halen en de inzet op ZZS aan te merken als een basistaak. Bedrijfsvoering In de ontwerpbegroting is een uitbreiding van 7 fte nodig voor versterking bedrijfsvoering omdat de medewerkers waar deze werkzaamheden op dit moment zijn belegd hier niet voor zijn toegerust. Dit leidt tot overbelasting, ziekte en vertrek. Wij zien dat een doorontwikkeling van de FUMO nodig is, echter is niet voldoende onderbouwd dat met deze investeringen een betere en robuuste bedrijfsvoering van de FUMO wordt behaald. Dit is ook onderwerp van gesprek in verschillende gremia, waaronder die van de gemeentesecretaressen. Omdat zonder deze onderbouwing, de noodzaak en toegevoegde waarde van de genoemde functies op het gebied van bedrijfsvoering ontbreekt, is het niet mogelijk om een goede afweging te maken of deze functies nodig zijn en zichzelf eventueel terugverdienen. Wij vragen u deze structurele uitzetting van € 720.000 niet in de begroting op te nemen. Reactie DB: Dank voor uw zienswijze. De onderwerpen die u in uw zienswijze aanhaalt zijn door meerdere deelnemers benoemd. Dit betreft de onderwerpen: • Meerjarenplan/ ontwikkelplan • Omgevingsadviseurs • ZZS • Bedrijfsvoering Voor een reactie op deze onderwerpen verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Gemeente Noardeast-Fryslân De raad van Noardeast-Fryslân spreekt zijn waardering uit voor de ingezette doorontwikkeling van de FUMO. De raad ziet en erkent de opgaven waar de organisatie voor staat en onderschrijft het belang van een professionele, stabiele en toekomstbestendige omgevingsdienst, die haar taken kwalitatief goed en in nauwe samenwerking met de deelnemers kan uitvoeren. Ontwikkelplan als richtinggevend kader De raad hecht er veel waarde aan dat de doorontwikkeling van de FUMO wordt vastgelegd in een breed gedragen ontwikkelplan, dat samen met de deelnemers wordt opgesteld en bestuurlijk wordt verankerd. 14 Financieel perspectief De raad begrijpt dat investeringen nodig kunnen zijn om de FUMO verder te versterken. Tegelijkertijd blijft de raad, gelet op de financiële onzekerheden bij gemeenten, aandacht vragen voor een zorgvuldige afweging van structurele lasten. De raad gaat ervan uit dat bij de verdere uitwerking nadrukkelijk wordt gekeken naar doelmatigheid, efficiency en de inzet van incidentele middelen waar passend, in samenhang met de uitkomsten van het ontwikkelplan. Sturing, monitoring en verantwoording Gelet op de structurele stijging van de gemeentelijke bijdrage en de doorontwikkeling van de FUMO hecht de raad aan een transparante en goed onderbouwde verantwoording over de inzet van middelen en de behaalde resultaten. De raad acht het daarom van belang dat de FUMO zorgdraagt voor een jaarlijkse terugkoppeling waarin inzicht wordt gegeven in de mate waarin de gestelde doelen worden gerealiseerd. Deze terugkoppeling dient te zijn gebaseerd op vooraf vastgestelde, objectief meetbare prestatie- indicatoren (KPI’s). De raad verwacht dat hierbij in ieder geval: - een duidelijke koppeling wordt gelegd tussen doelen, inzet en behaalde resultaten; - een vergelijking wordt gemaakt tussen beoogde en gerealiseerde prestaties; - en afwijkingen worden toegelicht. Een dergelijke systematische en transparante verantwoording is voor de raad essentieel om zijn kader stellende en controlerende rol goed te kunnen vervullen, en om structureel te kunnen beoordelen of de beschikbare middelen doelmatig en effectief worden ingezet. Omgevingsadviseurs Eén onderdeel van de begroting licht de raad echter nadrukkelijk en afzonderlijk uit, namelijk de voorgestelde inzet van vier omgevingsadviseurs. De raad ziet het potentiële belang van een functie die kan bijdragen aan betere afstemming in complexe dossiers en aan integrale samenwerking binnen de VTH-keten. Juist vanwege deze mogelijke meerwaarde acht de raad het noodzakelijk dat deze functie inhoudelijk en financieel deugdelijk wordt onderbouwd. Op dit moment ontbreekt in de begroting een voldoende concrete onderbouwing van: • welke opgave met de inzet van omgevingsadviseurs wordt opgelost, • hoe deze functie zich verhoudt tot bestaande rollen binnen de FUMO en bij de deelnemende gemeenten, • en waarom een formatieomvang van vier fte noodzakelijk wordt geacht. Gelet op het feit dat het hier gaat om een structurele investering met langdurige financiële consequenties, beschouwt de raad deze onderbouwing als een essentiële voorwaarde voor besluitvorming. De raad is van oordeel dat zonder een voorafgaande, inzichtelijke onderbouwing van de beoogde meerwaarde, positionering en schaalgrootte van de omgevingsadviseurs geen zorgvuldige besluitvorming over deze investering kan plaatsvinden. De raad hecht eraan dat deze onderbouwing eerst beschikbaar komt en vervolgens kan worden benut als input voor het bredere ontwikkelplan van de FUMO. Pas wanneer deze onderbouwing inzichtelijk is gemaakt, kan de raad dit specifieke onderdeel betrekken bij de verdere besluitvorming over de begroting 2027. 15 Reactie DB: Dank voor uw zienswijze. De onderwerpen die u in uw zienswijze aanhaalt zijn door meerdere deelnemers benoemd. Dit betreft de onderwerpen: • Meerjarenplan/ ontwikkelplan • Financiële positie deelnemers • Omgevingsadviseurs Voor een reactie op deze onderwerpen verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Hiernaast vraagt de raad om een transparante en goed onderbouwde verantwoording over de inzet van middelen en de behaalde resultaten. Het Dagelijks Bestuur hecht eraan de deelnemers goed te informeren over de prestaties van de FUMO. Via de vaste verantwoordingsmomenten binnen de jaarlijkse P&C-cyclus geven wij hier invulling aan. Mocht blijken dat de huidige verantwoordingen nog onvoldoende aansluiten bij de informatiebehoefte die nodig is voor de uitoefening van de kaderstellende en controlerende rol van de gemeenteraad, dan gaan wij hierover graag met onze deelnemers in gesprek. Gemeenten Ooststellingwerf, Opsterland en Weststellingwerf De door bovengenoemde gemeenten ingediende zienswijzen zijn identiek en worden hieronder daarom gezamenlijk besproken. Met de ontwerpbegroting 2027 wordt ingezet op de verdere ontwikkeling van de FUMO. In de begroting is gekozen voor investeringen die gericht zijn op het versterken van de inrichting en het functioneren van de organisatie. Deze koers vraagt om financiële investeringen. Vanuit onze rol als mede-eigenaar van de FUMO zien wij dat investeringen in deze fase noodzakelijk zijn om de uitvoering te ondersteunen. Daarbij wordt geconstateerd dat in 2027 de kosten vooruitlopen op de baten. Deze volgorde achten wij acceptabel, aangezien de investeringen bijdragen aan een structureel sterkere inrichting van de organisatie. Tegelijkertijd gaan we ervanuit dat deze financiële ontwikkeling zich na 2027 gematigder voortzet en dat wordt toegewerkt naar een meer evenwichtige meerjarige ontwikkeling. Voor de gemeenteraad is het van belang, vanuit de verantwoordelijkheid als eigenaar, betrokken te blijven bij de ontwikkelingen die voortvloeien uit deze investeringen. Wij verwachten dat deelnemers tijdig worden geïnformeerd over de voortgang en dat het gesprek wordt gevoerd wanneer bijstelling van koers of aanpak nodig blijkt. In dit kader worden de directie van de FUMO en het dagelijks bestuur verzocht het initiatief te nemen en het contact met de deelnemers actief te onderhouden. De kwaliteit van de dienstverlening is voor onze gemeenteraad een belangrijk aandachtspunt. Daarbij wordt waarde gehecht aan een verdere versterking van de samenwerking tussen de FUMO en de deelnemers. Dit vraagt om duidelijke communicatie, een zorgvuldige uitvoering en actief overleg met de deelnemers, waarbij de belangen van onze inwoners en bedrijven niet uit het oog mogen worden verloren. Daarnaast hecht de gemeenteraad veel waarde aan de positie van de medewerkers van de FUMO binnen deze ontwikkeling. Van belang is dat de FUMO zich ontwikkelt tot een organisatie waarin 16 medewerkers op een stabiele en zorgvuldige manier kunnen werken. Goed werkgeverschap draagt bij aan continuïteit binnen de organisatie en ondersteunt daarmee de kwaliteit van de dienstverlening. Alles overwegend bevat de ontwerpbegroting 2027 een richting die wij als raad kunnen volgen. Verwacht wordt dat het dagelijks bestuur en de directie deze koers blijven monitoren, de deelnemers betrekken bij relevante ontwikkelingen en aandacht houden voor zowel de financiële ontwikkeling als de inhoudelijke kwaliteit. Reactie DB: Dank voor uw opbouwende zienswijze. Wij waarderen de verantwoordelijkheid die u als mede- eigenaar van de FUMO met deze zienswijze neemt. Wij blijven graag met u in gesprek over de voortgang van het ontwikkelplan en zullen u hier in ieder geval tijdens de reguliere verantwoordingsmomenten in de P&C-Cyclus over informeren. Wij erkennen dat er aandacht moet zijn voor de kwaliteit van de dienstverlening en dat er een verdere versterking nodig is van de samenwerking met onze deelnemers. Wij nemen dit mee in het ontwikkelplan van de FUMO. Gemeente Schiermonnikoog Heeft geen zienswijze ingediend. Gemeente Smallingerland Er is bij de totstandkoming van de Ontwerpbegroting FUMO 2027 afgeweken van de afgesproken governance en Planning- en Controlcyclus. We hebben begrip voor deze afwijking maar desondanks hechten we grote waarde aan een zorgvuldiger en transparanter besluitvormingsproces, waar deelnemers op tijd aan de voorkant worden betrokken om mee te denken in beleidsmatige keuzes. We verzoeken dan ook nadrukkelijk om hier in de toekomst een vervolg aan te geven. Omgevingsadviseurs Niet alle deelnemers in de GR FUMO hebben reeds een besluit genomen over deze nieuwe functie. Wij stellen dan ook de vraag of de omgevingsadviseur onderdeel is van het basistakenpakket. Voor de omgevingsadviseurs geldt dat er op dit moment te veel onduidelijkheid bestaat om nu direct vier fte (i.p.v. de gestelde twee fte die de kwaliteitscriteria 3.0 verplicht stelt voor deze deskundigheid) weg te kunnen zetten. Om die reden zouden wij graag een gefaseerde aanpak van deze formatie-uitbreiding zien Omdat het een nieuwe functie betreft, is ons voorstel dan ook om deze vier fte verdeelt over twee jaar in te voeren. Het jaar 2027 kan worden gebruikt om deze functie goed in te richten en hierin de pionieren, zodat in 2028 het cluster omgevingsadviseurs op volle kracht kan werken. Bedrijfsvoering De formatie-uitbreiding bij de afdeling bedrijfsvoering bestaat uit zeven fte en is fors. We zien de noodzaak van de ontwikkeling van de bedrijfsvoering binnen de FUMO, maar we plaatsen vraagtekens bij de omvang en het tempo van de voorstelde uitbreiding. Gelet op o.a. de borging van goede inwerktrajecten, zien wij graag een prioritering binnen de versterking van de robuuste bedrijfsvoering en waar mogelijk een gefaseerde invoering. Reactie DB: 17 Dank voor uw zienswijze. De onderwerpen die u in uw zienswijze aanhaalt zijn door meerdere deelnemers benoemd. Dit betreft de onderwerpen: • Begrotingsproces • Omgevingsadviseurs • Bedrijfsvoering Voor een reactie op deze onderwerpen verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Gemeente Súdwest-Fryslân Ondanks dat wij positief staan ten opzichte van de ingezette doorontwikkeling moeten wij, gezien onze eigen financiële positie, kritisch kijken naar structurele uitzettingen. Het ravijnjaar is naar achteren geschoven en is er geen zicht op een additionele vergoeding vanuit het Rijk richting gemeenten voor de versterking van het VTH stelsel. Onze verwachting is dat deze onzekere financiële situatie zeker tot 2029 doorwerkt. Vanuit deze optiek kijken wij kritisch naar uw ontwerpbegroting. Immers ook wij kunnen onze middelen maar één keer uitgeven. Werk vanuit een gedragen en uitgewerkte visie/plan aan een toekomstbestendige FUMO Zoals eerder benoemd is een gezamenlijke visie van alle deelnemers van essentieel belang om de beoogde doorontwikkeling in gang te zetten en goed af te ronden. Wij raden u daarom met klem aan dit plan/visie, inclusief financiële- en personele consequenties, samen met uw deelnemers verder uit te werken en de definitieve versie te laten bekrachtigen door uw algemeen bestuur. Werk uw verbeterplan uit met incidenteel projectbudget en kijk naar efficiencywinst Zoals aangeven staan wij positief ten opzichte van een ontwikkeling van uw organisatie maar moeten wij ook kritisch kijken naar structurele uitzettingen. Wij verwachten derhalve dat een groot gedeelte van het projectbudget, ter verbetering van uw organisatie, om een incidentele financiering gaat vragen. We verwachten daarnaast dat uw doorontwikkeling efficiencywinst gaat opleveren. We gaan ervan uit dat deze winst in efficiency de benodigde structurele uitzettingen gaat reduceren/teniet doen. Laat uw deelnemers de keuze maken - Omgevingsadviseurs In uw ontwerpbegroting heeft u 4 fte omgevingsadviseurs opgenomen. Deze nieuwe rol is opgenomen in de nieuwe set Kwaliteitscriteria 3.1. Onze organisatie staat open voor het verkennen van een goede samenwerking voor een effectieve- en doelmatige taakuitvoering. Echter met het nu opnemen van deze rol in de ontwerpbegroting gaan we vanuit onze visie een stap te snel. In eigen organisatie zijn we aan het uitzoeken hoe/of we deze nieuwe rol gaan invullen. Fryslân breed is er ook nog geen mogelijkheid geweest om de positionering van deze rol samen met de overige bevoegde gezagen te verkennen. Vanuit onze optiek is de rol ‘Omgevingsadviseur’ geen basistaak. Op grond van de GR FUMO zijn de individuele deelnemers de rechtspersoon die kunnen besluiten om aanvullende taken bij de FUMO onder te brengen. Het college van onze gemeente heeft tot op heden geen besluit genomen om de aanvullende taak ‘Omgevingsadviseur’ onder te brengen bij de FUMO. Gezien bovenstaande kan deze taak derhalve voor onze gemeente niet worden betrokken deze begrotingsprocedure. Wij gaan ervan uit dat u, gezien bovenstaande, deze uitzetting voor onze gemeente uit de begroting gaat verwijderen. 18 Laat uw deelnemers de keuzes maken - Hoger ambitieniveau Zoals eerder aangeven staan wij positief ten opzichte van de doorontwikkeling naar een toekomstgerichte omgevingsdienst. Echter met een toekomstbestendige FUMO beogen wij niet primair een hoger ambitieniveau in de uitvoering. In de OB27 lezen wij echter dat u hiervoor €300.000 extra heeft opgenomen. Wij begrijpen dat in het Uitvoeringsprogramma 2026 uw deelnemers hebben besloten om 3000 uur inzet te besteden aan de reductie van de uitstoot van Zeer Zorgwekkende Stoffen. Dit mede omdat dit thema in onze gezamenlijke strategie als een belangrijke ambitie is benoemd. Ook begrijpen wij dat door deze keuze er, binnen de begrote inzet van 2026, afwegingen zijn gemaakt. De deelnemers hebben samen besloten om in 2026 minder milieucontroles bij bedrijven uit te voeren. Deze keuze vinden wij in lijn met de uitgangspunten van onze Uitvoerings- en handhavingsstrategie Fryslân 2025-2028. In deze door alle deelnemers vastgestelde strategie werken we thematisch aan een schone-, gezonde- en veilige fysieke leefomgeving. We weten dat we niet alles tegelijk kunnen oppakken. Daarom maken we risico gestuurd keuzes om de begrote inzet zo doelmatig als mogelijk te benutten. In de ontwerpbegroting lezen wij dat u een uitzetting van € 300.000 voor extra milieucontroles heeft opgenomen. Dit om de inzet op ZZS te ‘compenseren’. U vindt dat door de keuze rond ZZS uw zichtbaarheid afneemt en er minder zicht ontstaat op het werkveld. Natuurlijk staan wij ervoor open om het ambitieniveau bespreekbaar te maken. Dit bijvoorbeeld als er grote risico’s ontstaan die het behalen van onze ambities voor een schone-, gezonde- en veilige fysieke leefomgeving bedreigen. Echter de door u aangehaalde motivering vinden wij te ondiep en geeft onvoldoende duiding van de ontstane risico’s om de afweging te kunnen maken om het ambitieniveau te verhogen. Positioneer taken in de uitvoering conform de GR FUMO In de ontwerpbegroting lezen wij dat u voornemens bent om de uren voor de inzet van de reductie van de ZZS te verplaatsten naar de zogenaamde ‘collectieve taken’. De achtergrond van deze keuze is onvoldoende toegelicht. De inzet ZZS betreft inzet op ambities binnen het wettelijke basistakenpakket. In de definitie van de GR FUMO lezen wij dat binnen collectieve taken de inzet op wettelijke basistaken expliciet is uitgesloten. Daarnaast wordt, door het opnemen van de inzet ZZS in de post collectieve uren, deze inzet onttrokken aan de inzet basistaken welke de deelnemers risico gestuurd kunnen inzetten/verdelen om de gezamenlijke ambities te bereiken. U creëert hiermee een ‘vaste post’ waardoor het lastiger wordt om deze jaarlijks via het Uitvoeringsprogramma basistaken risico gestuurd bij te stellen. Wij verwachten dat de inzet ten behoeve van de Meerjarenaanpak ZZS zijn kostenplaats/inzet behoudt in het programma ‘Basistaken’. Dit analoog aan andere thema’s voor basistaken zoals bijvoorbeeld de ‘Aanpak Energie’ en het project ‘Actualiseren milieuvergunningen’. Op deze wijze volgen we de definiëring en bedoeling vanuit de GR FUMO en houden we de flexibiliteit in de programmering ten behoeve van het bereiken van onze gezamenlijke ambities voor een schone-, gezonde- en veilige fysieke leefomgeving. Reactie DB: Dank voor uw zienswijze. De onderwerpen die u in uw zienswijze aanhaalt zijn door meerdere deelnemers benoemd. Dit betreft de onderwerpen: • Financiële positie deelnemers • Meerjarenplan/ ontwikkelplan • Efficiencywinst 19 • Omgevingsadviseurs • ZZS – hoger ambitieniveau – opnemen als collectieve taak Voor een reactie op deze onderwerpen verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Naast de zienswijze die door de gemeenteraad van gemeente Súdwest-Fryslân is ingediend, heeft het college van gemeente Súdwest-Fryslân een brief gestuurd aan het bestuur van de FUMO. Deze wordt los van de zienswijzen door het Dagelijks Bestuur in behandeling genomen. Gemeente Terschelling Heeft geen zienswijze ingediend. Het college van gemeente Terschelling heeft wel een brief gestuurd aan het bestuur van de FUMO. Deze wordt los van de zienswijzen door het Dagelijks Bestuur in behandeling genomen. Gemeente Tytsjerksteradiel Wij onderstrepen het belang van een robuuste en toekomstbestendige FUMO: een organisatie die organisatorisch staat en waar medewerkers met plezier werken. Bij de behandeling van de Ontwerpbegroting FUMO 2026 (OB26) hebben wij al onze waardering uitgesproken voor de ingezette kwaliteitsverbetering in de informatievoorziening. Dit draagt bij aan een toekomstbestendige organisatie. Ontwerpbegroting 2027 In de OB27 zien wij dat op het gebied van bedrijfsvoering, uitvoering en informatievoorziening diverse versterkingen worden doorgevoerd. Wij kunnen deze versterkingen echter niet duidelijk relateren aan een concrete opgave of aan een gezamenlijk gedragen visie en plan. De onderbouwing achten wij op onderdelen onvoldoende. In onze zienswijze op de OB26 hebben wij uw bestuur verzocht terughoudend om te gaan met uitzettingen, mede gezien de financieel lastige situatie waarin onze organisatie zich bevindt. Wij constateren dat deze terughoudendheid in de OB27 onvoldoende zichtbaar is. Visie en planvorming in relatie tot Ontwerpbegroting 2027 Uw bestuur werkt nog aan een gezamenlijke, gedragen en uitgewerkte visie en bijbehorend plan. Een dergelijk plan dient inzicht te bieden in: • De aanpak en het tijdpad; • De financiële consequenties; • De organisatorische gevolgen voor zowel de FUMO als de deelnemers. De OB27 anticipeert echter al op dit nog vast te stellen visie- en planvormingsproces. Deze volgorde achten wij niet logisch en niet wenselijk. Besluitvorming over structurele versterkingen zou naar onze mening pas moeten plaatsvinden nadat er bestuurlijk overeenstemming bestaat over de gezamenlijke koers. Omgevingsadviseur In de OB27 wordt voorgesteld een nieuwe functie, Omgevingsadviseur, in te voeren. Wij erkennen de potentiële meerwaarde van deze functie, mede gezien de uitdagingen rond het opstellen van omgevingsplannen en de uitvoering daarvan. Wij zijn echter van mening dat: 20 • Dit vraagt om een zorgvuldig proces; • Er eerst sprake moet zijn van een duidelijke en gezamenlijke afname-uitvraag; • Er een gedeeld beeld moet bestaan over positionering en invulling van deze rol. Dit proces is naar onze mening nog niet doorlopen. Wij achten het daarom prematuur en niet correct om deze functies reeds op te nemen in de OB27. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) De inzet van de FUMO op het dossier Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) wordt door ons onderschreven. De deelnemers hebben unaniem uitgesproken dat dit onderwerp met hoge prioriteit dient te worden opgepakt binnen het regionale programma. Voor 2027 stelt uw bestuur voor deze inzet te dekken met collectieve uren, wat leidt tot een uitzetting. Daarmee wordt echter voorbijgegaan aan het feit dat basistaken niet uit collectieve uren bekostigd kunnen worden. Wij achten deze keuze daarom niet juist en verzoeken dit uitgangspunt te heroverwegen. Reëel begroten In onze zienswijze op de OB26 hebben wij gewezen op de noodzaak om tijdig te anticiperen op financiële risico’s. Wij constateren dat hier in de OB27 op een adequate wijze invulling aan is gegeven. Dit beschouwen wij als een positief element van de voorliggende begroting. Reactie DB: Dank voor uw zienswijze. De onderwerpen die u in uw zienswijze aanhaalt zijn door meerdere deelnemers benoemd. Dit betreft de onderwerpen: • Financiële positie deelnemers • Meerjarenplan/ ontwikkelplan • Omgevingsadviseurs • ZZS Voor een reactie op deze onderwerpen verwijzen wij daarom naar de algemene reactie aan het begin van deze reactienota. Wij danken u voor uw complimenten over de ingezette kwaliteitsverbetering in de informatievoorziening en het reëel begroten. Gemeente Vlieland Gemeente Vlieland heeft geen zienswijze ingediend. Gemeente Waadhoeke Door de gemeenteraad wordt de noodzaak erkend om te investeren in een robuuste en toekomstbestendige FUMO. Tegelijkertijd staat de financiële ruimte van de gemeente onder aanzienlijke druk. Het is daarom noodzakelijk om scherp te beoordelen of de voorgestelde uitbreidingen daadwerkelijk en in voldoende mate bijdragen aan een efficiënte, effectieve en stevig gepositioneerde omgevingsdienst. In deze zienswijze spreken wij onze zorgen hierover uit en doen wij 21 een duidelijke oproep aan u en alle deelnemers van de gemeenschappelijke regeling om gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor het realiseren van dit doel. Zoals ook in onze zienswijze van vorig jaar is opgemerkt, constateren wij dat de deelnemers onderling, en in sommige gevallen ook de FUMO in relatie tot de deelnemers, nog steeds onvoldoende op één lijn zitten. Dit belemmert uw organisatie om de noodzakelijke ontwikkeling daadwerkelijk in gang te zetten. Waar het gesprek zou moeten gaan over hoe de FUMO binnen haar takenpakket en de begroting kan bijdragen aan een schone, gezonde, veilige en duurzame leefomgeving, blijft dit nu steken op geld, de rol en de taakafbakening. Wij waarderen dat er inmiddels een plan ligt waarin de ontwikkeling van de FUMO is uitgewerkt. De gemeenteraad is bereid dit plan te ondersteunen, maar uitsluitend onder de volgende nadrukkelijke voorwaarden: • De voorgenomen ontwikkeling blijft binnen de kaders van de begroting en leidt niet tot verdere financiële uitzetting; • Er vindt een kritische toets plaats op de noodzaak en invulling van de gevraagde investeringen; • Er wordt actief geïnvesteerd in het versterken van het onderling vertrouwen tussen de FUMO en de deelnemers; • Er wordt periodiek en transparant gerapporteerd over de voortgang en resultaten. De gemeenteraad verwacht dat deze voorwaarden worden nageleefd en dat er aantoonbare voortgang wordt geboekt, zodat de FUMO zich daadwerkelijk ontwikkelt tot de robuuste en toekomstbestendige organisatie die nodig is. Reactie DB: Dank voor uw opbouwende zienswijze. Wij zijn ons terdege bewust van de kwetsbare financiële positie van (sommige) deelnemers. In de algemene toelichting van deze reactienota gaan wij hier uitgebreider op in. Wij stellen alles in het werk om te voldoen aan de genoemde voorwaarden. Provincie Fryslân De ingediende zienswijze is geschreven in de mooie Friese taal. Voor de uniformiteit van deze reactienota hebben wij deze vertaald naar het Nederlands en ook in het Nederlands gereageerd. Op 16 april jongstleden ontvingen wij de ontwerpbegroting 2027 van de FUMO. U heeft ons in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op het ontwerp te geven. In onze vergadering van 17 juni 2026 is besloten een zienswijze in te dienen. Het gaat om de volgende punten: • Nadat de FUMO in haar begroting 2026 grotendeels gelijk was gebleven, laat de ontwerpbegroting FUMO 2027 zien dat er aanzienlijke investeringen in de FUMO nodig zijn. Enerzijds om te kunnen voldoen aan de criteria voor robuustheid, maar ook omdat is gebleken dat de FUMO op een aantal punten kwetsbaar is en onvoldoende in staat is om de gewenste kwaliteit te leveren. • De uitbreiding van de begroting heeft voor het grootste deel een structureel karakter. De investering vindt voor een belangrijk deel plaats door de bedrijfsvoering te versterken en 22 tegelijkertijd managers en medewerkers te ontlasten van taken waarvoor zij in principe niet zijn toegerust. Op die manier leidt de uitbreiding van de formatie op het gebied van bedrijfsvoering tot meer inzet op de primaire taakuitvoering. Zo wordt ruimte gecreëerd voor de verdere ontwikkeling naar een robuuste en toekomstbestendige FUMO. • De bestuurlijke conferentie die u vorig jaar heeft aangekondigd, heeft resultaat opgeleverd. Het doet ons genoegen dat er onder de deelnemers in de FUMO een breed gedragen beeld is geformuleerd van het ontwikkelperspectief van de FUMO. Dat is een belangrijke voorwaarde om te komen tot een doelmatig functionerende FUMO, die haar taken voor de deelnemers op professionele wijze kan uitvoeren. Wij ondersteunen dat ontwikkelperspectief. De voorliggende ontwerpbegroting 2027 biedt de ruimte om die ontwikkeling in gang te zetten. Van onze kant hebben wij geen opmerkingen bij afzonderlijke begrotingsposten. De verdere ontwikkeling van de FUMO vraagt niet alleen van de FUMO-organisatie, maar van alle deelnemers – als mede-eigenaren van de FUMO – de bereidheid en inzet om in de komende jaren stapsgewijs toe te werken naar een omgevingsdienst die haar meerwaarde kan bewijzen. Niet alleen voor haar deelnemers, maar ook voor de Friese bedrijven en inwoners, en die op die manier bijdraagt aan een veilig, gezond en schoon Fryslân. Wij hopen dat het versterken van en investeren in de FUMO eraan bijdraagt dat Fryslân trots kan zijn op een zelfstandige, robuuste en toekomstbestendige FUMO. Reactie DB: Dank voor uw positieve en constructieve zienswijze. Wij stellen de rol die u in dit begrotingstraject heeft vervuld zeer op prijs. In het bijzonder waarderen wij de wijze waarop wij gezamenlijk hebben opgetrokken in de planvorming rondom de verdere doorontwikkeling van de FUMO. Wetterskip Fryslân Allereerst willen wij u complimenteren met de voorliggende ontwerpbegroting. Wij constateren dat hierin de benodigde investeringen zijn opgenomen ten behoeve van de verdere ontwikkeling naar een robuustere FUMO. Daarnaast zien wij positieve stappen in het verkrijgen van meer grip op het thema Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Vorig jaar hebben wij een kritische zienswijze ingediend op de ontwerpbegroting. Deze heeft destijds niet geleid tot een wijziging van de begroting voor 2026. Inmiddels is echter een meerjarenplan ZZS vastgesteld en zijn hiervoor financiële middelen opgenomen in de ontwerpbegroting voor 2027. Tevens constateren wij dat onderwerpen als capaciteitsborging en innovatie een plek hebben gekregen in de begroting. Dit waarderen wij. Het recente rapport van de FUMO, waarin het effluent van 50 bedrijven is bemonsterd, onderstreept nadrukkelijk de noodzaak om meer grip te krijgen op ZZS. De onderzoeksbevindingen maken duidelijk dat er nog belangrijke stappen te zetten zijn om de emissies van deze stoffen terug te dringen. Wij verzoeken u hier scherp en proactief op te blijven acteren. In het kader van waterkwaliteit in brede zin, en de Kaderrichtlijn Water in het bijzonder, hecht Wetterskip Fryslân eraan om ook op het gebied van lozingen en ZZS nauw samen te blijven werken met de FUMO. 23 Wij zien uit naar de voortzetting van de constructieve samenwerking tussen de FUMO en Wetterskip Fryslân. Reactie DB: Dank voor uw positieve en constructieve zienswijze. Ook wij zien uit naar de voortzetting van de constructieve samenwerking tussen de FUMO en Wetterskip Fryslân. 24 Geachte griffier, In het kader van de ontwerpbegroting FUMO 2027 zijn de gemeenteraden, Provinciale Staten van Fryslân en het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Het dagelijks bestuur van de FUMO heeft de ingediende zienswijzen beoordeeld en van een reactie voorzien. De conclusies die het dagelijks bestuur daaraan heeft verbonden, zijn opgenomen in de bijgevoegde reactienota. De reactienota bevat daarnaast de zienswijzen en reacties per deelnemer. Bijgevoegd ontvangt u de Reactienota zienswijzen begroting FUMO 2027. Wij verzoeken u deze reactienota ter kennis te brengen van de leden van uw gemeenteraad, Provinciale Staten respectievelijk het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân. Met vriendelijke groet, Antje Kneefel bestuursondersteuner (0566) 750 356 (06) 429 683 91 J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE Grou (0566) 750 300 Werkdagen: [email protected] ma, di, don, vrij www.fumo.nl Aan leden van de gemeenteraad van Smallingerland Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 8 september 2026 2025-007900-060278 Andrea Poelstra-Bos en Jeanet Halsema 0512 - 581 234 Onderwerp Aanpak netcongestie Geachte heer, mevrouw, Met deze brief informeren wij u over de regeling Eerder Aanvragen Transportcapaciteit en Prioriteit voor woningbouw en onderwijs. Deze landelijke regeling biedt gemeenten de mogelijkheid om transportcapaciteit (op het elektriciteitsnet) voor woningbouw- en onderwijsprojecten eerder in het bouwproces aan te vragen. Waar dat voorheen tot drie jaar vooruit kon, kan dat nu tot tien jaar vooruit. Daarnaast kan er ook prioriteit worden aangevraagd voor deze projecten. Aanleiding Per 1 juli 2026 zijn de landelijke regels voor de verdeling van transportcapaciteit op het elektriciteitsnet gewijzigd als gevolg van de Systeemcode Elektriciteit 2026. Hierdoor worden kleinverbruikers en grootverbruikers voortaan op dezelfde wachtlijst geplaatst. Daarnaast is er een prioriteringskader vastgesteld voor de verdeling van de schaarse netcapaciteit, waarbij categorieën van maatschappelijk belang voorrang krijgen. Categorie 1 heeft de hoogste prioriteit. Dit zijn congestieverzachters die juist extra ruimte op het net creëren. Categorie 2 betreft veiligheid, en voorzieningen zoals ziekenhuizen, drinkwater en publieke diensten. De derde categorie betreft woningbouw en onderwijshuisvesting. De Eerder aanvragen regeling gaat over deze derde categorie. Omdat woningbouw- en onderwijsprojecten meestal jarenlang in voorbereiding zijn, hebben ontwikkelaars en initiatiefnemers lange tijd geen zekerheid over de beschikbaarheid van transportcapaciteit op het moment van oplevering. Daarnaast kunnen de netbeheerders de verzwaring niet goed plannen als ze niet weten hoeveel woningen en scholen er de komende jaren gebouwd gaan worden. Dit leidt tot onzekerheid en vertraagt de voortgang van woningbouw- en onderwijsprojecten. Daarom hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), het ministerie van Economische Zaken (EZ), de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en Netbeheer Nederland afgesproken dat gemeenten woningbouw- en onderwijsprojecten tot 10 jaar vooruit mogen aanmelden bij de netbeheerder. Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2025-007900-060278 Datum 8 september 202622 Bladnr. 2 januari 2025 Deze afspraak is belangrijk voor de woningbouwopgave en de bouw van scholen. De regeling Eerder Aanvragen biedt de mogelijkheid om deze projecten in een vroeg stadium meer duidelijkheid te geven over de beschikbaarheid van transportcapaciteit. Ook kunnen projecten eerder en met maatschappelijke prioriteit op de wachtlijst van de netbeheerder worden geplaatst. Projecten die in aanmerking komen om door de gemeente bij de netbeheerder ingediend te worden, zijn: • nieuwbouw van woningen of scholen; • sloop en nieuwbouw; • transformatie van bestaande gebouwen naar woningen; • uitbreiding van bestaande gebouwen met extra woningen. Projecten die niet in aanmerking komen: • het verduurzamen van bestaande woningen; • het verzwaren van de elektriciteitsaansluiting van bestaande woningen of scholen; • aanvragen voor laadpalen; • overige projecten die niet direct samenhangen met woningbouw of onderwijshuisvesting. Vaststelling beleidsregels De volgorde waarin de gemeente de projecten aanmeldt is bepalend voor de positie van projecten op de wachtlijst van de netbeheerder. Daarom is een transparant, objectief en toetsbaar afwegingskader noodzakelijk. Hiervoor heeft het college beleidsregels opgesteld. Deze beleidsregels zijn gebaseerd op het model dat hiervoor landelijk door de VNG is ontwikkeld. De beleidsregels zijn inmiddels gepubliceerd en hier te vinden: Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten Gemeente Smallingerland 2026 | Lokale wet- en regelgeving Op basis van de beleidsregels wordt een gemeentelijke volgordelijst opgesteld van projecten van de gemeente zelf en van andere initiatiefnemers die de gemeente allemaal bij Liander aanmeldt. De rangorde wordt daarbij bepaald op basis van: 1. startdatum bouw, 2. projectrijpheid, 3. maatschappelijk belang (onderwijshuisvesting); 4. de opleverdatum. De regeling staat naast woningbouw ook open voor projecten in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. In de beleidsregels is als derde criterium opgenomen dat onderwijshuisvesting die in dezelfde maand start als woningbouw, voorrang krijgt. We houden hierbij de planning van het Integraal Huisvestingsplan aan. Indien al het voorgaande geen uitsluitsel biedt, wordt de onderlinge volgorde vastgesteld door middel van loting. Uitvoering Na publicatie van de beleidsregels konden gemeentelijke projectleiders, evenals externe projectontwikkelaars en particuliere initiatiefnemers tot 2 september hun woningbouw en GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2025-007900-060278 Datum 8 september 202622 Bladnr. 3 januari 2025 onderwijshuisvestingsprojecten aanmelden via een digitaal aanvraagformulier op de gemeentelijke website.. Er zijn meer dan 40 aanvragen ingediend. De gemeente beoordeelt momenteel de aanvragen en stelt een voorlopige volgordelijst op. Deze zal op 15 september worden vastgesteld en gepubliceerd. Na een reactietermijn van tien kalenderdagen wordt een definitieve volgordelijst vastgesteld. Vervolgens worden alle projecten van de lijst tussen 1 en 23 oktober 2026 door de gemeente bij Liander ingediend. Dit gebeurt batchgewijs op basis van het geplande startbouwjaar. De regeling is in korte tijd landelijk uitgewerkt en gemeenten hebben beperkt de tijd gekregen om de beleidsregels op te stellen en de uitvoering hiervan in te richten. Daardoor vond de voorbereiding plaats onder aanzienlijke tijdsdruk en midden in het zomerreces. Daarnaast betreft het een nieuwe werkwijze die nog niet eerder in de praktijk is toegepast. Hoewel de beleidsregels zijn gebaseerd op een door de VNG ontwikkelde en juridisch getoetste modelregeling, zijn er nog kanttekeningen te plaatsen bij de juridische helderheid en de uitvoeringspraktijk. Desondanks biedt deze regeling op dit moment de beste mogelijkheid om woningbouwprojecten vroegtijdig in beeld te brengen bij de netbeheerder en hun positie bij de verdeling van schaarse transportcapaciteit te versterken. We hebben er daarom voor gekozen om hierin het advies van de VNG te volgen om wel gebruik te maken van deze regeling. Uit overleg met onze buurgemeenten blijkt dat zij ook gebruik zullen maken van deze regeling. Geen garantie op een aansluiting Wij merken nadrukkelijk op dat de uiteindelijke beslissing over het toekennen van transportcapaciteit bij de netbeheerder ligt, op basis van de regels die de ACM oplegt. Ook is dit afhankelijk van de beschikbare capaciteit op het elektriciteitsnet van het specifieke congestiegebied. De regeling vergroot weliswaar de kans dat woningbouwprojecten tijdig in aanmerking komen voor een aansluiting en biedt eerder inzicht in de gevolgen van netcongestie voor de woningbouwopgave, maar vormt geen garantie dat alle woningbouwprojecten tijdig een aansluiting op het elektriciteitsnet krijgen. Dit wordt ook expliciet door Liander en de gemeente gecommuniceerd aan initiatiefnemers die gebruikmaken van de regeling. Op dit moment hebben wij dus geen volledig inzicht in hoe de regeling in de praktijk zal uitwerken. De netbeheerders zijn nu nog bezig met het verwerken van de aanvragen die voor 1 juli zijn gedaan. We hebben nog niet alle resultaten binnen, maar tot nu toe zijn alle woningbouwprojecten nog toegekend en worden voorzien van stroom. De netbeheerdersweten pas na de ontvangst van alle prioriteitsaanvragen, hoeveel capaciteit er verdeeld moet worden en of er daarna nog capaciteit overblijft. Ook is onbekend of er nog nieuwe capaciteit vrij komt of dat eerst het hele elektriciteitsnet verzwaard moet worden. Voor zover we nu kunnen overzien, verwachten we dat er voor projecten tussen 2030 en 2036 een knelpunt ontstaat. De samenloop van deze omstandigheden maakt het uitdagend om volledig grip te houden op de woningbouwopgave. Tegelijkertijd blijven wij ons maximaal inspannen om de woningbouwopgave zo snel mogelijk te realiseren. Tot slot De kern van het proces dat nu voorligt, is dat de door netbeheerders gereserveerde capaciteit voor kleinverbruik tussen 1 juli 2026 en 1 januari 2027 wordt verdeeld onder aanvragers met een toegekende prioriteit, conform het maatschappelijk prioriteringskader van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Mocht er na 1 januari 2027 nog capaciteit beschikbaar zijn, dan kan deze worden toegekend aan partijen die zonder prioriteit op de wachtlijst staan. GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2025-007900-060278 Datum 8 september 202622 Bladnr. 4 januari 2025 Landelijk is besproken dat de mogelijkheid om al vroeg in het planproces voor woningen en scholen een netaansluiting aan te vragen niet alleen geldt voor deze overgangsperiode, maar ook voor de langere termijn. De exacte procedure moet landelijk nog worden uitgewerkt. Ook in deze procedure kunnen woningbouw en onderwijshuisvesting prioriteit aanvragen. Het is echter niet zeker of deze kunnen worden toegekend omdat nog niet duidelijk is of er dan nog capaciteit beschikbaar is en/of wanneer deze beschikbaar komt. Wij zijn ons ervan bewust dat netbewust bouwen cruciaal is om meer te bouwen met dezelfde hoeveelheid netcapaciteit en een sleutel is om de gevolgen van netcongestie te verkleinen. We willen daarom nadrukkelijk blijven onderzoeken hoe we meer projecten kunnen blijven faciliteren door netbewust bouwen en ontwikkelen om ervoor te zorgen dat het elektriciteitsnet niet onnodig zwaar belast wordt en er ook na de verdeling van de schaarse capaciteit nog mogelijkheden zijn om nieuwe projecten te ontwikkelen. Naast het Eerder aanvragen zijn er verschillende andere zaken rondom netcongestie die de aandacht van de gemeente vragen, zoals de verzwaring van het elektriciteitsnet, zoals bijvoorbeeld het NuLelie project van Liander, de noodzaak voor een nieuw onderstation, waarover we met TenneT en Liander in gesprek zijn, nieuwe contractvormen waardoor energiedelen mogelijk wordt gemaakt, etc. Later dit jaar zal een informatiesessie met u worden ingepland om u hierover bij te praten. Wij hopen u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg Fred Veenstra Aan leden van de gemeenteraad Smallingerland Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 8-9-2026 2026-051754 0512 - 581 234 Onderwerp Informatie over toezegging planning P&C cyclus 2028 Geachte raad, Tijdens de raadsvergadering van 30 juni 2026 heeft wethouder Mirjam Bakker de volgende toezegging gedaan. Portefeuillehouder mevrouw Bakker zegt toe, de planning P&C-cyclus 2028 te delen met de gemeenteraad. Via deze brief informeren wij u over de wijze waarop de toezegging wordt opgepakt. We begrijpen dat u betrokken wenst te worden in het proces om tot een sluitende begroting 2028 te komen. Komend half jaar zal hieraan gewerkt worden. In het voorjaar van 2027 komen we bij u terug op hoe we de gemeenteraad willen betrekken bij het sluitend maken van de begroting voor 2028. De definitieve planning van de gemeenteraadsvergaderingen 2027 wordt door de griffie opgesteld in september 2026. Zoals bekend wordt bij het opstellen van deze planning rekening gehouden met de onderstaande tijdslijnen.  Kadernota 2028 wordt behandeld in het tweede kwartaal van 2027.  Jaarstukken 2026 moet vastgesteld zijn vóór 15 juli 2027.  Begroting 2028 moet vastgesteld zijn vóór 15 november 2027. Wij vertrouwen erop u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben. Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-051754 Datum 8-9-2026 Bladnr. 2 Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg Fred Veenstra · Geachte Dames en Heren, Kan uw gemeente/provincie niet samen met het drinkwaterbedrijf in lokale gemeentelijke natuurgebieden beperkte waterleiding aanleggen op bijvoorbeeld bestaande paden om droogte te voorkomen en bij branden al ingebouwde 'stoplijnen' te hebben liggen om de schade te beperken? Natuur in Nederland is tientallen miljarden euro waard en preventief droogte en brand voorkomen is nu eenmaal goedkoper als bij onverwachte brand vele honderdduizenden liters (drink) water te moeten gebruiken om te blussen met de beperkte brandweer/defensie middelen die Nederland heeft en het is een stuk efficiënter om dat met waterleiding te doen als met tractoren en aanhangers vol water het bos in te rijden en qua afstand niet veel anders als boeren die een sproei installatie aanleggen op hun weilanden. Natuurgebieden in 4 of meer delen verdelen met links en rechts nevelsproeiers kan zorgen wegnemen met gegarandeerde toekomstige droogte. Evengoed zou de aanschaf van voertuigen waar de brandweer een bos mee in kan rijden zeker geen luxe zijn. Of u kunt afspraken maken met boeren om in tijden van nood hun tractoren/aanhangers te gebruiken om water natuurgebieden in te krijgen. Vragen, opmerkingen en zelfs kritiek, dan hoor ik graag van u! Hartelijk dank! · Aan Raadsfractie ELP T.a.v. mevrouw Dinie Mulder en de heer Yntze de Vries Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 9 september 2026 2026-067170 Hindrik de Haan 0512 - 581 234 Onderwerp: Antwoordbrief schriftelijke vragen ELP over Reconstructie De Vore te Drachten Geachte mevrouw Mulder en meneer de Vries Op 3 juli 2026 heeft u schriftelijke vragen gesteld over Reconstructie de Vore te Drachten. Via deze brief beantwoorden wij uw vragen. Wij realiseren ons dat de termijn voor beantwoording van de vragen ondertussen is overschreden. De interne afstemming die nodig was voor de beantwoording, in combinatie met het zomerreces heeft ervoor gezorgd dat wij de deadline niet hebben kunnen halen. Wij bieden hiervoor onze excuses aan. De inhoud van de vraagstelling is naar aanleiding van een inloop middag-avond op 17 juni om de voorgenomen reconstructie van de Vore, Vlasakkers, Haverstuk en de Ploeggang toe te lichten en informatie op te halen bij de bewoners. Beantwoording vragen 1. Er heeft recentelijk een informatiebijeenkomst over de voorgenomen werkzaamheden plaatsgevonden. Klopt het dat niet alle direct belanghebbenden, waaronder bewoners met een aansluiting op de Vore, hiervoor zijn uitgenodigd? De direct aanwonende bewoners zijn uitgenodigd. De brieven zijn per post bezorgd. 2. Welke criteria heeft de gemeente gehanteerd om te bepalen wie als belanghebbende werd aangemerkt en voor de informatiebijeenkomst werd uitgenodigd? Alleen belanghebbenden worden uitgenodigd, dit is het criterium. De bewoners van de straten De Vore, Vlasakkers, Haverstuk en Ploeggang zijn daarom uitgenodigd voor de bijeenkomst. 3. Een bewoner geeft aan schriftelijk contact te hebben gezocht met de gemeente over de voorgenomen plannen, maar hierop geen reactie te hebben ontvangen Dit heeft elkaar mogelijk gekruist door de vakantieperiode, inmiddels is er gereageerd op de correspondentie. Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-067170 Datum 9 september 2026 Bladnr. 2 4. Is voor de reconstructie een besluit van de gemeenteraad vereist of wordt een dergelijk besluit nog aan de raad voorgelegd? De raad heeft het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (medio 2021) en beleidskader mobiliteit (2024) vastgesteld. Het is vervolgens aan het college de taak om uitvoering te geven aan het vigerend beleid. De reconstructie, naar aanleiding van het rioleringsplan, van de bovengenoemde straten is hier een voorbeeld van. 5. Is voor het instellen van eenrichtingsverkeer een verkeersbesluit vereist? Ja, er is een verkeersbesluit vereist voor het invoeren van eenrichtingsverkeer. Een verkeersbesluit wordt gepubliceerd als het definitief ontwerp is vastgesteld. 5a. Is dit verkeersbesluit reeds genomen? Zie vraag 5. 5b. Wanneer wordt dit gepubliceerd? Er is nog geen definitief ontwerp. Aan de hand van de opgehaalde informatie tijdens de inloopbijeenkomst wordt het voorlopig ontwerp aangepast. 5c. Welke mogelijkheden hebben bewoners gehad of krijgen zij om zienswijzen in te dienen of bezwaar te maken? Tegen een verkeersbesluit is het mogelijk om binnen 6 weken na publicatie bezwaar in te dienen. De bezwaarmaker wordt vervolgens uitgenodigd voor een passend contact gesprek. Dit gesprek wordt voorgezeten door een onafhankelijke gespreksleider. In dit gesprek wordt gekeken of de gemeente en bezwaarmaker tot een overstemming kunnen komen. Na dit gesprek kan de bezwaarmaker kiezen om het bezwaar in te trekken of om het bezwaar voor te leggen aan de bezwarencommissie. De bezwarencommissie neemt een bezwaar in behandeling en geeft vervolgens advies aan het college. 6. Is voorafgaand aan het ontwerp een toets uitgevoerd op de bereikbaarheid en bruikbaarheid van bestaande inritten en opritten, bijvoorbeeld aan de hand van geldende ASVV-richtlijnen of andere verkeerskundige normen? Bij een herinrichting wordt altijd rekening gehouden met de bereikbaarheid en toegankelijkheid van bestaande uitwegen, deze is gebaseerd op de CROW-richtlijnen en het maatgevend voertuig. 7. Hoe waarborgt het college dat de bestaande dat de bestaande ontsluitingen van aanliggende percelen behouden blijft en niet onevenredig wordt aangetast? Alle ontsluitingen blijven zoals het nu is, er worden geen ontsluitingen opgeheven. 8. Is het college bereid om, indien blijkt dat bestaande opritten niet langer op een veilige en doelmatige wijze gebruikt kunnen worden het ontwerp aan te passen? In de bewonersbijeenkomst is een voorlopig ontwerp voorgelegd. Het doel van de participatie met belanghebbenden, tezamen met overleg van de verschillende GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-067170 Datum 9 september 2026 Bladnr. 3 vakdisciplines intern, is om het voorlopige ontwerp aan te scherpen. Het definitief ontwerp wordt vervolgens nogmaals aan de belanghebbenden voorgelegd. 9. Welke verkeerskundige afwegingen hebben ten grondslag gelegen aan het vervallen van het trottoir? Op dit moment is nog niet bekend of het trottoir daadwerkelijk komt te vervallen. In het eindbeeld moeten alle afwegingen helder zijn. 10. Is onderzocht wat de gevolgen van deze wijziging zijn voor de verkeersveiligheid van voetgangers, ouderen, kinderen en andere kwetsbare verkeersdeelnemers? In algemene zin worden op basis van interne expertise en bestaande richtlijnen van het CROW ontwerpen gemaakt, waarbij altijd rekening gehouden wordt met de door u genoemde aspecten. Mocht interne expertise in complexe casuïstiek niet toereikend zijn dan wordt externe expertise ingehuurd om aanvullend onderzoek te doen. Daarvan is in deze situatie geen sprake. 11. Is bij de keuze voor eenrichtingsverkeer expliciet onderzocht wat de effecten zijn op de gemiddelde rijsnelheid en de verkeersveiligheid? Zie vraag 10. 12. Hoe verhoudt het voorgenomen ontwerp zich volgens het college tot de uitgangspunten van Duurzaam Veilig Verkeer? De herinrichting voldoet aan de vijf principes van Duurzaam Veilig. Het betreft hier een ETW30 woonstraat (erftoegangsweg met max. snelheid van 30 km/u). Hoewel de inrichting is gericht op het voorkomen van (ernstige) ongevallen, zijn die nooit geheel uit te sluiten. In die uitzonderlijke gevallen is er vaak sprake van ongewenst (rij)gedrag. 13. Is onderzocht wat welke gevolgen de verplaatsing van de rijbaan richting de woningen heeft voor de geluidsbelasting op de gevels van de aangrenzende woningen? Er is een voorlopig ontwerp voorgelegd aan de bewoners. Het definitief ontwerp is nog niet gereed. Het is niet zeker of de verplaatsing van de rijbaan dan nog van toepassing is. De regels voor het onderzoeken van de geluidsbelasting bij reconstructies zijn als volgt: Er is hier vanwege de fysieke wijzigingen sprake van een reconstructie. Onder de omgevingswet is voor de reconstructie van een ETW30 weg (erftoegangsweg met max. snelheid van 30 km/u) met een intensiteit < 1000 motorvoertuigen./ etmaal is een akoestisch onderzoek niet verplicht. 14. Indien onderzoek heeft plaatsgevonden, wat zijn hiervan de resultaten en welke maatregelen worden getroffen indien sprake is van een toename van de geluidsbelasting? Zie vraag 13 15. Heeft het college onderzocht welke gevolgen de gewijzigde inrichting heeft voor het GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-067170 Datum 9 september 2026 Bladnr. 4 beheer, onderhoud en gebruik van de aanliggende particuliere percelen? Alle ontsluitingen blijven zoals het nu is, daarmee is onderzoek naar de aspecten in uw vraag niet van toepassing. 16. Worden deze belangen meegewogen in de verdere besluitvorming? De belangen van alle betrokkenen worden gedurende het proces meegewogen. Het definitief ontwerp wordt vervolgens nogmaals aan de belanghebbenden voorgelegd. Wij vertrouwen erop u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg Fred Veenstra Aan leden van de gemeenteraad van Smallingerland Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 9 september 2026 2026-061595 Wim Osinga 0512 - 581 234 Onderwerp Schriftelijke raadsvragen ELP inzake handhaving Parkhaven Geachte heer, mevrouw, De fractie van de ELP heeft op 9 juli 2026 schriftelijke vragen gesteld over het toezicht en de handhaving in de Parkhaven in Drachten. De vragen gaan over de inzet van gemeentelijke handhaving, de omgang met meldingen en signalen van bezoekers en mogelijke gemiste inkomsten. Hieronder beantwoorden wij deze vragen. Helaas hebben wij de termijn voor beantwoording niet gehaald vanwege de interne afstemming en het zomerreces. Hiervoor bieden wij onze excuses aan. 1. Waarom wordt er ondanks toezeggingen vanuit de gemeente niet gehandhaafd? Naar aanleiding van eerdere signalen en toezeggingen heeft de Parkhaven extra aandacht gekregen van de gemeentelijke handhaving. De handhavers publiek domein bezoeken de Parkhaven regelmatig. Afhankelijk van de actuele situatie en andere prioriteiten binnen de gemeente gebeurt dit gemiddeld één tot drie keer per dag. Sinds januari 2026 zijn voor de Parkhaven 72 waarnemingen vastgelegd. Daarbij gaat het onder meer om constateringen van aanwezige vaartuigen, brieven met het verzoek een vaartuig te verwijderen, hercontroles en het bekendmaken van een voornemen tot het toepassen van bestuursdwang. De extra inzet van toezicht en handhaving heeft nog niet geleid tot het gewenste blijvende resultaat. Voor handhavend optreden tegen overlast en vandalisme moet voldoende duidelijk zijn welke overtreding heeft plaatsgevonden en, waar dat nodig is, wie daarvoor verantwoordelijk is. Meldingen bereiken de gemeente soms nadat een incident al voorbij is. Ook komt het voor dat de gemelde overlast tijdens een controle niet meer wordt geconstateerd. In die situaties zijn de mogelijkheden om direct op te treden beperkt. Tegen vaartuigen die langer in de haven liggen dan is toegestaan, treedt de gemeente bestuursrechtelijk op. Handhavers verzoeken de eigenaren deze vaartuigen uit de haven te verwijderen. Bij herhaalde of ernstige overtredingen kan daarna een formeel handhavingstraject worden gestart. In de praktijk wordt aan een verzoek om te vertrekken meestal gehoor gegeven. Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-061595 Datum 9 september 2026 Bladnr. 2 Wij constateren echter dat een beperkte groep gebruikers na vertrek opnieuw gebruikmaakt van de Parkhaven. Met de huidige regels is het lastig om dit terugkerende gebruik blijvend tegen te gaan. Daardoor hebben toezicht en handhaving nog onvoldoende structureel effect. Het college onderkent daarom dat alleen een verdere intensivering van toezicht en handhaving de problematiek niet volledig zal oplossen. De ervaringen sinds de ingebruikname laten zien dat de huidige combinatie van regelgeving, beheer, toezicht en handhaving niet voldoende aansluit op de problemen die zich in de praktijk voordoen. Aanpak voor de komende periode De ervaringen in de Parkhaven zijn aanleiding om gemeentebreed te kijken naar de wijze waarop de passantenhavens zijn gereguleerd en beheerd en naar de wijze waarop toezicht en handhaving zijn georganiseerd. Daarmee willen wij ook voorkomen dat de problematiek zich verplaatst van de Parkhaven naar andere passantenhavens binnen de gemeente. Op korte termijn richten wij ons op duidelijkere en beter toepasbare regels voor het gebruik van de passantenhavens. Daarbij onderzoeken wij welke aanvullende gebruiks- en gedragsregels nodig zijn en in welke regeling deze het beste kunnen worden opgenomen. Het gaat vooral om regels die kunnen helpen om overlast te voorkomen en die het makkelijker maken om toezicht te houden en handhavend op te treden. Daarnaast bekijken wij of de bestaande regelgeving nog actueel is, goed op elkaar aansluit en voldoende handhaafbaar is. Bij de verdere uitwerking halen wij ook ervaringen en goede voorbeelden op bij andere gemeenten met passantenhavens, waaronder Súdwest-Fryslân. Ook het dagelijks beheer van de gemeentelijke havens willen wij versterken. Wij willen gaan werken met een havenmeester die zichtbaar aanwezig is, toezicht houdt op het gebruik van de havens en aanspreekpunt is voor bezoekers. De havenmeester krijgt daarbij nadrukkelijk ook een gastvrije rol. Bij de verdere uitwerking betrekken wij zowel de passantenhavens als het beheer van de Industriehaven. De precieze taken, benodigde inzet en inrichting van deze functie worden nog uitgewerkt. Daarbij brengen wij ook in beeld welke formatie en middelen nodig zijn om deze rol goed te kunnen vervullen. Ook de inzet van de handhavers publiek domein wordt betrokken bij de bredere aanpak. Daarbij kijken wij naar de benodigde capaciteit, werkwijze en uitrusting om effectief toezicht te kunnen houden op de gemeentelijke havens. Als onderdeel daarvan onderzoeken wij concreet de aanschaf van een boot, zodat handhavers ook vanaf het water beter en gerichter inzetbaar zijn. Doel is om vóór de start van het volgende vaarseizoen, op 1 mei 2027, een samenhangend pakket van maatregelen te hebben vastgesteld en waar mogelijk ingevoerd. Voor maatregelen waarvoor de regelgeving formeel moet worden aangepast, volgen wij de daarvoor geldende procedures. Uitgangspunt is dat onze passantenhavens gastvrije, veilige en aantrekkelijke voorzieningen blijven voor recreatieve gebruikers. Aanvullende maatregelen moeten daarom vooral overlast en ongewenst of terugkerend gebruik tegengaan, zonder reguliere gebruikers onnodig te beperken. De gemeenteraad wordt geïnformeerd over het uiteindelijke pakket van maatregelen. GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-061595 Datum 9 september 2026 Bladnr. 3 2. Reageert de gemeente ook richting bezoekers en doet de gemeente ook wat aan hun opmerkingen? Ja. De gemeente ontvangt via verschillende kanalen meldingen en signalen over de situatie in de Parkhaven. Deze meldingen worden doorgestuurd naar het team dat verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Bij meldingen over overlast of mogelijke overtredingen zijn dit meestal de handhavers van team VTH. Afhankelijk van de aard en ernst van de melding kan deze aanleiding zijn voor een extra controle ter plaatse. Andere meldingen worden meegenomen in de reguliere controles en de verdere inzet van toezicht in en rond de Parkhaven. Niet ieder meldkanaal biedt de mogelijkheid om rechtstreeks te reageren of contact op te nemen met de melder. Wanneer contactgegevens beschikbaar zijn, proberen wij de melder waar mogelijk een terugkoppeling te geven. Wij constateren dat dit in de praktijk niet altijd is gebeurd. Daar hebben wij aandacht voor. De ontvangen meldingen en signalen gebruiken wij bij de dagelijkse inzet van toezicht en handhaving en bij de bredere aanpak van de problematiek in de Parkhaven. 3. Welke inkomsten loopt de gemeente mis door niet te handhaven? Het is niet mogelijk om betrouwbaar vast te stellen of, en zo ja hoeveel, inkomsten de gemeente als gevolg van de huidige situatie in de Parkhaven misloopt. Voor passanten geldt een tarief van € 1,10 per meter bootlengte per overnachting. Daarnaast betalen bezoekers voor stroom en water als zij daarvan gebruikmaken en is de toeristenbelasting €1,50 per persoon, De betaling verloopt via een app. Op basis van de beschikbare registratiegegevens kan niet worden vastgesteld of voor alle overnachtingen het verschuldigde liggeld is betaald. Daardoor kan ook niet worden bepaald welk bedrag de gemeente hierdoor eventueel misloopt. Daarnaast is niet uit te sluiten dat de ervaren overlast invloed heeft op de aantrekkelijkheid van de Parkhaven voor andere passanten. Dit kan ook gevolgen hebben voor de inkomsten uit liggelden en voorzieningen. De omvang van dit mogelijke effect kan op basis van de beschikbare gegevens niet worden vastgesteld. GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-061595 Datum 9 september 2026 Bladnr. 4 Tot slot De situatie in de Parkhaven vraagt om een bredere aanpak dan alleen extra inzet van handhaving. Daarom werken wij gemeentebreed aan maatregelen op het gebied van regelgeving, beheer, gastvrijheid, toezicht en handhaving. Ons doel is om vóór 1 mei 2027 een samenhangend pakket van maatregelen te hebben vastgesteld en waar mogelijk ingevoerd. Wij informeren de gemeenteraad over de verdere uitwerking en het uiteindelijke maatregelenpakket. Wij verwachten u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg Fred Veenstra Aan leden van de gemeenteraad van Smallingerland Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 8 september 2026 2026-063525 Lisette Veenstra 0512 - 581 234 Onderwerp Tijdelijke opschorting overdracht eigendom kinderopvangruimten bij lopende MFC- projecten in afwachting van hoger beroep Geachte heer, mevrouw, Met deze brief informeren wij u over ons besluit om tijdelijk geen onomkeerbare afspraken te maken over de overdracht van kinderopvangruimten aan schoolbesturen binnen twee lopende onderwijshuisvestingsprojecten. Het betreft de projecten MFC ’t Swin en MFC de Trisken. Daarmee schorten wij bij deze MFC-projecten tijdelijk één van de uitgangspunten uit het Integraal Huisvestingsplan Smallingerland 2024-2039 (IHP) op. Dat uitgangspunt houdt in dat het hele Integrale Kindercentrum (IKC), zowel onderwijs- als kinderopvangruimten, op grond van de Wet op het primair onderwijs (WPO) wordt overdragen aan het schoolbestuur. Het schoolbestuur wordt op deze wijze eigenaar van het gehele kindcentrum. Wij nemen dit besluit, omdat wij in afwachting zijn van de uitspraak in ons hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland op 17 maart 2026. Aanleiding Op 9 december 2025 hebben wij u geïnformeerd over de ontwikkelingen rond de kinderopvangruimten bij de scholen PCBO Het Anker en OBS De Bolder aan de Frisia in Drachten. In die brief hebben wij toegelicht dat het IHP inzet op kindcentra waarin onderwijs en opvang integraal worden vormgegeven. Ook hebben wij toegelicht welke werkwijze wij daarbij hanteren. Wij gingen ervan uit dat deze werkwijze juridisch houdbaar was binnen de systematiek van de Wet op het primair onderwijs. Veel gemeenten in Nederland werken op een vergelijkbare manier. Op 17 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in het kort geding tussen Smallsteps B.V. (ook wel Partou genoemd) en het college over de voorgenomen overdracht van het ruimten aan de Frisia aan het schoolbestuur. De voorzieningenrechter oordeelt dat uitsluitend het gedeelte van een gebouw dat kwalificeert als onderwijshuisvesting op grond van de WPO om niet kan worden overgedragen aan een schoolbestuur. Voor kinderopvangruimten geldt volgens de voorzieningenrechter een andere juridische beoordeling. Bij deze ruimten moet rekening worden gehouden met de uitgangspunten uit het Didam-arrest. Wij hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Wij kunnen ons niet vinden in de uitleg die de voorzieningenrechter aan de WPO geeft. De uitspraak roept daarnaast vragen op over de manier waarop gemeenten de eigendom van IKC’s en MFC’s juridisch kunnen organiseren. Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-063525 Datum 8 september 2026 Bladnr. 2 Tijdelijke opschorting Door de uitspraak van de voorzieningenrechter vinden wij het niet verantwoord om gedurende de hoger beroepsprocedure nieuwe onomkeerbare afspraken te maken over de overdracht en exploitatie van kinderopvangruimten binnen lopende MFC-projecten. De ontwikkeling van MFC’s is bedoeld om onderwijs, opvang, welzijn en de wijk met elkaar te laten samenwerken. Het tijdelijk opschorten van afspraken over overdracht van het juridisch eigendom mag die inhoudelijke samenwerking zo min mogelijk belemmeren. Tegelijkertijd willen wij voorkomen dat er tijdens de gerechtelijke procedure nieuwe juridische of financiële risico’s ontstaan. Daarom hebben wij dit besluit genomen. Vervolg Dit besluit is nadrukkelijk geen wijziging van het IHP. Het betreft uitsluitend een tijdelijke beheersmaatregel om juridische en financiële risico’s te beperken totdat het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Na de uitspraak beoordelen wij welke gevolgen deze uitspraak heeft voor het IHP en de daarin opgenomen IKC- en MFC-projecten. Als uit de uitspraak blijkt dat aanpassing van het gemeentelijke beleid nodig of wenselijk is, komen wij daarvoor bij uw raad terug. Wij hopen u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg Fred Veenstra Aan het college van B & W van de gemeente Smallingerland, en de fracties van: CDA, PRO, Smallingerlands Belang, ELP VVD, FNP, D66, SP en SGP Reidingweg 6, 9203 KR Drachten. INGEKOMEN Betreft: Zuil met plaquette Kyriat Onoplein. - 2.SEP. 2026 Drachten 2 september 2026, SMALLINGERLAND Geachte Dames en Heren. Op 4 december 2025 hebben wij u een brief gestuurd over de zuil met plaquette betreffende dé vriendschapsband met de plaats Kyriat Ono in Israel terwijl die vriendschapsband niet meer bestaat. Hierop hebben wij geen antwoord gekregen. Op 3 februari j.1 tijdens de raadsvergadering vroeg ik aan de gemeente secretaris hoe het stond met de behandeling van onze brief. De brief was eerst zoek, maar is toch gevonden. Op 18 februari kregen wij bericht dat er door het college aan aan een antwoord werd gewerkt. Er kon wel enige tijd over heen gaan. Tot op heden hebben wij dat antwoord niet gekregen . Nu willen wij graag dat ons voorstel in een openbare vergadering aan de orde komt. Ons voorstel is dus ( mede gelet op de huidige situatie in Israel) het volgende te doen: 1. Het toevoegen van een bordje of iets dergelijks met de tekst in welke periode die vriendschapsband heeft plaatsgevonden. Of 2. Het verwijderen van de zuil met de plaquette. Graag horen wij wanneer het op de agenda komt, Wij wachten het antwoord af. Met vriendelijke groeten, Dank voor uw reactie en voor het doorsturen van mijn bericht. Ik begrijp dat Dorenbos op korte termijn niet als apart onderwerp op de agenda van de gemeenteraad staat. Mijn vraag gaat inmiddels echter verder dan alleen de vraag of het onderwerp op de agenda staat. Er komen op dit moment veel klachten en signalen binnen over Dorenbos, zowel vanuit het leerlingenvervoer als WMO. Ook vanuit chauffeurs hoor ik zorgelijke verhalen over de huidige gang van zaken. Daarom vraag ik mij af wanneer en door wie hier bestuurlijk naar wordt gekeken en wanneer er daadwerkelijk wordt ingegrepen als blijkt dat de dienstverlening niet op orde is. U geeft aan dat mijn vragen intern worden uitgezet naar de betreffende afdeling en het secretariaat van burgemeester en wethouders. Kunt u aangeven bij welke afdeling of functionaris mijn vragen terechtkomen en wanneer ik hier een inhoudelijke reactie op kan verwachten? Het gaat mij vooral om de volgende punten: - hoeveel klachten en signalen over Dorenbos momenteel bij de gemeente bekend zijn; - wat de gemeente hiermee doet; - of het college hierover wordt geïnformeerd; - of er op dit moment toezicht of overleg met Dorenbos plaatsvindt; - en welke stappen de gemeente neemt wanneer blijkt zoals nu dat de dienstverlening tekortschiet. Ik vraag dit niet zonder reden. Als er sprake is van een opeenstapeling van klachten, vind ik het belangrijk om te weten wie hiervoor verantwoordelijkheid neemt en wanneer er actie wordt ondernomen. Het gaat tenslotte om leerlingen en Wmo-cliënten die afhankelijk zijn van dit vervoer. Ik hoor daarom graag wie dit oppakt en op welke termijn ik een inhoudelijk antwoord kan verwachten. Met vriendelijke groet, _______________________________________________________________________ Dank voor uw reactie. Ik zal mijn vraag verduidelijken. Het gaat mij specifiek om de ontwikkelingen rondom Dorenbos in relatie tot het leerlingenvervoer en de Wmo. Er zijn klachten en signalen over de dienstverlening en ik wil graag weten wat hiermee binnen de gemeente wordt gedaan. Mijn vraag is daarom of deze klachten en de ontwikkelingen rondom Dorenbos binnenkort aan de orde komen bij het college en/of de gemeenteraad, en zo ja, wanneer en op welke manier. Ik ben dus vooral benieuwd of dit onderwerp binnenkort op de agenda staat of wordt besproken en waar ik de behandeling eventueel kan volgen. De evaluatie van Personenvervoer Kort waar u naar verwijst is mij bekend. Mijn vraag gaat specifiek over de huidige ontwikkelingen en klachten rondom Dorenbos en wat daarmee bestuurlijk wordt gedaan. Alvast bedankt voor uw uitleg. Met vriendelijke groet, __________________________________________________________________________ Goede avond, Wanneer staat Dorenbos bij jullie op de agenda? Met vriendelijke groet, Aan leden van de gemeenteraad van Smallingerland Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 15 september 2026 2026-051294 Hieke Ferwerda 0512 - 581 234 Onderwerp Aanpak Dakloosheid Fryslân 2026 - 2032 Geachte heer, mevrouw, Graag informeren wij u over het onderwerp Aanpak Dakloosheid en hoe wij – in samenwerking met Sociaal Domein Fryslân, alle Friese gemeenten en de zorgaanbieders - invulling geven aan deze wettelijke taak. De aanpak van dakloosheid is een complexe en weerbarstige opgave. Er zijn geen snelle of eenvoudige oplossingen. Tegelijkertijd is het een noodzakelijke opgave voor iedere gemeente, groot én klein. De ervaring leert dat niets doen of afwachten niet leidt tot lagere kosten of minder problematiek, maar juist tot escalatie, hogere maatschappelijke kosten en menselijke schade. Met deze brief informeren wij u graag over de achtergronden van dakloosheid en geven wij u informatie over het besluitvormingsproces voor het Regionaal Beleidskader Aanpak Dakloosheid. Aanleiding en context In Nederland is in 2022 het “Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis” vastgesteld. Daarmee heeft Nederland zich gecommitteerd aan de ambitie om dakloosheid in 2030 te beëindigen. Gemeenten, het Rijk, woningcorporaties en zorgaanbieders hebben hierover bestuurlijke afspraken gemaakt. Ook de Friese gemeenten hebben zich aan deze afspraken verbonden. In Fryslân is daarom gewerkt aan een Regionaal Beleidskader en een Actieplan Aanpak Dakloosheid, dat voortbouwt op de ervaringen uit de Brede Aanpak Dakloosheid Fryslân (BAD) (2020–2026) en aansluit bij landelijke ontwikkelingen. Dakloosheid: meer dan het klassieke beeld Bij dakloosheid wordt vaak gedacht aan mensen die zichtbaar op straat leven. Dat beeld is onvolledig. In de Friese en landelijke aanpak wordt gewerkt met de ETHOS1-light definitie. Dit is een Europese methode om dak- en thuisloosheid beter in beeld te krijgen. Niet alleen de mensen die op straat slapen worden hierbij geteld, maar ook mensen die tijdelijk bij vrienden of familie verblijven, jongeren zonder vaste woonplek, mensen in tijdelijke of instabiele woonvormen, mensen die een instelling verlaten zonder vervolghuisvesting en mensen met een dreigende huisuitzetting. 1 European Typology of Homelessness and Housing Exclusion Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-051294 Datum 15 september 2026 Bladnr. 2 Dit betekent dat dakloosheid in vrijwel iedere gemeente kan voorkomen, ook als dit niet direct zichtbaar is op straat. Sociaal Domein Fryslân (SDF) In Fryslân werken wij voor een aantal wettelijke taken binnen het sociaal domein samen in Sociaal Domein Fryslân (SDF). Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) zijn gemeenten verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan hun inwoners. Hieronder valt ook het voorkomen en bestrijden van dak- en thuisloosheid en het bieden van toegang tot maatschappelijke opvang. De maatschappelijke opvang is in Nederland georganiseerd via de centrumgemeenten. De centrumgemeente ontvangt voor de uitvoering van deze taak middelen van het Rijk en organiseert - namens de regiogemeenten - de voorzieningen voor maatschappelijke opvang, beschermd wonen en onderdelen van de aanpak van dak- en thuisloosheid. In Fryslân hebben wij de uitvoering van deze taken regionaal georganiseerd via de centrumgemeente Leeuwarden. Gemeente Leeuwarden verzorgt namens de Friese gemeenten onder meer de inkoop, contractering en organisatie van de maatschappelijke opvang via het SDF. Daarnaast organiseert SDF regionaal voorzieningen die gezamenlijk noodzakelijk zijn, zoals maatschappelijke opvang (MO), de Centrale Toegang en Regie, regionale zorgvoorzieningen en monitoring. Lokaal ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten voor preventie, vroegsignalering, nazorg, beschikbaarheid van woonoplossingen, borging van bestaanszekerheid en een integrale samenwerking tussen wonen en het sociaal domein. Naast de uitvoering van regionale taken werken gemeenten binnen SDF steeds vaker samen aan beleidsontwikkeling. Deze samenwerking draagt bij aan een meer samenhangende aanpak van maatschappelijke vraagstukken, terwijl gemeenten en gemeenteraden verantwoordelijk blijven voor hun eigen beleidskeuzes en besluitvorming. Waarom dit een opgave is voor alle Friese gemeenten Dakloosheid is geen exclusief probleem van de centrumgemeente. Preventie en vroeg- signalering vinden lokaal plaats, dicht bij de inwoners. Dakloosheid voorkomen is altijd menswaardiger dan opvang achteraf. Wanneer problemen escaleren komen inwoners vaak alsnog in de regionale maatschappelijke opvang terecht met zwaardere problematiek. Inwoners stromen bij voorkeur uit de opvang terug naar hun herkomst-gemeente. Dat vraagt om lokale inzet op wonen, nazorg en begeleiding. Zonder actieve lokale betrokkenheid ontstaat druk op regionale voorzieningen. De gezamenlijke inhoudelijke koers (Nationaal Actieplan Dakloosheid naar Fryslân) De Friese aanpak volgt de zes actielijnen uit het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD): 1. Versterken van bestaanszekerheid: gericht op het voorkomen dat financiële problemen leiden tot dakloosheid door inzet op inkomen, schulden en toegang tot regelingen. 2. Preventie: het zo vroeg mogelijk signaleren en voorkomen van dakloosheid, onder meer bij huisuitzettingen, uitstroom uit instellingen en relatiebreuken. 3. Wonen Eerst: een stabiele woonplek vormt het startpunt voor herstel; opvang is tijdelijk en geen eindoplossing. 4. Verbeteren van de uitvoeringspraktijk: snelle, integrale hulp met duidelijke regie, in Fryslân onder andere via de Centrale Toegang en Regie. 5. Ervaringskennis: structurele inzet van ervaringsdeskundigheid in beleid en uitvoering. 6. Speciale aandacht voor kwetsbare groepen: jongeren, vrouwen, LHBTIQ+ personen en dakloze EU-migranten. GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-051294 Datum 15 september 2026 Bladnr. 3 Deze koers vraagt om een fundamentele transformatie van opvang naar wonen, met behoud van een noodzakelijke regionale basisinfrastructuur. Financiële schets De kosten voor maatschappelijke opvang lopen al meerdere jaren op, zowel landelijk als regionaal. Dit hangt samen met de toenemende complexiteit van problematiek, langere verblijfsduur in maatschappelijke opvang door woningtekorten en onvoldoende preventie aan de voorkant. Uit onderzoek en praktijkervaring blijkt dat preventie een belangrijke bijdrage kan leveren aan het beperken van maatschappelijke en financiële kosten. De beweging naar Wonen Eerst en een betere uitstroom uit de maatschappelijke opvang is daarmee niet alleen inhoudelijk wenselijk, maar ook van belang voor de financiële houdbaarheid op de lange termijn. Planning en besluitvorming In het voorjaar van 2026 is het concept Regionaal beleidskader Aanpak Dakloosheid Fryslân 2026 – 2032 opgeleverd. In juni 2026 heeft de bestuurlijke bespreking en regionale afstemming plaatsgevonden, onder meer in samenhang met besluitvorming over de borging van projecten uit het programma Brede Aanpak Dakloosheid Fryslân (BAD). Tegelijkertijd heeft er afstemming plaatsgevonden met de cliënten- en adviesraden binnen Fryslân. De volgende stap is het besluitvormingsproces van het definitieve Regionaal beleidskader in de 18 Friese gemeenten. Dit proces start regionaal in het laatste kwartaal van 2026. Het streven is om in het eerste kwartaal van 2027 u als raad het beleidskader aan te bieden ter vaststelling. Hierna starten we in Fryslân met de regionale en lokale uitvoering, monitoring en jaarlijkse voortgangsrapportage. Tot slot Wij hopen u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben over de ontwikkelingen rondom dakloosheid in Fryslân en het besluitvormingsproces van het Regionale beleidskader Aanpak Dakloosheid Fryslân. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg Fred Veenstra Aan Raadsfractie VVD T.a.v. de heer M. Molhoek Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 15 september 2026 2026-064608 G.M. PoepjesLeroy Verheij Onderwerp Schriftelijke vragen “Dekking begroting 2027 uit de algemene reserve” Geachte heer Molhoek, Op 21 augustus 2026 heeft u schriftelijke vragen gesteld over de ‘Dekking begroting 2027 uit de algemene reserve’. Met deze brief geven wij een reactie op uw vragen. Een belangrijk deel van uw vragen ziet op de financiële uitgangspunten, de onderliggende berekeningen en de nadere financiële uitwerking van de begroting 2027. Deze uitwerking maakt onderdeel uit van het reguliere begrotingsproces en is op dit moment nog niet afgerond. De begroting en de daarbij behorende financiële onderbouwing en toelichting worden momenteel verder uitgewerkt en kunnen in deze fase nog aan wijzigingen onderhevig zijn. Het college acht het van belang dat de gemeenteraad wordt geïnformeerd op basis van actuele, samenhangende en definitieve informatie. Het verstrekken van antwoorden op dit moment, vooruitlopend op de aanbieding van de begroting, zou betekenen dat wij gebruikmaken van cijfers en toelichtingen die nog in ontwikkeling zijn. Dat achten wij vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en transparantie niet wenselijk. Het zou bovendien kunnen leiden tot informatie die kort daarna, bij de aanbieding van de begroting, alweer moet worden aangepast of genuanceerd. De beantwoording van de vragen die direct samenhangen met de nog in ontwikkeling zijnde begrotingsstukken vindt daarom plaats als onderdeel van de aanbieding en toelichting van de begroting 2027. De begroting wordt op 23 oktober 2026 aan de gemeenteraad aangeboden. Daarmee beschikt de raad op dat moment over het volledige financiële beeld en de daarbij behorende onderbouwing. De betreffende onderwerpen kunnen vervolgens volwaardig worden betrokken bij de behandeling van de begroting. Wij zijn van mening dat deze werkwijze het meest recht doet aan de positie van de gemeenteraad en aan een zorgvuldig en integraal begrotingsproces. Het college kiest er nadrukkelijk voor om de raad niet tussentijds te voorzien van informatie die nog aan verandering onderhevig is, maar de beantwoording te verbinden aan de begroting waarin de Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-064608 Datum 15 september 2026 Bladnr. 2 betreffende keuzes en financiële consequenties in hun onderlinge samenhang worden gepresenteerd. De vragen waarop op dit moment al een inhoudelijk en volledig antwoord kan worden gegeven, zijn opgenomen in de bijlage. Wij vertrouwen erop u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg F red Veenstra Bijlage: Beantwoording schriftelijke vragen VVD Op 21 augustus heeft de VVD schriftelijke vragen gesteld met als onderwerp: Dekking begroting 2027 uit de algemene reserve. In deze bijlage geven wij een reactie op de gestelde vragen. Zoals in de brief opgenomen zullen we de vragen die betrekking hebben op de begroting meenemen in het reguliere P&C proces. Deze vragen hebben we onderaan opgenomen. Beantwoording van de gestelde vragen: 4 Welk bedrag aan extra lasten voor het Wmo-vervoer is op dit moment geraamd voor 2026, 2027, 2028 en 2029 en welk deel daarvan is reeds verwerkt in de begroting of een bestuursrapportage? De financiële gevolgen van de tariefsverhogingen binnen het Wmo-vervoer in 2026 kunnen worden opgevangen binnen de bestaande budgettaire kaders van de Wmo. Om die reden wordt in de bestuursrapportage geen aanvullend budget aangevraagd. De komende periode wordt de daadwerkelijke inzet van het Wmo-vervoer nauwgezet gemonitord. Daarnaast wordt een wijziging van de Wmo-verordening voorbereid. Naar verwachting zal deze wijziging leiden tot een afname van het aantal vervoersritten. Op basis van de huidige inzichten wordt geen structurele begrotingsoverschrijding voorzien. Daarom wordt in de begroting geen aanvullend budget voor het Wmo-vervoer opgenomen. 5 Welk bedrag aan extra lasten voor het leerlingenvervoer is op dit moment geraamd voor 2026, 2027, 2028 en 2029 en welk deel daarvan is reeds verwerkt in de begroting of een bestuursrapportage? De financiële gevolgen van de tariefsverhogingen binnen het leerlingenvervoer in 2026 kunnen worden opgevangen binnen de bestaande budgettaire kaders van het leerlingenvervoer. Om die reden wordt in de bestuursrapportage geen aanvullend budget aangevraagd. De komende maanden wordt de feitelijke inzet van het leerlingenvervoer nauwgezet gemonitord. Op basis van de huidige inzichten bestaat geen aanleiding om uit te gaan van een structurele extra financieringsbehoefte. Daarom wordt in de begroting geen aanvullend budget voor het leerlingenvervoer opgenomen. 6 Indien bij vraag 4 of 5 nog geen definitief bedrag kan worden genoemd, wat is dan de meest actuele ambtelijke of bestuurlijke raming of bandbreedte waarmee het college op het moment van beantwoording rekening houdt? Op dit moment kunnen de uitvoering en financiering van zowel het Wmo-vervoer als het leerlingenvervoer plaatsvinden binnen de beschikbare budgettaire kaders. Er is daarom geen aanleiding om aanvullende middelen beschikbaar te stellen. 8 Wat bedoelt het college financieel-technisch met de formulering “€ 524.000 structureel voor 2027”? Betreft deze € 524.000 een structurele last: ja of nee? Voor het onderdeel wijkvernieuwing wordt voorgesteld eenmalig (voor 2027) geld beschikbaar gesteld. Omdat wijkvernieuwing conform het BBV (Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten) onderdeel is van de structurele taken dient dit financieel-technisch als structurele post opgenomen te worden. Het college stelt echter voor om hier maar voor 1 jaar geld voor beschikbaar te stellen gezien de uitdaging in onze begroting 2028 en verder. Op deze manier kunnen we voor 1 jaar inhoudelijk doorgaan op de ingeslagen weg qua wijkvernieuwing, terwijl wordt toegewerkt naar een meerjarig sluitende begroting, waarna dit onderwerp kan meelopen in het bredere begrotings- en herijkingsproces richting 2028. 9 Indien het antwoord op vraag 8 ja is: welk bedrag is voor dezelfde activiteit opgenomen of noodzakelijk in 2028, 2029 en 2030, en uit welke concrete dekking wordt dit per jaar betaald? Zoals bij vraag 8 is benoemd is het eenmalig opgenomen voor 2027. In het brede begrotings- en herijkingsproces richting 2028 zal beoordeeld moeten worden of voor wijkvernieuwing in 2028 en verder ook geld beschikbaar gesteld zal worden 10 Indien voor 2028, 2029 of 2030 nog geen dekking voor deze structurele last aanwezig is, kan het college dat dan expliciet per jaar aangeven? Er wordt op dit moment geen last opgenomen voor 2028 en verder. Zodoende staat er ook geen dekking tegenover 11 Op welke financiële en begrotingstechnische grondslag wordt de € 524.000 in 2027 uit de algemene reserve gedekt? Graag de gekozen grondslag en de daarbij behorende berekening verstrekken. Zie ook de beantwoording van vraag 8. Om koersverlies te voorkomen wordt eenmalig geld beschikbaar gesteld. Ten tijde van het aanbieden van de nota aan het college gingen wij er nog vanuit dat we deze eenmalige post uit de algemene middelen zouden bekostigen. Inmiddels hebben we zelf geconstateerd dat deze middelen niet uit de algemene reserve gedenkt mogen worden. Volgens het BBV en de Nota reserves, voorzieningen en risicobeleid kan je structurele lasten niet dekken uit de algemene reserve maar dient deze gedekt te worden uit structurele middelen. Daarom wordt deze eenmalige extra bijdrage gedekt vanuit het toereikende structurele begrotingsresultaat. 15 Welke van deze activiteiten veroorzaken naar verwachting ook in 2028 en volgende jaren uitgaven? Graag per activiteit het geraamde jaarlijkse bedrag vermelden. Net als bij de eenmalige post voor Wijkvernieuwing, is Preventie eenmalig (voor 2027) in de begroting opgenomen. Op deze manier kunnen we voor 1 jaar inhoudelijk doorgaan op de ingeslagen weg, terwijl wordt toegewerkt naar een meerjarig sluitende begroting. In het brede begrotings- en herijkingsproces richting 2028 zal beoordeeld moeten worden of voor preventie in 2028 en verder ook geld beschikbaar gesteld zal worden 17 Waaruit bestaat de € 100.000 personele inzet concreet: hoeveel fte, voor welke periode, voor welke werkzaamheden en betreft dit eigen personeel of externe inhuur? De € 100.000 personele inzet bestaat uit 1 fte externe inhuur voor de periode van ca 01-11-26 tot en met ca 01-05-27. De werkzaamheden betreffen het in kaart brengen, doorberekenen en het samenstellen van een ombuigingspakket- of pakketten. 18 Op welke datum zijn de financiële knelpunten van respectievelijk € 1.100.000, € 100.000 en € 524.000 voor het eerst ambtelijk als financieel knelpunt vastgelegd en op welke datum is het college hierover voor het eerst bestuurlijk geïnformeerd? Op 10 juni is het coalitieakkoord “Samen sterk voor Smallingerland. Ruimte om te leven, kracht om te doen” gepresenteerd. Na het presenteren van dit akkoord is er vanuit de organisatie geconstateerd dat voor een aantal lopende tijdelijke projecten géén gelden beschikbaar zijn gesteld in het coalitieakkoord. Als we voor deze initiatieven geen maatregelen zouden treffen, dan zullen de bestaande activiteiten moeten stoppen. Dit doet het uitgangspunt van het coalitieakkoord “we bouwen verder aan de visies en plannen vastgesteld door de raad” teniet. De voorstellen zijn 8 juli beeldvormend c.q. oordeelsvormend besproken in het Directieoverleg (DT). Een week later (op 15 juli) zijn de voorstellen besluitvormend in het DT geweest en zijn de voorstellen doorgeleid naar de 1e collegevergadering na het zomerreces (op 18 augustus) 19 Welke concrete alternatieve dekkingsmogelijkheden zijn voor elk van de drie bedragen onderzocht voordat is gekozen voor de algemene reserve? Graag per alternatief aangeven waarom dit niet is gekozen. De dekking van preventie binnen het sociale domein en het reservebudget voor een financieel stabiel Smallingerland zijn eenmalige en incidentele posten. Hiervoor is het logisch dat gekozen wordt voor dekking vanuit de algemene reserve. Voor wijkvernieuwing wordt verwezen naar het antwoord wat reeds gegeven is op vraag 11 Vragen die betrekking hebben op de begroting/reguliere P&C proces: 1 Wat is, na verwerking van alle op dit moment bekende besluiten, verplichtingen en financiële ontwikkelingen, de geraamde stand van de algemene reserve per 31 december 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030? Graag de bedragen per jaar weergeven. De stand van de algemene reserve wordt opgenomen in de begroting 2027-2030 2 Welk bedrag van de bij vraag 1 genoemde algemene reserve is per jaar noodzakelijk voor het afdekken van risico’s en welk bedrag resteert per jaar vervolgens als vrij beschikbaar? Het bedrag wat nodig is voor de afdekking van de risico’s wordt opgenomen in de begroting 2027-2030 3 Welke op dit moment bij het college bekende financiële tegenvallers, risico’s, verplichtingen of beleidsvoornemens zijn nog niet verwerkt in de bedragen bij vraag 1? Graag deze afzonderlijk benoemen en per onderdeel het meest actuele geraamde bedrag of, indien uitsluitend een bandbreedte beschikbaar is, die bandbreedte vermelden. Bij het aanbieden van de begroting zullen alle bekende financiële tegenvallers, risico’s, verplichtingen of beleidsvoornemens opgenomen zijn 7 Wat is na verwerking van de op dit moment bekende financiële ontwikkelingen het actuele geraamde begrotingssaldo voor 2027, 2028, 2029 en 2030? Graag per jaar zowel het structurele als het totale begrotingssaldo vermelden. De financiële ontwikkeling en het actuele begrotingssaldo wordt opgenomen in de begroting 2027-2030 12 Wat is de stand van de algemene reserve per 31 december 2027 vóór de nu voorgestelde onttrekking van € 1.724.000 en wat is de stand ná deze onttrekking? Bij het aanbieden van de begroting zal de stand van de algemene reserve volledig zijn geactualiseerd. 13 Welke concrete activiteiten worden met de € 1.100.000 voor preventie in het sociaal domein gefinancierd? Graag per activiteit het bedrag vermelden. Voor het sociaal domein wordt door het college voorgesteld eenmalig (voor 2027) geld beschikbaar te stellen voor preventieve activiteiten. Dit past in de transformatie die vanuit de Sociale Koers ingezet is. De verwachting is dat deze inzet benodigd is, als voorbereiding op -, en/of doorontwikkeling van veranderingen in de uitvoering van het sociaal domein. In de begroting wordt op dit moment uitgewerkt en beschreven welke specifieke activiteiten hiervoor ingezet zullen worden. Om te voorkomen dat tussentijds/voorlopige cijfers en toelichtingen worden gegeven die nog kunnen wijzigen, willen we de betreffende informatie integraal meenemen in de uitwerking van de begroting. De begroting wordt aan de raad aangeboden op 23 oktober. 14 Welke van de bij vraag 13 genoemde activiteiten bestonden reeds vóór 2027 en welke worden in 2027 nieuw gestart? Zie vraag 13. De uitwerking vindt op dit moment plaats in de begroting, Om te voorkomen dat tussentijds/voorlopige cijfers en toelichtingen worden gegeven die nog kunnen wijzigen, verwijzen wij u naar de begroting die 23 oktober zal worden aangeboden 16 Voor de € 100.000 extra personele inzet stelt het college als doel om tot een sluitende begroting 2028 en 2029 te komen. Wat is, uitgedrukt in euro’s, de actuele financiële opgave die voor 2028 respectievelijk 2029 moet worden opgelost? De actuele financiële opgaven zal gepresenteerd worden in de begroting 2027-2030 20 Welk totaalbedrag is sinds 1 juli 2026 door het huidige college reeds besloten of voorgenomen ten laste van de algemene reserve te brengen dat nog niet was verwerkt in de Kadernota? Graag een uitsplitsing per besluit, bedrag en datum. De ontwikkeling van de algemene reserve wordt opgenomen in de begroting 2027-2030 21 Welk totaalbedrag aan onttrekkingen aan de algemene reserve verwacht het college, op basis van alle op het moment van beantwoording bekende besluiten en voornemens, gedurende de periode 2026 tot en met 2030? De ontwikkeling van de algemene reserve wordt opgenomen in de begroting 2027-2030 22 Kan het college bij de beantwoording van bovenstaande vragen de gevraagde actuele cijfers verstrekken en, wanneer een bedrag nog niet definitief is vastgesteld, de op dat moment gehanteerde raming of bandbreedte, zodat de beantwoording niet wordt uitgesteld tot een toekomstige begroting, bestuursrapportage of ander P&C-document? In algemene zin merken wij op dat een deel van de vragen betrekking heeft op de financiële uitgangspunten en de verdere uitwerking daarvan in de begroting die (volgens de reguliere P&C cyclus) op dit moment nog in voorbereiding is, zowel qua cijfers als qua toelichting. Om te voorkomen dat tussentijds/voorlopige cijfers en toelichtingen worden gegeven die nog kunnen wijzigen, willen we de betreffende informatie integraal meenemen in de uitwerking van de begroting. De begroting wordt aan de raad aangeboden op 23 oktober. Drachten, 21 augustus 2026 Onderwerp: Schriftelijke vragen “Dekking begroting 2027 uit de algemene reserve” Geacht college, In de openbare besluitenlijst van de collegevergadering van 18 augustus 2026 staat onder punt 2.3.1 Incidentele knelpunten begroting 2027 dat het college aanvullende uitgaven van in totaal € 1.724.000 in de begroting 2027 wil opnemen. Volgens het college zijn hiervoor in de huidige Kadernota en het coalitieakkoord geen middelen opgenomen. Het college wil deze uitgaven volledig dekken uit de algemene reserve. Het betreft: • € 1.100.000 incidenteel voor preventie in het sociaal domein; • € 100.000 incidenteel voor extra personele inzet om tot een sluitende begroting 2028 en 2029 te komen; • € 524.000 voor wijkvernieuwing, door het college aangeduid als “structureel voor 2027”. De VVD-fractie wil kunnen beoordelen wat deze besluiten betekenen voor de actuele financiële positie van de gemeente. Bij onderstaande vragen verzoeken wij het college uit te gaan van de meest actuele cijfers, ramingen, besluiten en verplichtingen die op het moment van beantwoording bij het college bekend zijn, ongeacht of deze reeds formeel in een begroting, bestuursrapportage of begrotingswijziging zijn verwerkt. 1. Wat is, na verwerking van alle op dit moment bekende besluiten, verplichtingen en financiële ontwikkelingen, de geraamde stand van de algemene reserve per 31 december 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030? Graag de bedragen per jaar weergeven. 2. Welk bedrag van de bij vraag 1 genoemde algemene reserve is per jaar noodzakelijk voor het afdekken van risico’s en welk bedrag resteert per jaar vervolgens als vrij beschikbaar? 3. Welke op dit moment bij het college bekende financiële tegenvallers, risico’s, verplichtingen of beleidsvoornemens zijn nog niet verwerkt in de bedragen bij vraag 1? Graag deze afzonderlijk benoemen en per onderdeel het meest actuele geraamde bedrag of, indien uitsluitend een bandbreedte beschikbaar is, die bandbreedte vermelden. 4. Welk bedrag aan extra lasten voor het Wmo-vervoer is op dit moment geraamd voor 2026, 2027, 2028 en 2029 en welk deel daarvan is reeds verwerkt in de begroting of een bestuursrapportage? 5. Welk bedrag aan extra lasten voor het leerlingenvervoer is op dit moment geraamd voor 2026, 2027, 2028 en 2029 en welk deel daarvan is reeds verwerkt in de begroting of een bestuursrapportage? 6. Indien bij vraag 4 of 5 nog geen definitief bedrag kan worden genoemd, wat is dan de meest actuele ambtelijke of bestuurlijke raming of bandbreedte waarmee het college op het moment van beantwoording rekening houdt? 7. Wat is na verwerking van de op dit moment bekende financiële ontwikkelingen het actuele geraamde begrotingssaldo voor 2027, 2028, 2029 en 2030? Graag per jaar zowel het structurele als het totale begrotingssaldo vermelden. 8. Wat bedoelt het college financieel-technisch met de formulering “€ 524.000 structureel voor 2027”? Betreft deze € 524.000 een structurele last: ja of nee? 9. Indien het antwoord op vraag 8 ja is: welk bedrag is voor dezelfde activiteit opgenomen of noodzakelijk in 2028, 2029 en 2030, en uit welke concrete dekking wordt dit per jaar betaald? 10. Indien voor 2028, 2029 of 2030 nog geen dekking voor deze structurele last aanwezig is, kan het college dat dan expliciet per jaar aangeven? 11. Op welke financiële en begrotingstechnische grondslag wordt de € 524.000 in 2027 uit de algemene reserve gedekt? Graag de gekozen grondslag en de daarbij behorende berekening verstrekken. 12. Wat is de stand van de algemene reserve per 31 december 2027 vóór de nu voorgestelde onttrekking van € 1.724.000 en wat is de stand ná deze onttrekking? 13. Welke concrete activiteiten worden met de € 1.100.000 voor preventie in het sociaal domein gefinancierd? Graag per activiteit het bedrag vermelden. 14. Welke van de bij vraag 13 genoemde activiteiten bestonden reeds vóór 2027 en welke worden in 2027 nieuw gestart? 15. Welke van deze activiteiten veroorzaken naar verwachting ook in 2028 en volgende jaren uitgaven? Graag per activiteit het geraamde jaarlijkse bedrag vermelden. 16. Voor de € 100.000 extra personele inzet stelt het college als doel om tot een sluitende begroting 2028 en 2029 te komen. Wat is, uitgedrukt in euro’s, de actuele financiële opgave die voor 2028 respectievelijk 2029 moet worden opgelost? 17. Waaruit bestaat de € 100.000 personele inzet concreet: hoeveel fte, voor welke periode, voor welke werkzaamheden en betreft dit eigen personeel of externe inhuur? 18. Op welke datum zijn de financiële knelpunten van respectievelijk € 1.100.000, € 100.000 en € 524.000 voor het eerst ambtelijk als financieel knelpunt vastgelegd en op welke datum is het college hierover voor het eerst bestuurlijk geïnformeerd? 19. Welke concrete alternatieve dekkingsmogelijkheden zijn voor elk van de drie bedragen onderzocht voordat is gekozen voor de algemene reserve? Graag per alternatief aangeven waarom dit niet is gekozen. 20. Welk totaalbedrag is sinds 1 juli 2026 door het huidige college reeds besloten of voorgenomen ten laste van de algemene reserve te brengen dat nog niet was verwerkt in de Kadernota? Graag een uitsplitsing per besluit, bedrag en datum. 21. Welk totaalbedrag aan onttrekkingen aan de algemene reserve verwacht het college, op basis van alle op het moment van beantwoording bekende besluiten en voornemens, gedurende de periode 2026 tot en met 2030? 22. Kan het college bij de beantwoording van bovenstaande vragen de gevraagde actuele cijfers verstrekken en, wanneer een bedrag nog niet definitief is vastgesteld, de op dat moment gehanteerde raming of bandbreedte, zodat de beantwoording niet wordt uitgesteld tot een toekomstige begroting, bestuursrapportage of ander P&C-document? Met vriendelijke groet, namens de VVD-fractie Smallingerland, Marco Molhoek Aan de gemeenteraad Santpoort-Noord, 14 september 2026 Geachte raad, Hierbij biedt het "Kennisnetwerk participatie en uitdaagrecht"1 u met veel plezier de nota Kansen met het Uitdaagrecht aan. Deze nota is opgesteld in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In de nota staat: Wat het Uitdaagrecht is. Bij het Uitdaagrecht zijn volgens de wet twee varianten mogelijk: 1. De inwoners of maatschappelijke partijen maken afspraken met de gemeente om een taak over te nemen (bijvoorbeeld: overnemen van het onderhoud van een deel van het openbaar groen), maar ook: 2. De inwoners of maatschappelijke partijen maken afspraken om een taak op een vernieuwende wijze samen met de gemeente te gaan uitvoeren ('coproduceren'). Initiatiefnemers en gemeente voeren de taak dan samen op een andere wijze uit (bijvoorbeeld: het onderhoud van het openbaar groen wordt op een meer ecologische manier uitgevoerd door initiatiefnemers en gemeente samen). Praktijkvoorbeelden bij gemeenten waar het Uitdaagrecht al wordt toegepast. Ontwikkelkansen van het Uitdaagrecht en wat het gemeentebestuur kan doen om het Uitdaagrecht goed te integreren in het beleid van overheidsparticipatie. Verzoek Het verzoek aan u is om: 1. De nota "Kansen met het Uitdaagrecht" te gebruiken, bijvoorbeeld bij uw besluitvorming over de nieuwe Participatieverordening en bij uw beleid rondom het Uitdaagrecht. 2. Het Kennisnetwerk verzamelt informatie over o.a. uitdaagrecht om met deze kennis overheden en maatschappelijke initiatieven goed te kunnen ondersteunen. Daarom verzoeken wij u de volgende vragen te beantwoorden:: a. Heeft u in de Participatieverordening het Uitdaagrecht opgenomen met de twee varianten (1. taken overnemen, en 2. taken in coproductie te kunnen uitvoeren)? b. Heeft u in de Participatieverordening opgenomen dat er regelmatige communicatie met de samenleving plaatsvindt over de mogelijkheden van het Uitdaagrecht? c. Heeft u in de Participatieverordening opgenomen dat u regelmatig de toepassing van het Uitdaagrecht monitort? 1 Het Kennisnetwerk participatie en uitdaagrecht is een onafhankelijke stichting die zich richt op inwonersparticipatie in samenwerking met overheden, maatschappelijke organisaties en bewoners door: ■ Het geven van informatie over bewonersparticipatie, overheidsparticipatie en uitdaagrecht. ■ Het begeleiden van overheden, bewoners en maatschappelijke organisaties bij participatie en bij de toepassing van het uitdaagrecht. ■ Kennisontwikkeling en — uitwisseling, onder meer door het (laten) verrichten van onderzoek naar de mogelijkheden voor toepassing van inwonersparticipatie en het uitdaagrecht en door het delen van ervaringen © KENNISNETWERK Uw antwoorden geven ons inzicht in de toepassing van het Uitdaagrecht. Deze informatie kunnen wij weer gebruiken bij onze begeleiding van overheden en maatschappelijke initiatieven. Wij zien uw reactie met belangstelling tegemoet. Met vriendelijke groet, Bert van der Moolen, Voorzitter stichting Kennisnetwerk participatie en uitdaagrecht www.uitdaagrecht.nl [email protected] Netscherlaan2-c Santpoort-Noord KvK 87013770 ASA ALA LAAI KENNISNETWERK Kansen met het Uitdaagrecht Voor gemeenten, provincies en waterschappen www.uitdaagrecht.nl Kansen met het Uitdaagrecht 2026 Voor gemeenten, provincies en waterschappen Kennisnetwerk participatie en uitdaagrecht Het Kennisnetwerk participatie en uitdaagrecht is een onafhankelijke stichting die zich richt op uitdaagrecht / participatie in samenwerking met overheden, maatschappelijke www.uitdaagrecht.nl organisaties en bewoners door: [email protected] ▪ Het geven van informatie over het uitdaagrecht, over overheidsparticipatie en Thijs Harmsen over bewonersparticipatie. ▪ Het begeleiden van bewoners, maatschappelijke organisaties, gemeenten, Nicole Slothouwer (eindredactie) waterschappen, provincies en de rijksoverheid bij participatie en bij de toepassing van het uitdaagrecht. Juli 2026 ▪ Kennisontwikkeling en – uitwisseling, onder meer door het (laten) verrichten van Deze notitie is gemaakt in opdracht van de onderzoek naar de mogelijkheden voor toepassing van het uitdaagrecht en participatie en door het delen van ervaringen. Vereniging van Nederlandse Gemeenten. 1 Burgers kunnen meer initiatieven met verantwoordelijkheid voor de publieke zaak nemen, zoals in toenemende mate het geval is met het uitdaagrecht. Prof. dr. James Kennedy Universiteitshoogleraar met als speciale opdracht community engaged learning aan de Universiteit Utrecht1 1 Burgerschap na de verzuiling: zorgen en kansen. In: Met het oog op de toekomst, Ministerie van BZK, februari 2025 2 Inhoudsopgave Samenvatting 4 1. Inleiding 5 2. Uitdaagrecht 6 2.1. Uitdaagrecht bij gemeenten, provincies en waterschappen 6 2.2. Twee varianten bij het uitdaagrecht 7 2.3. Indienen en beoordelen van uitdaagrecht-initiatieven 8 2.4. Communicatie 9 3. Ervaringen met het uitdaagrecht 10 3.1. Inleiding 10 3.2. Natuur in Friesland 10 Harlingen – Balklandpark-Noord Natuer mei de Mienskip 3.3. Funverkeer in Zuid-Limburg 13 3.4. Seringenpark Aalsmeer 14 3.5. Uitdaagrecht in dorpen en wijken 15 3.6. Uitdaagrecht en samenwerking tussen overheden 16 4. Ontwikkelkansen voor het uitdaagrecht 17 3 Samenvatting Gemeenten, provincies en waterschappen moeten in 2026 regels opstellen voor toepassing van het uitdaagrecht. Met het uitdaagrecht kunnen inwoners en maatschappelijke organisaties taken overnemen of op een vernieuwende wijze gaan uitvoeren in coproductie met de gemeente, waterschap of provincie (al dan niet met bijhorend budget). Met dit verzoek wordt een overheidsorgaan “uitgedaagd”. De initiatiefnemers geven hierbij aan of en hoe zij het werk “beter”, “goedkoper” en/of “met meer maatschappelijk draagvlak” kunnen realiseren, in vergelijking met de reguliere aanpak door de overheid. Deze nota gaat in op: ▪ De essenties van het uitdaagrecht. ▪ De rol van het bestuur. ▪ Ervaringen en voorbeelden uit de praktijk met het uitdaagrecht bij gemeenten, provincies en waterschappen. ▪ De ontwikkelkansen bij overheden om een succes te maken van het uitdaagrecht. De samenwerking met en ervaringen van inwonersinitiatieven, maatschappelijke organisaties en ambtenaren en bestuurders van gemeenten, waterschappen en provincies zijn de basis voor deze nota. 4 1. Inleiding Inwoners meer mogelijkheden en kansen bieden om zélf invulling te geven aan hun woon- en leefomgeving. Met het uitdaagrecht2 kan dit. Het uitdaagrecht geeft inwoners en maatschappelijke initiatieven de mogelijkheid om taken van de overheid over te nemen of te gaan aansturen wanneer zij denken deze taken beter, slimmer of anders te kunnen uitvoeren. Vanaf 2027 moeten gemeenten, provincies en waterschappen het uitdaagrecht hebben ingevoerd. Door inwoners niet als consument te zien, maar als (co-)producent van hun eigen leefomgeving, krijgen zij ook eigenaarschap, betrokkenheid en vertrouwen terug. en Deze compacte notitie laat zien wat ervoor nodig is om het uitdaagrecht in te voeren en uitdaagrechtverzoeken af te handelen. Ook gaan we in op de dagelijkse praktijk van het uitdaagrecht aan de hand van een aantal casussen: hoe verlopen deze casussen en wat zijn de succesfactoren maar ook de aandachtspunten? De notitie rondt af met een aantal ontwikkelkansen voor het uitdaagrecht. De samenwerking van het Kennisnetwerk met inwonersinitiatieven, maatschappelijke organisaties en ambtenaren en bestuurders van gemeenten, waterschappen en provincies is de basis voor deze nota. Hun ervaringen zijn hierin meegenomen. Vanwege de leesbaarheid wordt gesproken over de gemeente en het uitdaagrecht. De teksten gelden ook voor provincie en waterschap, tenzij anders wordt aangegeven. 2 We gebruiken de term uitdaagrecht; sommige overheden spraken in het verleden over “Right to Challenge” en dit betekent hetzelfde als het uitdaagrecht. 5 2. Uitdaagrecht 2.1. Uitdaagrecht bij gemeenten, provincies en waterschappen Met het uitdaagrecht kunnen inwoners of maatschappelijke partijen de gemeente (/ provincie / waterschap) verzoeken om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen, of samen met de gemeente te gaan uitvoeren. Bijvoorbeeld omdat initiatiefnemers denken deze taak Voordelen van het uitdaagrecht zijn, o.a.: 3 beter, goedkoper, op een vernieuwende wijze of met meer maatschappelijk draagvlak te kunnen uitvoeren. ▪ Het uitdaagrecht vergroot de betrokkenheid en het eigenaarschap van inwoners en maatschappelijke partijen in de directe (leef)omgeving. Bij het uitdaagrecht gaat het om taken die in de gemeentelijke begroting of in het gemeentelijk beleid ▪ Het uitdaagrecht biedt kansen voor de kwaliteit van beleid. Het uitdaagrecht zijn vastgelegd en waarvan het gemeentebestuur heeft bepaald dat deze worden uitgevoerd. De maakt namelijk passend maatwerk mogelijk door kennis en inzet te benutten en gemeente behoudt bij het uitdaagrecht de eindverantwoordelijkheid en maakt afspraken met de kan zo leiden tot een betere uitvoering. Tegelijkertijd biedt het inwoners de kans initiatiefnemers afspraken over de manier waarop taken worden uitgevoerd. De gemeente om hun kennis over de eigen leefomgeving te benutten voor een beter plan. controleert of de taken volgens de afspraken worden uitgevoerd. ▪ Het uitdaagrecht kan meer opbrengsten opleveren in termen van samenwerking Het uitdaagrecht kan ook worden ingezet bij bovengemeentelijke projecten, bijvoorbeeld bij een en cohesie. Zo worden inwoners en maatschappelijke partijen gestimuleerd om gebiedsgerichte aanpak waarbij meerdere gemeenten samenwerken. samen aan de slag te gaan en hun netwerk te vergroten. Al met al kan dat leiden tot meer samenhang en saamhorigheid op een bepaalde plek of in een bepaalde buurt. Rol Gemeenteraad ▪ Ook kan het uitdaagrecht leiden tot nieuwe vormen van samenwerking tussen Als gekozen volksvertegenwoordigers geven de leden van de Gemeenteraad aan welke taken wel of overheden en de gemeenschap. Op die manier draagt het uitdaagrecht bij aan niet kunnen worden uitgedaagd in de eigen gemeente. Dat doet de raad op de volgende manieren: een veerkrachtige samenleving. ▪ Vaststellen van de kaders voor het uitdaagrecht: geldt het recht bij ‘alle’ beleidsterreinen of bij een beperkt aantal, wie kunnen gebruik maken van dit recht, de procedure, hoe weten we dat een uitdaagrecht-initiatief ook draagvlak heeft van potentieel belanghebbenden, etc. ▪ De regels voor het uitdaagrecht vastleggen in de Participatieverordening (voor 1 januari 2027). ▪ Beoordeling en besluitvorming over het uitdaagrecht-initiatief, indien nodig (beoordeling van concrete initiatieven gebeurt door het orgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de taak en dat zal meestal het college van B&W zijn). 3 Wet Versterking participatie op decentraal niveau (2024), Memorie van Toelichting 6 2.2. Twee varianten bij het uitdaagrecht Bij het uitdaagrecht zijn er twee ‘varianten’: Twee varianten bij het uitdaagrecht 1. De inwoners of maatschappelijke partijen maken afspraken met de gemeente om een taak De regels rondom het uitdaagrecht zijn opgenomen in de “Wet versterking participatie op over te nemen (bijvoorbeeld: overnemen van het onderhoud van een deel van het decentraal niveau” (2024). Dit is de basis voor het uitdaagrecht bij gemeenten, waterschappen en openbaar groen). provincies4. Alle decentrale overheden moeten het uitdaagrecht invoeren en bepalen zelf de 2. De inwoners of maatschappelijke partijen maken afspraken om een taak op een spelregels en de taken waarvoor het uitdaagrecht gaat gelden. In de Memorie van Toelichting van de genoemde wet staat dat het uitdaagrecht gaat over: vernieuwende wijze samen met de gemeente te gaan uitvoeren (coproduceren). ▪ Het overnemen van een overheidstaak door initiatiefnemers. Initiatiefnemers en gemeente voeren de taak dan samen op een andere wijze uit ▪ Afspraken maken over samenwerking tussen initiatiefnemer en overheid om een taak (bijvoorbeeld: het onderhoud van het openbaar groen wordt op een meer ecologische op een nieuwe manier te gaan uitvoeren. manier uitgevoerd door initiatiefnemers en gemeente samen). Overnemen van een taak Bij het uitdaagrecht kunnen inwoners of maatschappelijke partijen de gemeente verzoeken om de Bij de praktijkvoorbeelden (zie hoofdstuk 3) laten we zien dat beide varianten voorkomen, soms zelfs feitelijke uitvoering van een taak van de gemeente over te nemen, al dan niet met bijhorend binnen een en hetzelfde uitdaagrecht-initiatief. budget, als zij denken deze taak beter te kunnen uitvoeren. De beschrijving ‘beter’ kan van alles inhouden, met meer maatschappelijke meerwaarde, duurzamer of efficiënter. Het uitdaagrecht is een bijzondere vorm van participatie aangezien dit niet door de overheid wordt geïnitieerd, maar inwoners en maatschappelijke partijen juist zelf een idee ontwikkelen en de overheid benaderen om dit te kunnen realiseren. Het uitdaagrecht vergroot de betrokkenheid en het eigenaarschap van inwoners en maatschappelijke partijen in de directe (leef)omgeving, biedt kansen voor de kwaliteit van beleid en kan leiden tot nieuwe vormen van samenwerking en cohesie. Op die manier draagt het uitdaagrecht bij aan een veerkrachtige samenleving. Het uitdaagrecht laat zien dat er ruimte is voor maatschappelijk initiatief waarbij zowel grote projecten – bijvoorbeeld de exploitatie van een windmolenpark – als kleine(re) initiatieven – bijvoorbeeld het beheer en onderhoud van een (dieren)park, buurthuis, sportclub of het verrichten van zorg- of welzijnstaken – betekenisvol kunnen zijn. De verantwoordelijkheid voor de taken blijft in juridische zin weliswaar bij de overheid liggen, maar de overheid betrekt bij de feitelijke uitvoering inwoners of maatschappelijke partijen. Uitdaagrecht is inclusief samenwerkingsrecht In Nederland wordt uitdaagrecht breder ingevuld dan alleen het daadwerkelijke overnemen van een taak. Een verzoek tot overname van een taak van de gemeente kan in de Nederlandse praktijk ook leiden tot afspraken over het uitvoeren van publieke taken tussen inwoners en gemeente, een zogenaamd “samenwerkingsrecht”5. Dit houdt verband met het autonome karakter van de decentrale bestuurlijke inrichting van Nederland. Daarbij heeft de gemeenteraad een centrale positie voor het agenderen van maatschappelijke thema’s en de invulling van de kaders van de uitvoering van hun taken. Het brede uitdaagrecht, waarbinnen ook het samenwerkingsrecht een plaats inneemt, past bij de lange politiek-bestuurlijke traditie van samenwerken die ons land kent. Daarom wordt in Nederland geen specifiek onderscheid gemaakt tussen het uitdaagrecht en het samenwerkingsrecht, maar valt alles onder het begrip “uitdaagrecht”. 4 Gemeentewet, artikel 150. Provinciewet, artikel 147. Waterschapswet, artikel 79. 5 Wet Versterking participatie op decentraal niveau (2024), Memorie van Toelichting, p.5 - 6 7 2.3. Indienen en beoordelen van uitdaagrecht-initiatieven Bij de beoordeling kan o.a. worden gekeken naar: Een gemeente die samenwerking met de gemeenschap omarmt, draagt dit ook uit. Een laagdrempelig proces voor het indienen en beoordelen van uitdaagrecht-initiatieven is hierbij belangrijk: ▪ Gaat het om een gemeentelijke taak die is vastgelegd in de begroting en/of in beleid? ▪ Is er budget beschikbaar voor de uitvoering van de betreffende taak? ▪ De gemeente heeft informatie beschikbaar (o.a. op de website) over het uitdaagrecht, een ▪ Geven de initiatiefnemers aan hoe de gemeentelijke taak “slimmer”, “beter”, “goedkoper”, “met meer maatschappelijk draagvlak” of op “een andere wijze” kan worden uitgevoerd (al aanvraagformulier én de gegevens van een contactpersoon die op een eenvoudige manier dan niet in samenwerking met de gemeente)? te bereiken is voor initiatiefnemers (06-nummer, emailadres). ▪ Is er een maatschappelijke meerwaarde van dit initiatief en welke is dit? ▪ De initiatiefnemers in een zo vroeg mogelijk stadium spreken. Dit gesprek tussen een ▪ Hebben de initiatiefnemers enige mate van draagvlak bij betrokkenen/ belanghebbenden? contactambtenaar en de initiatiefnemers verlaagt de drempel om met een voorstel te ▪ Hebben de initiatiefnemers een duidelijke relatie met de gemeente? komen. Vaak hebben initiatiefnemers wel een eerste idee, maar weten nog niet precies ▪ Voert de gemeente deze taak zelf uit of wordt deze taak uitbesteed? Welke ruimte is er hoe zij dit moeten uitwerken, welke mogelijkheden er zijn en of het uitdaagrecht wel het voor een uitdaagrecht-initiatief bij een uitbestede taak? goede instrument is om hun idee te kunnen uitvoeren. In dit gesprek kunnen de ▪ Lijken initiatiefnemers in staat om de taak zelf uit te voeren of opdracht te kunnen geven mogelijkheden van het uitdaagrecht verder worden verkend. aan een derde partij (al dan niet in samenwerking met de gemeente)? Waaruit blijkt dit? ▪ De initiatiefnemers hun eerste idee te laten indienen. Hebben zij hiervoor voldoende kennis en kan dit gebeuren met -beperkte- begeleiding ▪ Bij een kansrijk initiatief een gesprek te laten plaatsvinden tussen initiatiefnemers en een vanuit de gemeente? aantal ambtenaren (zoals de contactpersoon van de gemeente, inhoudelijk betrokken ▪ Wat is de duur van het beoogde uitdaagrecht-initiatief? Dient er een proefperiode te ambtenaren, ambtenaren met kennis van inkoop, financiën en/of juridische worden afgesproken? Welk inzicht is er in de continuïteit die geleverd kan worden? aangelegenheden). In het gesprek kan door de gemeente aanvullende informatie worden ▪ Wat zijn de kosten voor de uitvoering? Zijn deze gelijk aan of lager dan de kosten waarvoor de taak op de huidige manier wordt uitgevoerd? Of wordt er een andere meerwaarde verstrekt (bijvoorbeeld over de inhoud van de taak of de beschikbare financiën). Eventueel bereikt waardoor het toch interessant kan zijn deze uitdaging aan te gaan, terwijl de kosten worden er afspraken gemaakt over de vervolgstappen om te komen tot een volledige misschien wel hoger zijn? aanvraag voor het uitdaagrecht-initiatief.6 ▪ Levert het uitdaagrecht-initiatief conflicten op met het gemeentelijke aanbestedings- en ▪ De initiatiefnemers maken hun aanvraag voor het gebruik van het uitdaagrecht gereed en inkoopbeleid, met veiligheidsvoorschriften of met de belangen van derden? Zijn er andere dienen deze formeel in. mogelijke conflicten met de provincie of met de samenleving? Zijn er ook bewoners, maatschappelijke organisaties of andere partijen die door dit initiatief benadeeld kunnen De ingediende aanvraag wordt ambtelijk bekeken en er wordt een voorstel opgesteld voor worden? besluitvorming, waarna (meestal) B&W het besluit neemt om het uitdaagrecht-initiatief al dan niet ▪ Het uitdaagrecht-initiatief betreft niet de volgende gemeentelijke taken: taken op het toe te staan. gebied van veiligheid, vergunningverlening, toezicht, subsidiebeoordeling/ toekenning, interne ondersteunende taken (zoals bedrijfsvoering), personeelsbeleid en financiën. 6 Zie bijvoorbeeld gemeente Rotterdam, Right to Challenge, concept-Voorjaarsnota 2024, 1e herziening, M2407-6544 - 25bo003444, 20 februari 2025 8 2.4. Communicatie Regelmatige communicatie met de samenleving over het uitdaagrecht is van belang: inwoners en maatschappelijke organisaties kunnen op deze manier weten dat het uitdaagrecht bestaat en hoe zij hiervan gebruik kunnen maken. De communicatie kan op een passieve en actieve wijze gebeuren. Passief, door op de gemeentelijke website, informatie te geven over het uitdaagrecht (wat is het uitdaagrecht, hoe kan een aanvraag worden ingediend, welke procedure wordt dan gevolgd, een contactpersoon die informatie kan verstrekken). Voor degenen die minder digitaal vaardig zijn kan de informatie ook bekend gemaakt worden via andere media- uitingen (regionale en lokale media). Actief, door het uitdaagrecht steeds als een van de participatiemogelijkheden te benoemen bij die taken waarvan de gemeente weet dat de kans groot is dat bewoners en maatschappelijke partijen in de uitvoering een rol willen spelen. Daarnaast is het bij de informatievoorziening richting samenleving ook van belang om te melden welke uitdaagrecht-initiatieven er zijn binnengekomen, welke uitdaagrecht-initiatieven er al lopen (en hoe inwoners contact kunnen leggen met de initiatiefnemers) en de ervaringen van uitdaagrecht- initiatieven te delen met inwoners en maatschappelijke organisaties (maar ook binnen de ambtelijke organisatie en met het gemeentebestuur). 9 3. Ervaringen bij overheden 3.1. Inleiding Diverse overheden hebben al ervaring opgedaan met het uitdaagrecht. Want inwoners gebruiken het uitdaagrecht regelmatig om zelf invulling te geven aan de leefbaarheid in hun eigen dorp of wijk. Van het beheren van een wijkcentrum (zoals in Amstelveen), behoud van welzijnsvoorzieningen in hun dorp (Ooststellingwerf), het maken en uitvoeren van plannen voor energiebesparing (bijvoorbeeld in Zundert en in Hilvarenbeek), het beheren van sportaccommodaties (zoals een sporthal in Utrecht en een voetbalcomplex in Vaesrade, Zuid-Limburg), schoonhouden van de buurt (in Gouda, in Rotterdam en in Amsterdam), het herinrichten van een straat (Rotterdam) tot het beheren of ontwikkelen van groen in de wijk (in Leidschendam-Voorburg) . We laten een aantal trajecten zien uit de praktijk van gemeenten, provincies en waterschappen en sluiten af met de leerpunten uit deze ervaringen. 3.2. Natuur in Friesland In de provincie Friesland zijn diverse uitdaagrecht-initiatieven in uitvoering of al afgerond. Harlingen – Balklandpark-Noord De gemeente Harlingen is in 2018 gestart met herontwikkeling langs de Friese zeedijk: het Westerzeedijkgebied. Dit gebied ontwikkelt zich tot een recreatief gebied voor zowel inwoners van Harlingen als voor toeristen. Onderdeel van dit gebied is het aanleggen van het nieuwe Balklandpark- Noord. Na een aantal inspraakrondes met de gemeente realiseren inwoners van Harlingen zich dat het participatieniveau in de ontwikkeling van het Balklandpark-Noord zou blijven hangen op “informeren en consulteren”. De inwoners willen echter meer: hun ambities zijn om het gebied te transformeren tot een ecologisch stadspark waar ‘biodiversiteit en beleving’ centraal staan. Daarom gebruikt de bewonerswerkgroep het uitdaagrecht: de werkgroep wil zélf een plan maken voor een park voor mens en natuur, waar beleving en educatie centraal staan, gecombineerd met sport- en speelfaciliteiten. Met het uitdaagrecht krijgt de werkgroep de ruimte van het gemeentebestuur om een eigen plan te maken (binnen een aantal financiële en ontwerpkaders die door de gemeente Harlingen zijn gesteld). Begin 2021 stemmen B&W in met het plan van de bewonerswerkgroep. Inmiddels is het Balklandpark-Noord aangelegd, vrijwel conform de ideeën van de inwoners, en officieel geopend in 2025. Het park heeft een aantal “specials” gekregen om de natuurkwaliteit en de belevingswaarde te vergroten, zoals poelen voor amfibieën en vogels, houtwallen/takkenrillen en insectenhotels. Ook staan er 28 soorten bomen. De bewonerswerkgroep is opgegaan in Stichting Ecologisch Stadspark Harlingen. Bewoners blijven betrokken bij het beheer van het park: elke derde zondag van de maand helpen vrijwilligers mee om het park aantrekkelijk te houden voor dieren, planten en mensen. 10 Naast het ontwerpen en aanleggen van een park, zijn er in Friesland uitdaagrecht-initiatieven van heel verschillende schaal. Van het schoonhouden van wateren met sup-planken in Grou en omgeving tot en met Natuer mei de Mienskip. Natuer mei de Mienskip: 80 miljoen voor natuur Natuer mei de Mienskip (“natuur met de samenleving”) is het eerste provinciale uitdaagrecht-initiatief in Nederland. Van de provincie Friesland mag íedereen uitdagen, óók commerciële organisaties en zelfs andere overheden (waterschap, gemeenten). Voor Friesland is niet van belang wie er uitdaagt, maar is het oogmerk van die uitdaging cruciaal: het bieden van maatschappelijke meerwaarde. In 2018 dagen diverse maatschappelijke organisaties de provincie Friesland uit: LTO-Noord, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, It Fryske Gea, de provinciale milieufederatie, biologische boeren, Wetterskip Fryslân, Boer en Natuur, Collectief Particuliere Natuurbeheerders en Federatie Particulier Grondbezit. Aanleiding voor dit uitdaagrecht-initiatief is een dreigende bezuiniging op het De ‘toekomstdroom’ van Natuer mei de Mienskip is om een provincie Friesland te hebben, waarin de provinciale budget voor natuurontwikkeling. Dit kan ertoe leiden dat het onzeker is bij agrariërs of hun natuur robuust en toekomstbestendig is, met logische verbindingen tussen de natuurgebieden, waar grond in de komende jaren een natuurbestemming krijgt en dat leidt tot toenemende onzekerheid. het rijk is aan planten en dieren, waar alle Friezen en bezoekers van kunnen genieten, waar ruimte is voor de boer om te boeren en de boer een goede prijs krijgt voor zijn producten. De initiatiefnemers willen de aanleg van het Natuurnetwerk Nederland versnellen met 1000 hectares inrichting van natuur en 500 hectares functiewijziging van agrarisch naar natuur. Hiermee is een De uitwerking en beoordeling van het initiatief van Natuer mei de Mienskip heeft geruime tijd investering gemoeid van circa 80 miljoen euro. De organisaties willen een nieuwe vorm van geduurd, mede omdat het uitdaagrecht nieuw was voor de provinciale organisatie. Ook de natuurontwikkeling toepassen, waarbij de “eindbeheerder” een belangrijke rol krijgt. initiatiefnemers moesten hun ideeën nog verder ontwikkelen en toetsen aan de mogelijkheden van de provincie. Daarna is een goede samenwerking op gang gekomen tussen initiatiefnemers en de De gemeenschappelijke belangen van de maatschappelijke organisaties in Natuer mei de Mienskip provincie. Provinciale Staten van Friesland hebben ingestemd met een periode van twee jaar t/m 2021 zijn: om de vernieuwende aanpak in de praktijk te gaan testen. ▪ Het voorkomen van onzekerheden voor agrariërs over de natuurontwikkeling en daarmee de toekomstmogelijkheden voor hun bedrijf. “Deze samenwerking leverde veel inzichten op. Vooral tussen landbouw- en ▪ Het behouden van gronddynamiek van aan- en verkoop van gronden. natuurorganisaties en de particuliere grondeigenaren, maar ook tussen de Provincie en de ▪ Het willen blijven investeren in het landelijk gebied. Natuer mei de Mienskip-partners. De Natuer mei de Mienskip-partners komen tot het ▪ Voorkomen dat afwaardering van gronden gaat plaatsvinden, met negatieve gevolgen voor inzicht dat een intensieve samenwerking met de Provincie tot een beter eindresultaat leidt. (agrarische) grondeigenaren. (…). Een vorm waarbij de Natuer mei de Mienskip-partners en de Provincie gezamenlijk ▪ Natuurontwikkeling en deze ontwikkeling gaan zien als onderdeel van de agrarische optrekken. Oftewel: Right to Challenge in partnerschap.”7 bedrijfsvoering. ▪ Een grotere rol voor de eindgebruikers (“Eindbeheerder Centraal”): ook agrariërs, ondernemers en anderen moeten een kans krijgen om mee te werken aan de Na de proefperiode van 2019 t/m 2021 is Natuer mei de Mienskip geëvalueerd door het natuurontwikkeling, naast de reguliere terreinbeherende organisaties als Kennisnetwerk voor participatie en uitdaagrecht (i.s.m. onder andere de Wageningen University & Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en het provinciaal landschap It Fryske Gea. ▪ De initiatiefnemers willen samenwerken met de provincie bij de doorontwikkeling van deze Research, de Unie van Waterschappen en het ministerie van BZK). Uit de evaluatie blijkt dat het merendeel van de beoogde ambities naar verwachting bereikt kan worden met deze nieuwe vernieuwende aanpak: uitdaagrecht in samenwerking met de provincie Friesland en het waterschap Friesland. werkwijze. 7 College van Gedeputeerde Staten van Fryslân (22 maart 2019), brief aan Provinciale Staten van Fryslân, “Brief van de Natuer mei de Mienskip partners over Right to Challenge in partnerschap” 11 Op basis van de evaluatie van het Kennisnetwerk voor participatie en uitdaagrecht en het voorstel De maatschappelijke partijen worden voor hun werkzaamheden in het traject van Natuer mei de voor een vervolg van de maatschappelijke partijen, hebben Provinciale Staten van Friesland in 2022 Mienskip betaald door de provincie. (N.b.: deze aanpak is ook terug te vinden in het Coalitieakkoord ingestemd met de voortgang van dit traject en uitbreiding van de capaciteit om te werken aan de 2026-2030 van het kabinet Jetten om boeren die gebiedsprocessen begeleiden daarvoor een natuurontwikkeling, in ieder geval tot en met 2027.8 Dit betekent dat de maatschappelijke partijen vergoeding te gaan geven). met hun nieuwe aanpak met meer menskracht invulling kunnen geven aan de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland in Friesland en samen met de provincie zorgen voor een goede besluitvorming via GS. Zo komt er ruimte voor natuurontwikkeling, in combinatie met veranderingen De verwachting is dat in 2027 circa 75% van de 1000 hectares ingericht zal zijn als natuur en circa 40% in de landbouw en in coproductie met betrokkenen uit de diverse gebieden. van de 500 hectares zal zijn gewijzigd van de functie agrarisch naar natuur. Daarnaast is er zicht op 17 miljoen euro aan fondsenwerving voor de natuurontwikkeling. Aandachtspunten voor de ontwikkeling van natuur in Friesland in het algemeen (dus los van het uitdaagrecht-initiatief Natuer In 2026 heeft Natuer mei de Mienskip een speciaal loket geopend (“Natuer op eigen Grûn”) om meer mei de Mienskip) zijn: “grondhonger” (agrariërs hebben grond nodig en zijn daardoor minder happig particulieren en agrariërs te ondersteunen die aan de slag willen met de ontwikkeling van eigen om mee te helpen aan natuurontwikkeling), subsidiëring van natuur (deze is soms voor agrariërs natuur. Het loket wil faciliteren van ‘idee tot uitvoering’: verkennen wat mogelijk is op de grond, minder aantrekkelijk dan agrarisch landschapsbeheer) en een krappe arbeidsmarkt (moeite om de overzicht geven van relevante subsidies en regelingen, adviseren over het integreren van natuur in de juiste mensen te kunnen inzetten). Voor het traject Natuur mei de Mienskip speelt ook mee het bedrijfsvoering, verbindingen leggen met deskundigen en met lokale partners. waarborgen van continuïteit binnen het samenwerkingsverband van de elf organisaties.9 8 Voor meer informatie over het onderzoek en het vervolg: www.uitdaagrecht.nl/nieuws, “Friesland: 9 Provinciale Staten Friesland, Informerende bijeenkomst Midterm Review Natuurnetwerk Nederland, verder met uitdaagrecht-initiatief voor landbouw en natuur”. 12 maart 2025 12 3.3. Funverkeer in Zuid-Limburg Bewonersstichting “Verkeersleefbaar Heuvelland” heeft de gemeente Eijsden-Margraten (Zuid- Limburg) uitgedaagd om verkeersonderzoek op een nieuwe manier te gaan uitvoeren. De gemeente heeft dit voorstel bekeken en het overleg met de stichting heeft geleid tot een samenwerkingsovereenkomst. Doel is dat inwoners en gemeente samen zoeken naar nieuwe methoden om de verkeersdrukte en verkeersoverlast (m.n. geluidsoverlast) te beperken. De bewonersstichting voert daarom een bewonersenquête uit, meet de verkeershinder van het “funverkeer” in de Limburgse heuvels en maakt samen met inwoners voorstellen voor een betere verkeersleefbaarheid. “Funverkeer” is volgens de stichting het verkeer dat van de Limburgse wegen in de heuvels gebruik maakt omwille van “het plezier van het rijden” (zoals groepen motorrijders, toertochten met antieke auto’s, etc.). Voor de bewonersenquête in 2025 van de bewonersstichting hebben 670 inwoners van Eijsden- Margraten een inbreng geleverd. Hieruit blijkt dat 68% van de deelnemers de verkeersleefbaarheid als ‘slecht tot zeer slecht’ ervaart (met name geluidsoverlast door “funverkeer”). De stichting voert ook geluidsmetingen en verkeerstellingen uit om de beleving van de geluidhinder te onderbouwen met data. Er hangen op meerdere plekken in de gemeente microfoons en camera’s bij inwoners. Op basis van de metingen komen er eind 2026 voorstellen voor vermindering van de verkeershinder, in nauwe samenspraak met de inwoners. Vervolgens kan de gemeente Eijsden- Margraten bepalen of en hoe de voorstellen uitgevoerd gaan worden. De bewonersstichting gaat binnen dit uitdaagrecht-initiatief tevens voorstellen doen voor het verkeersbeleid om de hinder van het “funverkeer” in de gemeente te verminderen: welk beleid kan de gemeente gaan voeren voor minder verkeershinder? Deze voorstellen worden voorgelegd aan inwoners en vervolgens aan de gemeente aangeboden. Locaties waar inwoners verkeershinder ervaren 13 3.4. Seringenpark Aalsmeer Wat in 2011 begon met het verzoek tot het terugplaatsen van bankjes, leidde tot een totale renovatie van het Seringenpark in de gemeente Aalsmeer en beheer door inwoners. “Sinds 2020 staat dankzij het uitdaagrecht een vakbekwaam hovenier aan het roer en bestaat een stabiele situatie bij het onderhoud van het park. De ‘Stichting Behoud Seringenpark Aalsmeer’ hoopt samen met hovenier en vrijwilligers het voortbestaan van het unieke gemeentelijk monument te waarborgen.”10 Het Seringenpark is in 1951 speciaal aangelegd om de vele variëteiten van seringen te tonen. Thans zijn er meer dan 130 variëteiten. Maar seringen vragen om een specifiek en deskundig onderhoud. Bewoners trokken daarom regelmatig aan de bel bij de gemeente. Eerst over de rommel en kapotte bankjes, later ook met zorg over het onderhoud van de seringenstruiken. Dit initiatief kent 3 fasen: ▪ Inwoners zetten zich in voor het park, omdat zij zich ergeren aan rommel en schade in het park. De gemeente wijst het park aan als gemeentelijk groenmonument. ▪ Uitdaagrecht in coproductie met de gemeente Aalsmeer: in 2020 dienen de bewoners een uitdaagrecht-verzoek in om de seringen en het park beter te gaan onderhouden. Het resultaat is een nieuwe vorm van samenwerking tussen gemeente en inwoners. De inwoners selecteren een geschikte hovenier en maken plannen voor verbetering van het park. De gemeente blijft formeel opdrachtgever van de hovenier en beheert het onderhoudsbudget. Jaarlijks controleert de gemeente het onderhoud van het park. ▪ De Stichting Behoud Seringenpark Aalsmeer is opgericht en dient een uitdaagrecht-voorstel in om het beheer van het park over te nemen van de gemeente, inclusief de financiën en de aansturing van de hovenier. Sindsdien voert de stichting het parkbeheer zelf uit. De gemeente controleert en stemt jaarlijks af met de stichting. In mei 2026 bestond het park 75 jaar. Burgemeester Oude Kotte van de gemeente Aalsmeer bij de jubileumbijeenkomst: "Het uitdaagrecht is zelden zo goed tot zijn recht gekomen als in het Seringenpark." De burgemeester ontving van de inwoners een nieuwe Seringen variant, die ook is geplaatst in het park: de “Burgemeester Oude Kotte sering”. Het Kennisnetwerk participatie en uitdaagrecht heeft de gemeente Aalsmeer en de bewoners ondersteund tijdens de diverse fasen van dit uitdaagrecht-initiatief. 10 https://seringenpark-aalsmeer.nl/over-ons-copy/ 14 3.5. Uitdaagrecht in dorpen en wijken De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland besluit om medewerking te verlenen aan de uitvoering Uitdaagrecht wordt ook regelmatig ingezet om de plannen te maken voor de toekomstige inrichting van het Dorpsplan Sirjansland van de inwoners en stelt hiervoor budgetten ter beschikking.11 Stap- van een dorp of een wijk. Zoals in Rotterdam voor vergroening van een straat van meer dan 1 kilometer lengte en bij het doorontwikkelen van wijken in Groningen. Of bij dorpen en voor-stap wordt het Dorpsplan uitgevoerd. (zie ook www.uitdaagrecht.nl/nieuws “NOS filmt initiatieven met het uitdaagrecht” over het Dorpsplan van Sirjansland). bedrijventerreinen in Zeeland. In de gemeente Schouwen-Duiveland worden voor de diverse dorpen plannen gemaakt voor de De Rekenkamer van Schouwen-Duiveland heeft het uitdaagrecht onderzocht en concludeert12: toekomst: hoe kan ieder dorp zich ontwikkelen en inspelen op nieuwe mogelijkheden? De inwoners van Sirjansland gebruiken het uitdaagrecht om hun eigen dorpsplan te maken: “Met de komst van het ▪ Binnen de samenleving is interesse om taken over te nemen van de gemeente. In het kader “uitdaagrecht” ontstaat de mogelijkheid voor de bewoners van Sirjansland om zelf het dorpsplan op van het uitdaagrecht zijn verschillende initiatieven ontwikkeld en uitgevoerd. te gaan stellen. Dit, en het verbeteren van de openbare ruimte, wordt in juni 2019 door de gemeente ▪ De experimenten uitdaagrecht zijn geëvalueerd en besproken in de gemeenteraad. De toegekend.” Centrale vraag in dit uitdaagrecht-initiatief: hoe zien de inwoners het dorp voor zich in conclusie van de Rekenkamer is dat de ervaringen en resultaten van de experimenten 2040? positief zijn, voor initiatiefnemers en gemeente, en dat de gemeente het uitdaagrecht Na de honorering van het uitdaagrecht hebben inwoners budget gekregen om zelf de volgende mogelijk maakt voor alle inwoners. activiteiten uit te voeren: ▪ Een inwonersenquête over de toekomst van het dorp. Ervaringen met het uitdaagrecht in Schouwen-Duiveland ▪ Opstellen van een SWOT-analyse. ▪ Inloopavonden organiseren over “wonen en werken, “openbare ruimte”, “energie” en “leefbaarheid”. ▪ Opstellen van het conceptdorpsplan. ▪ Huis-aan-huis verspreiden van het conceptplan om alle inwoners de gelegenheid te geven hun inbreng te leveren. ▪ Het definitieve dorpsplan aanbieden aan de gemeente met als belangrijkste thema’s: o (Duurzame) bedrijvigheid. o Behoud en ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen, o.a. dorpshuis en het ontwikkelen van een sociaal hulpnetwerk. o Wonen voor diverse doelgroepen, m.n. jongeren moeten een kans hebben om in het dorp te (blijven) wonen. o Inrichting van de openbare ruimte met meer groen en aanpassingen van de wegen. o Duurzame energieopwekking. o Ontwikkeling van de natuur in en rondom het dorp. 11 Gemeente Schouwen-Duiveland, Uitvoering Dorpsplan Sirjansland, zaaknummer 454959, 3 12 Rekenkamer Schouwen-Duiveland, Schouwen-Duiveland dat zijn we samen, 2022 augustus 2021 15 3.6. Uitdaagrecht en samenwerking tussen overheden Uitdaagrecht-initiatieven vragen soms om afstemming en samenwerking tussen initiatiefnemers en N2000 gebieden en gewenst ecologisch verbindingennetwerk bij Emmen diverse overheden. Zoals in Zuidoost Drenthe in de omgeving van Emmen. De Natuurwerkgroep Oranjedorp wil de ecologische kwaliteit van de openbare ruimte verbeteren en daagt de gemeente Emmen uit: hoe kan de ecologische kwaliteit in de komende jaren verbeterd worden, in nauwe samenwerking tussen inwoners, agrariërs en de betrokken overheden? De Natuurwerkgroep Oranjedorp wil met zowel de gemeente Emmen, de provincie Drenthe als het waterschap Vechtstromen concrete afspraken maken hoe er effectief samengewerkt kan worden aan het vergroten van biodiversiteit in Oranjedorp e.o.. Het uitdaagrecht biedt de mogelijkheid om samen met inwoners, agrariërs en de overheden een meerjarig beheerplan te maken. Het beheerplan bestaat diverse onderdelen: ▪ Analyse van het landschap. ▪ Inventarisatie van knelpunten en kansen voor ecologisch beheer. ▪ Streefbeelden en beheerpakketten voor het openbaar groen. ▪ Afstemming en samenwerking tussen inwoners, agrariërs en overheden. ▪ De financiële en organisatorische gevolgen voor de periode t/m 2040. De Natuurwerkgroep Oranjedorp krijgt met deze werkwijze medezeggenschap in het beheer van het Wensen en ideeën van inwoners en agrariërs (2024) openbaar groen. Om de ecologische verbeteringen te realiseren, gaan betrokkenen uit van een samenwerking van minimaal vijf jaren voor ecologisch groenbeheer in en rondom het dorp. Naast het beheer van de openbare ruimte willen de initiatiefnemers ook gaan werken aan verbeteringen van de ecologische verbindingen tussen verschillende, versnipperende natuurgebieden, zoals natuurgebied Bargerveen en natuurgebieden rondom Emmen. Voor het beheerplan zijn inwoners en agrariërs meermalen geconsulteerd door de Natuurwerkgroep en hebben hun inbreng kunnen leveren op de conceptplannen. Ook zijn Landschapsbeheer Drenthe en Agrarisch Natuur Drenthe betrokken. De definitieve besluitvorming is nog niet afgerond bij de overheden. 16 4. Ontwikkelkansen voor het uitdaagrecht Uit de ervaringen met het uitdaagrecht blijkt dat inwoners op zeer verschillende manieren gebruik ▪ Ambtelijke organisatie maken van het uitdaagrecht. Elk uitdaagrecht-initiatief kent een eigen aanpak. Toch kunnen er een aantal gemeenschappelijke ontwikkelkansen uit de ervaringen met het uitdaagrecht worden 4. Denk vanuit kansen en mogelijkheden onderscheiden voor het bestuur, voor de ambtelijke organisatie en voor het uitdaagrecht in het Een uitdaagrecht-initiatief is vaak een nieuw idee, vraagt om enig maatwerk en om afstemming en samenwerking tussen initiatiefnemers en ambtelijke bureaucratie. Het is algemeen. van belang om dan steeds te denken vanuit mogelijkheden en kansen, in plaats van belemmeringen en regeltjes, zoals: ▪ Bestuur o Er komt een uitdaagrecht-initiatief, maar het werk is al aanbesteed? Kunnen we het gesprek organiseren tussen initiatiefnemers en uitvoerders, om te zien wat er dan nog wél mogelijk is om de ideeën van de inwoners te realiseren? En 1. Kaders stellen kunnen we hierover afspraken maken? Het bestuur dient helder aan te geven welke taken kunnen worden uitgedaagd? De wetgever laat hiervoor voldoende ruimte aan de decentrale overheden. Het heeft de o De kosten van een uitdaagrecht-initiatief zijn hoger dan de Europese drempelwaarde van overheidsopdrachten? Wat zijn de mogelijkheden van voorkeur om ruimte te bieden aan zoveel mogelijk taken die kunnen worden uitgedaagd. maatschappelijk aanbesteden of een aanbestedingstraject waarbij toch de Immers: het is van tevoren niet te bepalen waar inwoners wel of niet gebruik willen maken ambities van de initiatiefnemers worden gerealiseerd? 14 van het uitdaagrecht. De kaders van het uitdaagrecht kunnen worden vastgelegd in een beleidsnota uitdaagrecht en moeten eind 2026 juridisch worden verankerd in de De praktijkvoorbeelden van het uitdaagrecht leren dat er meer mogelijk is dan vooraf vaak participatieverordening. wordt gedacht. Denken en werken vanuit kansen en mogelijkheden is dan essentieel en dat De praktijk leert dat colleges van B&W en Gemeenteraden goed geïnformeerd moeten vraagt ruimte, creativiteit en meedenken van een ambtelijke bureaucratie. worden over wat het uitdaagrecht is, de praktijkervaringen en wat hun rol is voor een goede besluitvorming over uitdaagrecht-initiatieven. 5. Afdelingen informeren Het is van belang om diverse afdelingen van een overheidsorganisatie goed te informeren 2.Overnemen of in samenwerking uitvoeren over de mogelijkheden van het uitdaagrecht. Een goede informatievoorziening helpt om Een uitdaagrecht-initiatief blijkt in de praktijk niet uitsluitend te gaan over het “feitelijk uitdaagrecht-initiatieven te gaan herkennen en adequaat af te handelen. Bij de overnemen van een overheidstaak”. Een uitdaagrecht-initiatief leidt regelmatig tot een informatievoorziening gaat het om: nieuwe vorm van samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke partijen en de overheid. Beide varianten van het uitdaagrecht dienen opgenomen te worden in de o Herkennen wat een potentieel uitdaagrecht-initiatief is. participatieverordening (conform de wet), maar ook worden gecommuniceerd binnen de o Te bespreken dat het uitdaagrecht in de praktijk kan leiden tot een andere rol van ambtenaren (niet zelf uitvoeren, maar coachen en begeleiden) overheid en met geïnteresseerden in de samenleving. o Met betrokken ambtenaren te bespreken wat de meerwaarde van een uitdaagrecht-initiatief voor de samenleving kan zijn vanuit een houding van “Ja, 3. Uitdaagrecht monitoren …. mits…”. Het bestuur kan een rol krijgen in de regelmatige monitoring van de uitvoering van het uitdaagrecht: wordt er gebruik gemaakt van het uitdaagrecht, hoe vindt de communicatie o Hoe om te gaan met (inkoop- en aanbestedings-)regels bij de uitvoering van een uitdaagrecht-initiatief. plaats met de samenleving over dit recht, wat zijn de (maatschappelijke) resultaten en de doorontwikkeling van het uitdaagrecht?13 Als ambtenaren bekend zijn met het uitdaagrecht, versnelt dit de bespreking, beoordeling en afhandeling van uitdaagrecht-initiatieven en verbetert dit de integrale samenwerking binnen een gemeente. 13 Zie bijvoorbeeld de toezegging aan de Gemeenteraad van Rotterdam om uitdaagrecht “duidelijker 14 Zie Juridisch leaflet Maatschappelijk Aanbesteden, Ministerie van BZK, 2015. En: Handreiking en vollediger” te laten terugkomen in de P&C cyclus, Gemeente Rotterdam, Commissie Zorg en Burgerinitiatieven en het aanbestedingsrecht, Programma Democratie in Actie Cultuur, 11 september 2025 17 6. Procedure ▪ Algemeen Met betrokkenen uit de ambtelijke organisatie is het van belang te werken aan een transparante procedure voor het bespreken, indienen, beoordelen en afhandelen van een 8. Communicatie uitdaagrecht-initiatief. Deze kan aansluiten op al lopende procedures voor de afhandeling Continu communicatie vanuit overheden met de samenleving over het uitdaagrecht is van andere inwonersinitiatieven. noodzakelijk. Het uitdaagrecht is immers een nieuw en een vaak nog onbekend instrument voor geïnteresseerden uit de samenleving. De praktijk in de afgelopen jaren leert dat 7. Lerende organisatie communicatie nog onregelmatig gebeurt. Ook is het uitdaagrecht niet makkelijk terug te Voor het opdoen van ervaring met het uitdaagrecht is tijd nodig en regelmatige evaluatie of vinden op overheidswebsites, zo is de ervaring bij initiatiefnemers. de beoogde werkwijze bij uitdaagrecht-initiatieven in de praktijk ook werkt. Minimale communicatie is: Het is daarom van belang om betrokken medewerkers de ruimte bieden samen te leren o Op de website aangeven wat het uitdaagrecht is, waar meer informatie met de initiatiefnemers, om op basis van de praktijkervaringen het uitdaagrecht verder te gekregen kan worden en hoe initiatieven kunnen worden ingediend. ontwikkelen. o In lokale media regelmatig aandacht besteden aan uitdaagrecht (en aan andere participatiemogelijkheden). o De voortgang van uitdaagrecht-initiatieven te communiceren, zowel naar betrokkenen uit de samenleving als naar ambtenaren en bestuurders van overheden. o Successen en leerpunten uitdragen, mede als inspiratie voor inwoners en maatschappelijke organisaties. 9. Maatschappelijk draagvlak En tenslotte het punt van het draagvlak bij inwoners en andere belanghebbenden: heeft een initiatief voldoende steun van omwonenden / belanghebbenden? Per aanvraag is het gewenst na te gaan of er enige mate van draagvlak is. Dat kunnen initiatiefnemers zelf doen, maar ook de overheid kan nagaan of er maatschappelijke steun is door in de lokale media bekend te maken dat er een voorstel voor een uitdaagrecht-initiatief is binnengekomen en inwoners de kans te geven hierop te reageren. 18 Aan Raadsfractie CDA Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 15 september 2026 2026-066937 H.Scholten 0512 - 581 234 Onderwerp Bestrijding waterplanten Drachtstervaart Geachte CDA-fractie, Op 18 augustus heeft u schriftelijke vragen gesteld over de bestrijding van de waterplanten in de Drachtstervaart. Via deze brief beantwoorden wij uw vragen. Inleiding In het water in de wijk Drachtstervaart groeien waterplanten, waaronder de invasieve exoot de Waterwaaier. Dit is een waterplant die heel snel groeit en problemen veroorzaakt. Boten kunnen vastlopen in de planten en zwemmers hebben last van de lange slierten. Daarom is het belangrijk om deze plant te verwijderen. Het eigendom van het water is verdeeld; deels gemeente, deels particulier. Het meest effectief is de waterplant over het gehele water te verwijderen, zowel de gemeente als de particulieren. In deze wijk is een bewonersgroep actief die zich wil inzetten om het particuliere waterdeel gezamenlijk te schonen. Over dit alles is een bewonersbrief geschreven. Vragen en antwoorden Gebiedsbrede aanpak en verantwoordelijkheid 1. Hoe zorgt de gemeente ervoor dat de waterwaaier in de gehele Drachtstervaart wordt bestreden, ook op delen waar bewoners niet willen of kunnen deelnemen? Of waar de hakkelmachine niet bij kan, hoe zit dat? Antwoord: Door als gemeente samen te werken met een werkgroep, bestaande uit particulieren, die actief is om de planten in het particuliere deel te bestrijden. De gemeente pakt dat deel aan waar zij verantwoordelijke voor is en de particulieren waar zij verantwoordelijk voor zijn. Waar de harkboot geen bereik heeft zal er een andere methode worden gekozen, bijvoorbeeld een graafmachine of handmatig. Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-066937 15 september 2026 Bladnr. 2 2. Er wordt in de communicatie alleen gesproken over de waterwaaier terwijl ook andere soorten zijn aangetroffen, is dat bekend en wordt dat meegenomen in de aanpak? Antwoord: Het gaat om het schonen van de vaarweg, dus alle planten. De waterwaaier is genoemd omdat het een exoot is en een woekeraar is. 3. Wie draagt hierin uiteindelijk de verantwoordelijkheid? Samenwerking en afspraken Antwoord: Er is een sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. Zie ook het antwoord op vraag 1. Door samen te werken pakken we gezamenlijk het probleem aan. 4. Welke concrete afspraken zijn gemaakt met Wetterskip Fryslân en eventuele andere betrokken partijen over de bestrijding van de waterwaaier en de verdeling van verantwoordelijkheden? Antwoord: Het waterschap gaat over de waterkwaliteit en beheert primaire watergangen. De Drachtstervaart is geen primaire watergang en de waterkwaliteit wordt niet beïnvloed door deze planten. De Drachtstervaart is een vaarweg in eigendom van de gemeente en daarom ook in beheer bij de gemeente. Onderbouwing van de gekozen aanpak 5. Waarom kiest de gemeente ervoor om bewoners actief te stimuleren de waterwaaier zelf handmatig te verwijderen? Antwoord: Omdat ze deels eigenaar zijn van het water. 6. Hoe wordt voorkomen dat het handmatig verwijderen door bewoners juist leidt tot verdere verspreiding van de waterwaaier, bijvoorbeeld doordat plantdelen in het water terechtkomen? Antwoord: Het is aan de bewoners zelf om te voorkomen dat verspreiding optreedt. Er komt nog een infobulletin en het plan is om een informatiebijeenkomst te plannen. Op deze wijze worden de betrokken particulieren geïnformeerd hoe een en ander aan te pakken. 7. Op welke deskundige advisering, ecologische kennis of onderzoek is deze aanpak gebaseerd? Antwoord: Op basis van ervaring met bestrijding van exoten en kennis binnen de gemeentelijke organisatie. Langjarige aanpak en monitoring 8. Een invasieve waterplant is naar verwachting niet na één jaar verdwenen. Welke meerjarige aanpak en monitoring hanteert de gemeente om de ontwikkeling van de waterwaaier te volgen, hergroei tijdig te signaleren en ervoor te zorgen dat de plant niet opnieuw de overhand krijgt? GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-066937 15 september 2026 Bladnr. 3 Antwoord: De herkenning gaat visueel. Daar waar nu exoten zijn wordt dat bij aanvang van het groeiseizoen in het voorjaar gemonitord. Door de samenwerking met de werkgroep benutten we ook de signalering door de inwoners. Wij vertrouwen erop u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg Fred Veenstra Aan de fractie van de ChristenUnie T.a.v. dhr. Van der Wijk Drachten, Ons kenmerk Uw kenmerk Behandeld door 15 september 2026 2026-063765 Wietze Jans 0512 - 581 234 Onderwerp Schriftelijke vragen ambities Visie Waterfront Drachten Geachte heer Van der Wijk, Op 19 augustus heeft uw fractie schriftelijke vragen gesteld over de ambities genoemd in de Visie Waterfront in relatie tot de Gebiedsaanpak Oostelijke Poort Friese Meren. U reageert daarmee op de Stand van zaken Gebiedsaanpak Oostelijke Poort Friese Meren die het college in april aan de raad heeft gestuurd. Allereerst spreekt de fractie van ChristenUnie haar waardering uit voor de stappen die de afgelopen jaren zijn gezet bij de ontwikkeling van het Waterfront Drachten. Tegelijkertijd constateert u dat een aantal ambities uit de Visie Waterfront Drachten (vastgesteld in januari 2017) in het aan de raad toegezonden overzicht niet expliciet worden genoemd. Dit roept bij uw fractie de vraag op hoe deze oorspronkelijke ambities tegenwoordig worden geduid. Met name de punten 1.8 (verdiepen vaarwater buiten de vaargeul) en 1.9 (onderzoek toekomstige waterontwikkeling en de mogelijkheid van een groot meer ten westen van de zandwinplas) vallen u daarbij op. Via deze brief gaan wij in op uw vragen. 1. Kan het college aangeven welke ambities uit de visie van 2016 niet meer onderdeel zijn van de huidige Gebiedsaanpak en waarom deze niet meer worden genoemd? De Visie Waterfront Drachten die de raad op 24 januari 2017 heeft vastgesteld draagt bouwstenen aan waarmee het Waterfront Drachten over een langere periode (tot ca. 2040) inhoud en vorm kan krijgen. De visie vormt daarmee een stip op de horizon met een uitvoeringsstrategie met bouwstenen. Omdat de beschikbare middelen niet voldoende waren om alle ambities uit de visie te financieren heeft het college destijds de raad voorgesteld vooreerst in te zetten op de projecten (indicatief bestaande uit meerdere bouwstenen), die de ruggengraat van het Waterfront gaan vormen.  Waterfront Buitenstvallaat/Gaastereiland en meer vaarwater (bouwstenen 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 1.8);  Hoogwaardige Parkhaven bij de Piip (bouwstenen 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 4.12, 4.13, 4.15); en,  Fiets-veerpontverbinding Drachten-West met beleefpunten (bouwsteen 1.10). Correspondentie-adres: Gauke Boelensstraat 2 E-mail [email protected] Postbus 10.000 9 2 0 3 R M D r a c h t e n Internet www.smallingerland.nl 9200 HA Drachten T e l e f o o n ( 0 5 1 2 ) 5 8 1 2 3 4 GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-063765 Datum 26 augustus 2026 Bladnr. 2  Overig (bouwstenen 6.1, 6.2) Dit zijn dan ook de projecten (en dat geldt ook voor de meeste bouwstenen die hieraan gekoppeld zijn), waarin de afgelopen jaren (de door u genoemde stappen) zijn gezet en waarop het college de stand van zaken heeft beschreven. 2. Betekent het niet meer noemen van een ambitie dat deze is vervallen, of kunnen dergelijke ambities nog steeds onderdeel zijn van het langetermijnperspectief? De Visie Waterfront Drachten met daarin opgenomen ambities blijft wat ons betreft een stip op de horizon voor de lange termijn. De mogelijkheid om uitvoering te geven aan de ambities hangt mede af van de beschikbaarheid van middelen, prioritering en de (koppel)kansen die zich voor doen. 3. Ten aanzien van 1.8, het verdiepen buiten de vaargeul: Is deze ambitie nog actueel? Zo nee, wanneer en op basis van welke afweging is besloten deze niet langer na te streven? En is deze ambitie mogelijk onderdeel geworden van een ander traject, bijvoorbeeld Vaarweg Drachten? Uitvoering van deze ambitie vormt in de basis geen onderdeel van de projecten waaraan destijds rechtstreeks financiële middelen zijn verbonden. Inderdaad is deze ambitie destijds gekoppeld aan het project Vaarweg Drachten met als inzet om een gebiedsontwikkeling te verbinden aan een nieuwe of verruimde beroepsvaarweg naar Drachten. In september 2022 hebben Provinciale Staten van Fryslân besloten om geen nieuwe, bredere en diepere beroepsvaarweg naar Drachten aan te leggen. Na besluitvorming in Provinciale Staten is aan deze ambitie verder (nog) geen gevolg gegeven. Momenteel wordt gewerkt aan de realisatie van het Meer van Oudega en het verbreden van de smalle vaardoorgang in de Nije Mûntsegroppe ter hoogte van de Oksekop. Daarbij wordt het vaarwater in de omgeving van Drachten en Oudega vergroot en verruimd. Voor het verder verdiepen en in standhouden van de diepgang van het recreatieve vaarwater buiten de vaargeul is het wellicht in de toekomst mogelijk een koppeling te leggen met het benodigde periodiek onderhoud aan de beroepsvaarweg. De ambitie is daarmee niet van tafel, maar afhankelijk van koppelkansen die zich de komende jaren voordoen en uiteraard de beschikbaarheid van middelen. 4. Ten aanzien van punt 1.9, de toekomstige waterontwikkeling ten westen van de zandwinplas: a. Beschouwt het college het realiseren van vaarwater ten westen van de zandwinplas en de mogelijkheid van een groot meer bij Drachten nog als een mogelijke ontwikkeling op langere termijn? b. Zijn hierover de afgelopen jaren gesprekken gevoerd met private partijen, grondeigenaren of andere initiatiefnemers? c. Zijn er private initiatieven geweest of zijn deze momenteel nog in beeld? d. Zo nee, is het college bekend waarom dit initiatief niet verder van de grond is gekomen? e. Zo ja, wat is de huidige stand van zaken? Deze ambitie c.q. bouwsteen maakte destijds geen deel uit van de ruggengraatprojecten. Het college heeft daar tot op heden dan ook geen actieve inzet op gepleegd. Evenmin hebben zich de afgelopen jaren private initiatiefnemers gemeld of zijn er gesprekken gevoerd om de bouwsteen verder concreet uit te werken. Wel hebben de lokale belangenbehartigers van de watersport en het skûtsjesilen diverse malen (onder meer) via de media de aandacht gevestigd op het belang van het verder uitwerken van deze bouwsteen. Ook voor GEMEENTE SMALLINGERLAND Ons kenmerk 2026-063765 Datum 26 augustus 2026 Bladnr. 3 deze bouwsteen gold dat een koppeling met het project Vaarweg Drachten voor de hand lag. 5. Indien deze ambitie nog niet is onderzocht of definitief van tafel is: ziet het college aanleiding om de mogelijkheden voor toekomstige waterontwikkeling opnieuw te verkennen, mede in het licht van Drachten als oostelijke poort naar de Friese Meren? Het college ziet op dit moment geen aanleiding om de realisatie van een meer ten westen van de zandwinplas actief te onderzoeken. We sluiten echter ook niet uit, dat zich op termijn ontwikkelingen kunnen voordoen die een onderzoek op de agenda zetten. Wel zien wij redenen om de komende periode in lijn met de Visie Waterfront (2017), het Ontwerp-Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief Smallingerland (ROP, 2025) en het Gebiedsprogramma De Haven een ontwikkelkader op te stellen voor het Djippe Gat en omgeving met het oog op de vele ruimteclaims (water- en oeverrecreatie, industrie, beroeps- en pleziervaart en natuur) die hier spelen. Met een masterplan c.q. ontwikkelkader kan actief worden gestuurd op de eindafwerking van de zandwinning naar een goede eindinrichting, die recht doet aan de verschillende belangen en koppelkansen in beeld brengt. Wij hebben de raad in onze brief van 21 april dit jaar voorgesteld een dergelijk ontwikkelplan voor te bereiden en daarbij ook de mogelijke ontwikkeling van een horecafunctie aan het water te onderzoeken. 6. Is het college bereid om bij een volgende actualisatie van de Gebiedsaanpak inzichtelijk te maken welke oorspronkelijke ambities zijn gerealiseerd, in uitvoering zijn, als langetermijnperspectief behouden blijven of zijn vervallen? Uiteraard is het college hiertoe bereid. Dit is zeker ook een manier om de ambities voor Oostelijke Poort Friese Meren en het Waterfront van Drachten in beeld te houden en mogelijke koppelkansen aan te grijpen en aan de raad voor te leggen wanneer deze zich voordoen. Wij vertrouwen erop u met deze brief voldoende geïnformeerd te hebben. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders, secretaris burgemeester Siebren van der Berg Fred Veenstra Onderwerp: Volt oproep: kies voor eerlijke verdeling van partijsubsidies 2026-069419 Bijlage: Volt oproep_kies voor eerlijke verdeling van partijsubsidies.pdf Van: [email protected] <[email protected]> Verzonden: dinsdag 15 september 2026 16:42 Aan: Servicecentrum <[email protected]> Onderwerp: Volt oproep: kies voor eerlijke verdeling van partijsubsidies U ontvangt niet vaak e-mail van [email protected]. Ontdek waarom dit belangrijk is Beste gemeenteraad en college van Gemeente Smallingerland, Via deze weg, wil Volt onder uw aandacht brengen dat u de ‘VNG model subsidie regeling decentrale politieke partijen’ op een eerlijkere manier kan inregelen voor ook uw raad. Namelijk door artikel 7 aan te passen en de subsidie eerlijk (= gelijk) te verdelen onder de aanwezige gekozen partijen in uw raad i.p.v. naar rato zetels per partij. Misschien deed uw college dat al? Maar als u het er nog met elkaar over moet hebben: bijgesloten document bevat alle informatie die u nodig heeft. We horen graag retour of uw college ons voorstel overneemt, zodat we de wens tot deze aanpassing ook met zoveel mogelijk decentrale partijen aan Den Haag duidelijk kunnen maken voor als ze in januari 2028 beslissen over het vervolg voor ons. Hartelijke groet, Elsbeth Westerman Volt raadslid Zeist Oproep: kies voor eerlijke verdeling van partijsubsidie Beste Colleges, Raden en Provinciale Staten, Dit document gaat over de verdeling van €5,45 miljoen subsidie aan alle decentrale politieke partijen in Nederland. Het doel van die regeling is een gelijk speelveld ("level playing field") voor de organisatie van gekozen politieke partijen. Daarom pleit Volt ervoor dat gemeenten en provincies de subsidie gelijk per partij verdelen, en niet naar rato van het aantal zetels. Sinds de VNG voor de zomer haar modelregeling verspreidde, zet Volt zich in om artikel 7 aan te passen. In onder meer Soest is al gekozen voor een gelijke verdeling per partij. Ook elders waar Volt actief is, wordt komend tijd gekeken naar aanpassing van het model. Maar in uw raad is het artikel 7 misschien nog niet besproken? In de mailwisseling hieronder tussen Volt Zeist en de VNG vindt u alle informatie die u nodig heeft. Wij roepen alle raden en colleges op om hetzelfde te doen als Volt: kies voor een eerlijke level- playing field verdeling. Laat het ons weten als uw college ook kiest voor de gelijke verdeling. Hoe meer gemeenten en provincies daarvoor kiezen, hoe sterker het signaal richting kabinet en Tweede Kamer inzake de verdere uitwerking Wet Politieke Partijen (Wpp), voorzien voor januari 2028. Succes met het inregelen van de eerlijke verdeling voor ook uw raad! Hartelijke groet, Elsbeth Westerman Volt raadslid Zeist Het betre(cid:431)ende VNG model is te vinden op: https://vng.nl/brieven/model-subsidieregeling-decentrale-politieke-partijen Van: Informatiecentrum VNG <[email protected]> Verzonden: Wednesday, 01 July 2026 21:01:32 Aan: Westerman, Elsbeth <[email protected]> Onderwerp: Antwoord op uw vraag met registratienummer VR-26-02641 Beste Elsbeth Westerman, U heeft het volgende gevraagd: Ik benader u n.a.v. artikel 7 van de VNG-modelsubsidieregeling voor decentrale politieke partijen.Bij bestudering van artikel 7 viel ons op dat wordt voorgesteld om de subsidie te verdelen op basis van het aantal zetels per partij. Dit roept bij ons de vraag op of deze verdeelsleutel wel aansluit bij het doel van de regeling. De subsidie is immers bedoeld ter ondersteuning van lokale politieke partijen als organisatie, en niet van de fracties, waarvoor al een afzonderlijke regeling voor fractieondersteuning bestaat. Graag gaan wij met u in gesprek over de mogelijkheden die de VNG ziet om dit recht te zetten. Het is onduidelijk hoeveel spoed daarbij nodig is en we hopen dat u daarom ook kan helpen om inzicht te krijgen in het vervolg van dit model en de door ons beoogde wijziging. De laatst mogelijk vergadering voor het reces is voor de meeste raden rond 8 juli. Zou u ons voor die tijd nog kunnen informeren/in gesprek kunnen? Dan kunnen wij onze raden verder inlichten. Een verdeling op basis van zetelaantal lijkt de bestaande verschillen tussen grote en kleine partijen juist te versterken, terwijl een gelijke bijdrage per gekozen partij beter aansluit bij het uitgangspunt van een gelijk speelveld. Wij vermoeden dat voor deze verdeelsleutel is gekozen in lijn met de landelijke systematiek. Echter, ook op landelijk niveau is deze systematiek discutabel en aan herziening toe. Dat vormt wat ons betreft daarom geen overtuigend argument om deze aanpak lokaal over te nemen. Wij pleiten er juist voor om het lokaal direct wel goed te regelen. De subsidie kan en zou anders verdeeld moeten worden, namelijk uitgaande van het principe dat elke politieke partijorganisatie een gelijke basisfinanciering nodig heeft. Daarbij bestaat geen logische relatie met het aantal zetels. Voor zover die relatie er al zou zijn, is deze subsidie daar nadrukkelijk niet voor bedoeld, zoals ook helder blijkt uit de begeleidende VNG-brief bij dit model.Een kleinere partij heeft bovendien niet per definitie een kleinere behoefte aan middelen voor bijvoorbeeld campagne. Integendeel, kleinere partijen hebben vaak juist meer financiële ondersteuning nodig om zichtbaarheid en bekendheid te vergroten en hun positie te versterken. De voorgestelde verdeelsleutel vergroot de achterstand van kleinere partijen ten opzichte van grotere partijen. Met Rijksmiddelen worden zo de bestaande verschillen, gebaseerd op de zetelverdeling op een bepaald moment, voor meerdere jaren verder uitvergroot. Nogmaals: deze subsidie is bedoeld ter ondersteuning van partijorganisaties, niet van fracties. Een onderscheid op basis van zetelaantal past daar niet bij. In onze optiek is de huidige verdeling daarom onwenselijk. Deze doet geen recht aan het doel van de regeling en kan bovendien de toch al kwetsbare balans in het lokale politieke speelveld verder verstoren. In plaats van verbetering, dreigt juist een toename van de ongelijkheid, waarvan met name grotere partijen profiteren.Wij stellen daarom voor de subsidie te verdelen op basis van het aantal gekozen partijen. Dit is eenvoudig, transparant en sluit beter aan bij democratische uitgangspunten. Graag gaan wij dus met u in gesprek over de mogelijkheden die de VNG ziet om wat nu in artikel 7 staat, recht te zetten. Hierbij een wijzigingsvoorstel om dat gesprek op gang te brengen: (dik gedrukt = nieuwe tekst artikel 7, schuin = onze toelichting) "Artikel 7. Subsidiebedrag 1. De hoogte van de subsidie die aan een decentrale politieke partij wordt toegekend, is afhankelijk van het aantal partijen dat gekozen is in de raad bij de laatstgehouden verkiezing van de decentrale politieke partijen in die gemeente. 2. [helemaal anders:] Volgen na de verkiezingen afsplitsingen, in de zin artikel X van boek Y van het Burgerlijk wetboek, dan geldt in volgende subsidiejaren een onder de aparte delen evenredig te verdelen bedrag van de oorspronkelijk verkiesbaar gestelde partij. Voor de subsidie uitbetaling gelden zij nog steeds als 1 partij. [afsplitsen moet niet opeens gaan lonen... of andere partijen benadelen...] 3. Als een decentrale politieke partij als bedoeld in het eerste lid fuseert in de zin artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de nieuw ontstane partij als 1 partij gerekend en wordt het bedrag voor alle partijen hoger in volgende subsidiejaren. [je deelt door minder partijen na fusering. Iedereen profiteert dus van de e(cid:431)iciëntie-slag. Voor henzelf is de organisatie vermindert + het voorkomt ook nog eens een loophole waarbij "later fuseren" aantrekkelijk zou zijn...] 4. De subsidie bedraagt per partij € [kies totaalbedrag voor jouw gemeente] te delen door het totaal aantal partijen in de raad met in acht name van lid 1, 2 en 3 voor de in artikel 6 genoemde periode van één jaar." Antwoord: Ik kan u heel goed volgen als u aangeeft dat u de manier waarop het geld wordt verdeeld (aan de hand van de zetels) niet juist vindt. We hebben bij deze regeling inderdaad aangesloten bij de toekomstige Wet op de politieke partijen (en eigenlijk zoals u ook opmerkt ook bij de huidige Wet financiering politieke partijen waar ook het aantal zetels bepalend is). En inderdaad het is zeker geen fractie ondersteuning het is bestemd voor de partij organisatie. En is dat zo verschillend voor partijen die groot zijn met partijen die kleiner zijn. We hebben aangesloten bij de Wpp deels ook omdat dit in het amendement van JA21 en CDA stond. Verder had ik zelf oorspronkelijk het idee om het totale subsidiebedrag (5,45 miljoen) te delen door het aantal raadszetels in Nederland. Dat heeft het ministerie van BZK verhinderd doordat het geld via de verdeelsleutel van het aantal inwoners aan gemeenten is toebedeelt. De ene gemeente krijgt nu gewoon minder geld dan de andere gemeente. Een VNG model wordt besproken met onze leden. Dat gebeurt via onze commissies (voor die commissies zoeken we weer leden, dat gebeurt altijd na de raadsverkiezingen, kijk vooral even op de site van de VNG als u structureel wilt meepraten met inhoudelijke keuzes die de VNG maakt, Volt lijkt me een mooie aanwinst voor onze commissies die een balans moet zijn van alle politieke stromingen). In de commissie Raadsleden en Gri(cid:431)iers en in de commissie Bestuur en Veiligheid is deze regeling besproken. Daar was men wel akkoord met deze regeling maar daar is ook inhoudelijk gesproken wat de VNG vindt over de Wpp. Want die wet moet nog door de Tweede Kamer behandeld worden. Bij onze inbreng richting TK willen we als VNG kritisch zijn wat betreft de verdeling aan de hand van inwoneraantallen. En mogelijk ook wat betreft de hoogte van de subsidie. Dat zijn andere zaken dan wat u nu voorstelt, het totale budget delen door het aantal partijen dat in de raad zit. Eerlijk gezegd heb ik die variant nog niet gehoord of zelf bedacht en dus ook nog nooit over gesproken in onze commissies. Ik wil dit nog wel doen, nogmaals voor onze inbreng over de Wpp. Niet voor de modelregeling die nu bij alle gemeenten ligt. Die heeft een heel intern proces doorlopen en kan simpel gezegd alleen gewijzigd worden als er echte (juridische) fouten in zitten. Niet om inhoudelijke andere keuzes. En dat is ook niet nodig want het is een model. Een gemeente kan op punten afwijken (lokaal maatwerk). Op zich is dit een regeling die door het college wordt vastgesteld. Wel is de raad het hoogste orgaan in de gemeente en kan de raad altijd met de portefeuillehouder (ik kan me voorstellen dat dat de burgemeester is) in gesprek gaan om een richting of invulling aan te geven. Het ministerie heeft aangegeven deze regeling te willen monitoren. Plat gezegd is de minister bang dat gemeenten dit geld niet uitgeven aan de ondersteuning van de decentrale politieke partijen maar aan iets heel anders. Als in Zeist de verdeling niet is naar rato van het aantal raadszetels maar gelijk verdeeld wordt over alle partijen kan de minister niet ontevreden zijn. Immers de gemeente besteed het geld aan het juiste doel. Daarnaast geeft het een mooi signaal af voor de lobby voor de Wpp. Kortom. De wijziging die u wilt kunt u als de raad/het college dit wil in uw eigen gemeente doorvoeren. Ik zal er dan zeker voor zorgen dat Zeist betrokken wordt bij de monitor die BZK wil uitvoeren. Ik ben ook heel benieuwd of deze gedachte bij meer partijen leeft en we in de lobby over de Wpp dit signaal ook moeten meenemen. Misschien kunnen we hier op een later moment nog een keer over doorspreken. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten Werkdagen: www.vng.nl Aan de leden van de gemeenteraad Geachte raadsleden, U staat aan het begin van een nieuwe periode waarin u samen met inwoners richting geeft aan uw gemeente. Stem van Ouders behartigt de belangen van ouders en kinderen en wij vragen graag uw aandacht voor een onderwerp dat in coalitieakkoorden en beleid vaak onderbelicht blijft, terwijl het het fundament vormt van elke gemeenschap: gezinnen. Staat van Gezinnen In de Staat van Gezinnen1, die wij jaarlijks maken, blijkt duidelijk dat ouders behoefte hebben aan een gemeenschap, aan ondersteuning en ruimte om voor hun kinderen te zorgen. Ze uiten hun zorgen over wonen, buitenspelen, onderwijs en jeugdzorg. Ze hebben behoefte aan één casemanager, niet aan 23. Ze hebben behoefte aan een plek waar ze hun vraag makkelijk kunnen stellen. Ze hebben behoefte aan toegankelijke financiële ondersteuning, niet aan 40 verschillende loketten en regelingen. Ze hebben behoefte aan plekken waar hun kinderen kunnen spelen en hun jongeren kunnen chillen. De druk op gezinnen is hoog. U kunt hierin een verschil maken. Waarom investeren in gezinnen Hoe een gemeente omgaat met gezinnen, bepaalt hoe kinderen opgroeien. Het bepaalt hoe ouders zich staande houden en het bepaalt hoe leefbaar en sociaal samenhangend een wijk of dorp is. Investeren in gezinnen is daarmee investeren in de gemeente van morgen. Het is relatief goedkoop, het effect direct merkbaar en het voorkomt duurdere problemen verderop, bijvoorbeeld in de jeugdzorg of het onderwijs. Gezinsbeleid hoeft geen apart hoofdstuk te zijn. Het raakt wonen, ruimtelijke ordening, het sociaal domein en participatie tegelijk. Het verdient daarom een plek in de volle breedte van uw beleid. Wat wij u concreet vragen ● Richt een lokaal gezinspanel in. Laat ouders, kinderen en jongeren structureel meedenken over beleid dat hen raakt. Niet als eenmalige inspraakavond, maar als vaste gesprekspartner bij plannen rond onderwijs, spelen, wonen en voorzieningen. ● Maak buitenspeelbeleid. Zorg voor voldoende en veilige ruimte dichtbij om buiten te spelen en betrek dit expliciet bij de inrichting van straten, pleinen en groen. Een wipkip aan de rand van een parkeerplaats is geen speeltuin: investeer in echte, uitdagende plekken om te spelen, niet in het minimale wat de regels toestaan. ● Zorg voor een informatieboekje bij de aangifte van een kind. Het begin van het ouderschap is het moment waarop gezinnen het meest behoefte hebben aan overzicht: welke lokale voorzieningen, regelingen en ontmoetingsplekken zijn er? Een boekje bij de geboorteaangifte is een laagdrempelige, goedkope manier om gezinnen vanaf dag één wegwijs te maken. ● Zorg voor één loket waar ouders ondersteuning krijgen. Ouders met een vraag over geld of zorg lopen nu vaak van instantie naar instantie. Één herkenbaar loket voorkomt dat gezinnen tussen wal en schip vallen. 1 https://www.voorwerkendeouders.nl/staat-van-gezinnen-2026-2/ ● Geef ieder gezin één casemanager. Gezinnen die extra ondersteuning nodig hebben, krijgen nu soms te maken met tientallen verschillende hulpverleners en instanties tegelijk. Eén casemanager die deze ondersteuning coördineert, geeft rust en overzicht in plaats van weer een nieuw gezicht bij elke nieuwe vraag. ● Stop met vaste, ingekochte ondersteuningspakketten als enige antwoord. Vraag eerst waar een ouder daadwerkelijk behoefte aan heeft en durf buiten de lijntjes van het ingekochte aanbod te kleuren. Soms biedt bijvoorbeeld een eenvoudige praktische oplossing meer rust dan een duur, standaard ondersteuningstraject. ● Zorg voor lokale ontmoetingsplekken voor ouders. Een buurthuis, inloopochtend of ouder-kindpunt in de wijk helpt tegen eenzaamheid, biedt ruimte voor onderling contact en is vaak een plek waar een simpele (opvoed-)vraag beantwoord kan worden. ● Investeer in de pedagogische basis en laat die bij ouders beginnen. Breng lokale professionals rond kinderen, van jeugdgezondheidszorg en kinderopvang tot school en sport, structureel bij elkaar. Maar vergeet bij het bouwen van deze basis de ouders zelf niet: zij zijn het vertrekpunt van de pedagogische basis, niet alleen de professionals eromheen. Investeer daarbij in het bijzonder in de eerste 1.000 dagen van een kind samen met ouders, de periode waarin de basis voor de rest van het leven wordt gelegd. ● Denk bij wonen en nieuwe wijken vanaf het begin na over gezinnen. Scholen, kinderopvang, ruimte om buiten te spelen en ontmoetingsruimte horen vanaf de eerste tekening onderdeel te zijn van een nieuwbouwplan, niet een sluitpost die er later bij moet. Een wijk is pas gezinsvriendelijk als een kind er ook daadwerkelijk buiten kan spelen en ouders in de buurt terecht kunnen voor kinderopvang. Plant daarbij ook bomen: groen tegen de warmte maakt een wijk voor gezinnen prettiger en gezonder om buiten te zijn. Deze punten staan niet los van elkaar: samen vormen zij de bouwstenen van een breder, samenhangend gezinsbeleid, waarin wonen, spelen, ontmoeten en ondersteunen elkaar versterken in plaats van elkaar tegen te werken. Wat wij u vragen is geen eenmalige actie, maar een andere, meer vanzelfsprekende manier om als gemeente naar gezinnen te kijken. Het is een investering die zich niet morgen al terugbetaalt, maar die wel het begin is: het begin van een generatie kinderen die gezond, gezien en gesteund opgroeit in uw gemeente. Wij beseffen dat u aan het begin staat van een periode vol keuzes en dat de middelen niet onuitputtelijk zijn. Juist daarom denken wij graag met u mee: over de invulling van deze punten, over wat er lokaal al goed gaat en over waar de Stem van Ouders en kinderen het beleid kan versterken. Wij komen graag in gesprek. Met vriendelijke groet, Marjet Winsemius Stem van Ouders Aan de leden Datum 14 september 2026 Ons kenmerk U202600431 Lbr. 26/033 Telefoon 0703738393 Bijlage(n) - Onderwerp Eerste nazending ALV 30 september 2026 “Principe afspraken Samenwerkingsagenda met kabinet” Geachte leden van college en gemeenteraad, Op 2 september ontving u de ledenbrief “Uitnodiging ALV 30 september 2026” met de agenda en stukken voor de ALV. Daarbij kondigden we aan de bijlagen bij agendapunt 7. “VNG-inzet richting kabinet” in een nazending aan u voor te leggen. Bijgaand ontvangt u: - de aanbiedingsnotitie “Principe afspraken voor de Samenwerkingsagenda tussen de medeoverheden” - een met het kabinet afgestemde tekst voor deze principe afspraken. Deze principe afspraken zijn opgesteld zonder de precieze inhoud te kennen van de Rijksbegroting. Wij vertrouwen erop dat het kabinet ons daarin niet verrast. Wij verwachten u rond 23 september de ledenbrief met de uitgebreide VNG-reactie op de Rijksbegroting toe te zenden. De twee bijlagen vindt u terug in de actuele vergaderset voor de ALV, inclusief nazending. Moties, amendementen en preadviezen Op vrijdag 18 september stelt het bestuur zijn preadviezen vast op ontvangen moties en amendementen. Deze stukken zullen wij u zo spoedig mogelijk toezenden met het oog op de voorbereiding van uw stemgedrag in de ALV. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 1/2 Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | [email protected] | vng.nl Toezending machtigingsformulier om in de ALV te stemmen De procedure voor aanwijzing van de stemgerechtigde vertegenwoordiger van de gemeente en het deelnemen aan de stemmingen ziet er als volgt uit: - Per gemeente is er één vertegenwoordiger die is gemachtigd om de stemmen van de gemeente uit te brengen - Alle gemeentesecretarissen ontvangen in de week van 14 september per e-mail een machtigingsformulier met een QR-code voor de vertegenwoordiger van de gemeente. De gemeente kan worden vertegenwoordigd door een burgemeester, wethouder, secretaris, griffier of raadslid. Het is aan de gemeente zelf om een vertegenwoordiger aan te wijzen - De vertegenwoordiger van de gemeente ontvangt op vertoon van het machtigingsformulier met QR-code, voorafgaand aan de ALV, aan de stembalie een stemkaartje (met het aantal stemmen van de betreffende gemeente). Hiermee kan de vertegenwoordiger aan de stemmingen deelnemen. Bij de ingang van de plenaire zaal ontvangt de vertegenwoordiger een stemkastje - Alleen fysiek aanwezige vertegenwoordigers van gemeenten kunnen stemmen. Het is niet toegestaan om voor andere gemeenten te stemmen. Bij voorbaat dank voor uw inspanningen om in uw voorbereiding op de ALV ook de nagekomen stukken mee te nemen. Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten dr.mr. L.K. Geluk Algemeen directeur Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2/2 Lees online | Gegevens wijzigen Lbr. 26/034 - Weerbaarheid en veerkracht: geactualiseerde handreiking en vervolgstappen 15 september 2026 Geachte leden van college en gemeenteraad, Met deze ledenbrief bieden we u de geactualiseerde handreiking Weerbaarheid en veerkracht op lokaal niveau 2.0. aan. De actualisatie voorziet in een brede behoefte aan concretisering en toelichting van de 41 maatregelen en bundelt goede voorbeelden uit de praktijk. Daarnaast informeert deze brief u over de bestuurlijke stand van zaken op het thema weerbaarheid langs de 6 pijlers van de handreiking. Weerbaarheid staat onverminderd hoog op de bestuurlijke agenda. De lokale relevantie ligt niet alleen in de aard van een dreiging, maar vooral in de plaats waar de gevolgen landen. Langdurige uitval van stroom, telecom of digitale systemen raakt direct de gemeentelijke dienstverlening, de openbare orde, de zorgcontinuïteit en de ondersteuning van inwoners in een kwetsbare positie. Tegelijk neemt de gemeentelijke verantwoordelijkheid sneller toe dan de capaciteit, financiering en rolverdeling worden uitgewerkt. Zolang structurele middelen voor de volle breedte van de opgave uitblijven, groeit de spanning tussen bestuurlijke verantwoordelijkheid en uitvoerbaarheid. Volledige brief Contact Afmelden vng.nl Gegevens wijzigen Dit bericht is verzonden door de VNG. Lees onze proclaimer. Bekijk de online versie Gemeenten Griffie Aanbieding brochure Brief - 11 september 2026 Geachte griffier, Namens FNV Senioren bieden wij u hierbij de brochure “Samen werken aan een leeftijdsvriendelijke gemeente – Checklist van de WHO” aan. Deze brochure bevat de volledige WHO-checklist voor leeftijdsvriendelijke steden en gemeenten, aangevuld met twee extra aandachtspunten op het gebied van communicatie en informatie, evenals aanvullende richtlijnen voor een dementievriendelijke leefomgeving op basis van de checklist van Alzheimer Nederland. Wij verzoeken u deze brochure ter kennisname aan de fracties vertegenwoordigd in uw raad door te sturen. Ook stellen wij het op prijs de portefeuillehouder(s) in het College van B&W hiervan in kennis te stellen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stimuleert sinds 2010 gemeenten wereldwijd om een leeftijdsvriendelijk beleid te ontwikkelen. Inmiddels zijn 1.739 steden en gemeenschappen in 57 landen aangesloten bij dit initiatief. Ook in Nederland sluiten steeds meer gemeenten zich hierbij aan. Het initiatief maakt deel uit van het VN-Decennium Gezond Ouder Worden (2021–2030), waarin het bevorderen van leeftijdsvriendelijke lokale gemeenschappen een van de tien prioriteiten vormt. De brochure die wij u toesturen bevat: • De volledige WHO-checklist met 84 aandachtspunten verdeeld over acht domeinen; • Twee aanvullende aandachtspunten op het gebied van digitale toegankelijkheid en weerbaarheid tegen online fraude; • Aanvullende richtlijnen voor een dementievriendelijke omgeving, gebaseerd op de checklist van Alzheimer Nederland. Wij hopen dat deze praktische gids u en uw gemeenteraad ondersteunt bij het vormgeven, toetsen of versterken van lokaal beleid gericht op gezond en waardig ouder worden. De checklist kan worden gebruikt als instrument voor beleidsontwikkeling, evaluatie en monitoring, en biedt concrete handvatten om de leefomgeving voor ouderen toegankelijker, veiliger en inclusiever te maken. Mocht uw gemeente reeds werken aan leeftijdsvriendelijk beleid of overwegen zich aan te sluiten bij het WHO-initiatief, dan denken wij graag met u mee over mogelijke vervolgstappen of lokale toepassing van de checklist. Wij vertrouwen erop dat deze brochure een waardevolle bijdrage kan leveren aan uw beleidsvorming en danken u bij voorbaat voor uw aandacht. Met vriendelijke groet, FNV Senioren Over de FNV Heb je een vraag? Mijn FNV Activiteitenkalender Service en Contact Cao & Sector In jouw regio Lidmaatschap Actief voor de FNV Maak iemand lid Privacy Cookies Je e-mailadres staat geregistreerd in het adressenbestand van de FNV. Hiermee informeren we leden en niet-leden over onze activiteiten. FNV, Hertogswetering 159, Utrecht, Nederland 3543 AS Wijzig e-mailvoorkeuren | Afmelden Geacht raadslid, Op 19 november is het Wereld-WC-Dag. Op deze dag publiceert MDL Fonds haar jaarlijkse ranglijst toiletvriendelijkheid bij gemeenten. Ieder jaar delen we de resultaten van deze lijst met alle griffies in Nederland en regionale en lokale nieuwsmedia. Ook ontvangt u eind november via uw griffie dus de nieuwe versie van deze lijst. In onze lijst wegen we kwaliteit, beschikbaarheid en beleid mee. Zie hier de ranglijst van vorig jaar. Voor het beleid hebben uw griffie gevraagd het kaartje over wc-beleid op onze website te controleren, om er zo zeker van de zijn dat we niets missen. De criteria voor kwaliteit en beschikbaarheid baseren we op de gegevens in de WC Wijzer. Deze proberen we op basis van openbare informatie zo volledig mogelijk te vullen. Daarnaast werken we inmiddels met tientallen gemeenten samen om hun openbare en opengestelde wc’s rechtstreeks, actueel en volledig in de WC Wijzer op te nemen. Als uw gemeente nog niet bij de WC Wijzer is aangesloten, kunnen we echter niet garanderen dat we alle wc’s meenemen in de ranglijst. Wilt u daarom de wethouder die verantwoordelijk is voor wc-beleid vragen om uiterlijk 16 oktober een actueel overzicht van alle openbare en opengestelde wc’s in uw gemeente bij MDL Fonds aan te leveren? Een leeg Excelbestand hiervoor kan worden opgevraagd via [email protected]. Voor overige vragen over het gemeentelijke wc-beleid kunt u terecht bij [email protected]. Hartelijk dank voor uw hulp, mede namens iedereen die weleens naar de wc moet! Met vriendelijke groet, Chiel Hendriks Contactpersoon overheden De grote vraag is niet óf de jeugdzorg moet veranderen, maar hóé Dat het huidige jeugd- en gezinszorgstelsel anders moet, staat voor veel gemeenten en regio’s inmiddels buiten discussie. De vraag waar gemeenteraden, colleges en jeugdhulpregio’s voor staan, is veel concreter: Hoe kunnen we de jeugdhulp binnen onze eigen gemeente en regio morgen al anders organiseren, zodat kinderen en gezinnen tijdig de juiste ondersteuning krijgen, professionals hun vak goed kunnen uitoefenen, verblijf veilig en passend wordt georganiseerd én de beschikbare capaciteit en middelen zo effectief mogelijk worden ingezet? Juist op die hoe-vraag willen wij met u het gesprek aangaan. Stichting Kico werkt vanuit de praktijk aan deze vraag. Met het Heppie (t)Huis hebben wij de afgelopen zeven jaar ervaring opgedaan met kleinschalige jeugdzorg met verblijf: een veilige en stabiele leefomgeving, met vaste gezichten en onvoorwaardelijke nabijheid voor kinderen die dat nodig hebben. Die praktijkervaring heeft ons niet alleen geleerd wat er anders kan bij verblijf, maar ook dat duurzame verandering eerder in de keten moet beginnen: bij de toegang tot hulp en bij de pedagogische basis rond gezinnen. Daarom hebben wij drie samenhangende manifesten ontwikkeld met concrete voorstellen die gemeenten en regio’s zelf kunnen toepassen: • De Jeugd- en Gezinspraktijk in de wijk: specialistische expertise direct beschikbaar bij de voordeur, zodat gezinnen sneller passende ondersteuning krijgen en onnodige medicalisering kan worden voorkomen. • Het Regionaal Regiecentrum Jeugdzorg met Verblijf (RRJV): onafhankelijke matching en regie, met meer rust en continuïteit door een andere inrichting van capaciteit en financiering. • Verander de samenleving, begin bij de ouders: visie op het versterken van de pedagogische basis en het normaliseren van opvoedsteun. Met het pleidooi voor een landelijk Centrum voor alle Ouders bieden we gemeenten de visie om opvoedvragen lokaal weer klein te maken en zwaardere zorg aan de voorkant te voorkomen. Onze overtuiging is dat voor belangrijke onderdelen hiervan niet eerst een landelijke stelselwijziging nodig is. Gemeenten en regio’s hebben zelf mogelijkheden om de toegang, de samenwerking, de organisatie van verblijf en de inzet van middelen anders in te richten. Wij komen daarom graag bij u langs om juist die hoe-vraag samen te verkennen. Wat kan binnen de huidige gemeentelijke en regionale mogelijkheden anders? Waar zitten kansen? En welke eerste stappen zijn concreet en haalbaar? Dat gesprek kan plaatsvinden in de vorm die binnen uw gemeente of regio het beste past. Denk aan een beeldvormende raadsbijeenkomst, een commissievergadering of themasessie. We lichten onze voorstellen graag toe, delen onze ervaringen uit de praktijk en bespreken met u welke onderdelen voor uw gemeente of regio interessant en toepasbaar kunnen zijn. Geen theoretische verhandeling, maar een praktisch gesprek over de vraag: Wat kunnen we lokaal en regionaal anders doen om kinderen, gezinnen en professionals daadwerkelijk beter te helpen? Wij horen graag of wij hiervoor bij uw gemeente of regio mogen langskomen. Bijlagen 1. Manifest De Jeugd- en Gezinspraktijk in de wijk 2. Manifest Regionaal Regiecentrum Jeugdzorg met Verblijf 3. Manifest Verander de samenleving, begin bij de ouders 4. Brochure Heppie (t)Huis Hartelijke groet, RENE VAN DE CAMP BESTUURDER E: [email protected] M: 06 1096 1616 T: 085 401 41 51 W: www.kico.nl Willem Barentszweg 4, 5665 VC Geldrop Lange Voorhout 9, 2514 EA Den Haag Postbus 95404, 2509 CK Den Haag (070) 333 70 00 onderzoeksraad.nl contact kinderen-in-de- [email protected] onderzoek Kinderen in nood. Over het normaliseren van onveiligheid voor kinderen in de asielnoodopvang onderwerp Open brief aa n alle gemeenteraadsleden Beste leden van gemeenteraden in Nederland, Op 21 september 2026 heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid het onderzoeksrapport Kinderen in nood. Over het normaliseren van onveiligheid voor kinderen in de asielnoodopvang gepubliceerd. Dit rapport gaat over kinderen die wonen in een asielnoodopvanglocatie. Noodopvang is een dragend element geworden in plaats van een tijdelijke crisismaatregel. Er zijn inmiddels veel meer noodopvanglocaties dan reguliere opvanglocaties. De Onderzoekraad concludeert dat kinderen in de noodopvang structureel worden blootgesteld aan onveilige leefomstandigheden die ernstige risico’s voor hun ontwikkeling opleveren. Met deze brief vragen wij u om te bespreken hoe vanuit uw gemeente een bijdrage geleverd kan worden om de veiligheid van de zo’n 7.000 kinderen in de asielnoodopvang te verbeteren. Minister is aan zet, maar ook gemeenten hebben een verantwoordelijkheid De Onderzoeksraad stelt vast dat de onveiligheid in de noodopvang niet het gevolg is van een crisis die ons ‘zo maar’ of ‘plotseling’ overkomt. Deze voortdurende onveiligheid wordt veroorzaakt door (een geschiedenis van) bestuurlijke keuzes en het nemen van crisismaatregelen bij structurele problemen. Wij roepen de minister van Asiel en Migratie op om op korte termijn de veiligheid van kinderen in de asielnoodopvang te verbeteren. Daarnaast is onze boodschap aan hem om direct uit de ‘crisislogica’ te stappen en met robuust bestuur te zorgen voor een veilig en duurzaam opvangsysteem. Dat houdt in dat de Rijksoverheid alle betrokken partijen in staat stelt hun taak te kunnen uitvoeren, dat zij actief aan de slag gaat met signalen over veiligheidsrisico’s uit het veld en dat partijen vanuit een gezamenlijk belang handelen. De minister kan dat niet alleen. Gemeenten hebben een belangrijke verantwoordelijkheid in de totstandkoming van een robuust opvangsysteem. Gemeenten kunnen met hun keuzes en besluiten in belangrijke mate bijdragen aan veilige en duurzame oplossingen. Door dit rapport aan u toe te sturen willen wij het belang van uw datum 21 september 2026 bijlage(n) - uw kenmerk - ons kenmerk 26.0001199 1 van 2 inspanning onderstrepen en u oproepen uw bijdrage aan dat robuuste bestuur te blijven spelen of te gaan spelen. U kunt werkelijk verschil maken als het gaat om de veiligheid van kinderen. Tot slot Wij nodigen u van harte uit het hele onderzoeksrapport via onze website www.onderzoeksraad.nl te lezen. Wilt u reageren op de resultaten of heeft u behoefte aan een verdere toelichting hierop? Dan kunt u ons mailen op [email protected]. Met vriendelijke groet, Chris van Dam, voorzitter 26.0001199 2 van 2 ONDERZOEKSRAPPORT Kinderen in nood Over het normaliseren van onveiligheid voor kinderen in de asielnoodopvang Den Haag | september 2026 De Onderzoeksraad voor Veiligheid Als zich een ongeval of ramp voordoet, onderzoekt de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) hoe dat heeft kunnen gebeuren. We doen onderzoek met als doel daar lessen uit te trekken. Zo dragen we bij aan het verbeteren van de veiligheid van Nederland. De OVV is onafhankelijk en besluit zelf welke voorvallen worden onderzocht. Daarbij richten we ons in het bijzonder op situaties waarin mensen voor hun veiligheid afhankelijk zijn van derden, bijvoorbeeld van de overheid of bedrijven. In een aantal gevallen is de OVV verplicht onderzoek te doen. De onderzoeken richten zich nadrukkelijk niet op vragen rond schuld of aansprakelijkheid. Op grond van artikel 69 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid is het niet toegestaan dit rapport te gebruiken in procedures (strafrechtelijk, civielrechtelijk, tuchtrechtelijk, bestuurlijk en disciplinair). Dit rapport wordt in het Nederlands gepubliceerd, met de samen­ vatting, beschouwing en aanbevelingen in het Engels. Bestaan er interpretatieverschillen tussen beide versies? Dan is de Nederlandse versie leidend. Kinderen in nood, september 2026 | Introductie 2 Inhoud Samenvatting 5 3. De veiligheidsrisico’s voor kinderen in de Beschouwing 10 noodopvang 42 Aanbevelingen 14 3.1 Zes risicogebieden 43 Lijst van begrippen en afkortingen 16 3.2 Risico’s in de noodopvang 46 3.3 Specifieke situatie van alleenstaande 1. Inleiding 18 kinderen in de noodopvang 79 1.1 Aanleiding 19 3.4 Langdurige opeenstapeling van 1.2 Definitie van veiligheid van kinderen in veiligheidstekorten 82 de noodopvang 21 1.3 Doel, focus en onderzoeksvragen 23 4. Analyse structurele inzet 1.4 Onderzoeksaanpak 23 van noodopvang 88 1.5 Referentiekader 25 4.1 Systemische tekorten 88 1.6 Leeswijzer 26 4.2 Crisislogica bepaalt de koers 99 2. Noodopvang als onderdeel 5. Analyse voortduren onveilige situatie in de van het asielopvangsysteem 28 noodopvang 102 2.1 Betrokken partijen en verantwoordelijkheden 28 5.1 Goed bestuur in turbulente tijden 102 2.2 Terugblik op de inzet noodopvang 31 5.2 Ontbrekende voorwaarden voor passende 2.3 Structurele inzet van noodopvang 38 bestuurlijke aanpak 103 Bronnen van de coverfoto's Boven: ANP / Ramon van Flymen Onder: ANP / Anjo de Haan Kinderen in nood, september 2026 | Inhoud 3 6. Conclusies 118 7. Aanbevelingen 122 Bijlage A Onderzoeksverantwoording 124 Bijlage B Reacties op het conceptrapport 134 Bijlage C Lijst van rapportages over kinderen in de asiel(nood)opvang 135 Bijlage D Referentiekader 139 Bijlage E Beschrijving gebeurtenissen met betrekking tot de inzet van noodopvang 148 Bijlage F Methodologische verantwoording kwantitatieve data 156 Kinderen in nood, september 2026 | Inhoud 4 Samenvatting In Nederland groeien al jaren duizenden kinderen op in de asiel­ Met dit onderzoek wil de Onderzoeksraad bijdragen aan het noodopvang. Dit is een tijdelijke opvangvorm die niet geschikt is opheffen van de onveilige situatie voor kinderen in de nood­ voor langdurig verblijf. De noodopvang is in ongeveer vier jaar opvang. De oorzaken en omvang van migratie naar Nederland tijd gegroeid naar 278 noodopvanglocaties in juli 2025, tegen­ vallen nadrukkelijk buiten de scope van dit onderzoek. over 124 reguliere opvanglocaties in die maand. Op 1 juli 2025 verbleven ongeveer 6.900 van de 17.000 kinderen in de asiel­ op vang (ruim 40 procent) in een noodopvanglocatie. Veel van Kinderen worden langdurig blootgesteld aan een deze kinderen moesten binnen een jaar meer dan twee keer opeenstapeling van veiligheidstekorten ver huizen, vaak van de ene tijdelijke opvangplek naar de andere. Om de veiligheidssituatie van kinderen in de noodopvang te Voor duizenden kinderen duurt die situatie langer dan een beoordelen heeft de Onderzoeksraad zes risicogebieden geïden­ jaar. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeert dat deze ti ficeerd op het vlak van fysieke en mentale veiligheid. Deze kinderen daar structureel worden blootgesteld aan on veilige risicogebieden zijn gebaseerd op een review van onderzoeken, leef omstandigheden die ernstige risico's opleveren voor hun ont­ rapporten en wetenschappelijke literatuur, in combinatie met wikkeling. Deze ontwikkelingsrisico's leiden tot fysieke en mentale inzichten opgedaan tijdens locatiebezoeken. Om inzicht te krijgen schade. Ondanks jarenlange signalen van onder meer inspecties, in het perspectief van kinderen, zijn op verschillende locaties de Kinderombudsman en VluchtelingenWerk Nederland duurt groepsgesprekken gevoerd aan de hand van foto's die zij zelf deze situatie voort. maakten (photovoice­methode). Centraal in dit rapport van de Onderzoeksraad staan de onveilig­ Op deze zes gebieden constateert de Onderzoeksraad dat er heden waaraan kinderen worden blootgesteld in de nood­ sprake is van veiligheidstekorten: opvang die is georganiseerd door het COA of gemeenten. In de „ Huisvesting: Noodopvang biedt vaak geen veilige en kind­ nood opvang leven kinderen in gezinsverband en kinderen die vriendelijke fysieke leefomgeving. Zo zijn hallen met schotten alleen reizen en in Nederland asiel aanvragen (de zogenoemde als kamerafzetting ongeschikt om langdurig in te wonen. Hoge alleenstaande minderjarige vreemdelingen). Kinderen worden bezetting leidt tot geluidsoverlast, druk op sanitaire voor­ opgevangen op uiteenlopende noodopvanglocaties, waaronder zieningen en een tekort aan gemeenschappelijke ruimtes waar leeg staande kantoren, hotels, recreatiewoningen, schepen, kinderen ongestoord kunnen rusten, spelen of huiswerk maken. evenementhallen en tijdelijke containerwoningen. Open water of nabijgelegen wegen vormen in sommige Kinderen in nood, september 2026 | Samenvatting 5 gevallen een direct gevaarlijke omgeving voor kinderen. „ Medische zorg: Bij het plaatsen van (medisch) kwetsbare Ook komt het voor dat gezinnen geen eigen af te sluiten kinderen kan regelmatig geen rekening worden gehouden met gezinskamer hebben. specifieke opvangbehoeften. De frequente verhuisbewegingen „ Privacy en autonomie: Kinderen in de noodopvang ervaren ondermijnen daarnaast de continuïteit van opgestarte medische vaak een combinatie van continue nabijheid van anderen, zorg, bijvoorbeeld specialistische zorg voor kinderen met gebrek aan persoonlijke ruimte en beperkte autonomie. chronische medische aandoeningen. Ongunstige omstandig­ Dit leidt tot gevoelens van stress en machteloosheid en tot heden in de asielnoodopvang, denk aan stress, slaapg ebrek voortdurende alertheid. en gebrekkige sanitaire voorzieningen, belemmeren boven­ „ Sociale omgeving: Kinderen in de noodopvang lopen een dien de effectiviteit van medische zorg en herstel. Ook groot risico om in hun dagelijkse leefomgeving geconfronteerd vergroten de slechte leefomstandigheden, de lange verblijfs­ te worden met fysiek geweld en seksueel geweld (inclusief duur en de druk op betrokken zorgprofessionals het risico op grensoverschrijdend gedrag en misbruik). De combinatie van gezondheidsschade bij kinderen. ondermaatse leefomstandigheden in de noodopvang en „ Stabiliteit: Kinderen in de noodopvang moeten vaak meerdere het gegeven dat mensen dicht op elkaar leven en kinderen keren verhuizen tijdens hun verblijf in de asielopvang – regel­ weinig veilige ruimten tot hun beschikking hebben, creëert matig meer dan vijf keer, met uitschieters tot wel tien keer. In een risico op blootstelling aan fysiek geweld. Onder alleen­ sommige gevallen gebeurt dit op stel en sprong, en ook is het staande kinderen komt zelfbeschadigend gedrag voor, niet ongebruikelijk dat kinderen meerdere keren per jaar moeten waaronder zelfverwonding en suïcidaal gedrag. Daarnaast verhuizen. Het gevolg is dat er geen vastigheid voor deze worden kinderen die in gezinsverband wonen in hun directe kinderen is. Dit tast hun gevoel van stabiliteit en houvast aan. woonomgeving geconfronteerd met zelfbeschadigend gedrag onder medebewoners. Duizenden kinderen verblijven langer dan een jaar in de nood­ „ Persoonlijke ontwikkeling: Door frequente verhuizingen krijgen opvang. Zij krijgen structureel te maken met deze veiligheids­ kinderen geen of vertraagd toegang tot onderwijs, of wordt de tekorten. De hierboven genoemde veiligheidstekorten komen continuïteit van het onderwijs belemmerd. Kinderen moeten vaak gelijktijdig voor en versterken elkaar. Daarbij is niet alleen de vaak langer dan de wettelijk vastgestelde termijn van drie stapeling van risico's schadelijk, maar ook de langdurige bloot­ maanden wachten voordat zij kunnen starten op een school. stelling eraan. Kinderen lopen daardoor risico’s op ontwikkelings­ Ook wordt het onderwijs regelmatig onderbroken omdat schade, zowel op de korte als op de lange termijn. Naast de kinderen opnieuw moeten verhuizen en hierdoor midden in directe blootstelling aan onveiligheid is ook het langdurig leven in het jaar van school moeten wisselen. Er is onvoldoende zicht angst voor geweld schadelijk voor hun ontwikkeling. De aanwezige op hoeveel kinderen in de noodopvang geen of vertraagd veiligheidstekorten laten zien dat de omstandigheden in de toegang hebben tot onderwijs. noodopvang niet voldoen aan de eisen die gesteld worden in de Europese opvangrichtlijn en aan de waarborgen opgenomen in het Kinderrechtenverdrag. Kinderen in nood, september 2026 | Samenvatting 6 De Onderzoeksraad hanteert in lijn met de Europese opvang­ In de huidige situatie, waarin het tekort aan opvangplekken richt lijn het uitgangspunt dat alle kinderen recht hebben op een niet wordt weggewerkt, blijven concessies aan de veiligheid en veilige omgeving om op te groeien en zich te kunnen ontwikkelen. kwaliteit van de opvang bestaan. Omstandigheden die oor­ Kinderen die de asielprocedure in Nederland doorlopen en worden spronkelijk als tijdelijke noodoplossing werden geaccepteerd, opgevangen in asielopvangcentra (inclusief noodopvanglocaties) worden na verloop van tijd door alle betrokken partijen genormali­ zijn afhankelijk van de overheid voor hun veiligheid. Doordat seerd en krijgen een structureel karakter. Tegelijkertijd hebben de nood opvang structureel wordt ingezet en kinderen hier langdurig betrokken partijen geen goed zicht op de veiligheidssituatie op verblijven, is de overheid niet in staat om de veilige opvang van opvanglocaties, en is in de beleidsvorming beperkt aandacht voor deze kinderen te garanderen. De overheid draagt bovendien de de veiligheid van kinderen. Het resultaat is dat, door de structurele volledige verantwoordelijkheid voor de veiligheid, verzorging en inzet van noodopvang, een grote groep kinderen jarenlang in de begeleiding van alleenstaande kinderen. Specifiek voor deze extra onveilige omgeving van noodopvang opgroeit. kwetsbare kinderen geldt dat de overheid geen goed zicht heeft op hun welzijn en veiligheid, doordat de inzet van noodopvang Het voortdurend openen en sluiten van opvanglocaties vraagt hun zichtbaarheid beperkt en hun begeleiding en bescherming bovendien een grote organisatorische en personele inspanning belemmert. van gemeenten en het COA. Deze werkwijze leidt tot een ineffi­ ciënte inzet van zowel financiële middelen als personeel. Zo gaan investeringen in panden verloren en worden waardevolle Structurele inzet van noodopvang leidt tot samenwerkingsverbanden afgebroken wanneer tijdelijke onveiligheid voor kinderen opvang locaties weer sluiten. Ondanks deze omstandigheden Vanuit de gedachte dat noodopvang tijdelijk nodig was, accep­ blijven betrokken partijen zich met grote toewijding inzetten om teerden Rijksoverheid, COA en gemeenten dat locaties niet aan de nood opvang zo leefbaar mogelijk te houden. De blijvende het gestelde kwaliteits­ en voorzieningenniveau voldeden. De afhankelijk heid van noodopvang betekent echter dat het COA eerste noodopvang werd echter ingezet op een moment dat het en gemeenten hun taken moeten uitvoeren met schaarse en reguliere opvangsysteem al erg onder druk stond. Omdat het niet ontoereikende middelen voor een veilige opvang. lukte om extra reguliere asielzoekerscentra te realiseren en op die manier het structurele tekort aan opvangplekken terug te dringen, bleef het COA afhankelijk van noodopvanglocaties. Gedreven Veiligheid van kinderen wordt niet verbeterd door de gedachte ‘één bed is beter dan géén bed’ zette het COA doordat partijen handelen vanuit een crisislogica in samenwerking met gemeenten onder hoge druk noodlocaties De partijen betrokken bij het regelen van opvangplekken handelen op om acute opvangproblemen op te lossen. In juli 2025 waren er vanuit crisislogica om een structureel opvangprobleem in de 124 reguliere opvanglocaties tegenover 278 noodopvanglocaties asielketen op te lossen. Deze crisislogica wordt gekenmerkt door – ruim het dubbele. Het opvangstelsel is in grote mate afhankelijk de ervaren urgentie om acuut opvangplekken te realiseren, de geworden van de inzet van noodopvang. acceptatie van ondermaatse omstandigheden omdat deze Kinderen in nood, september 2026 | Samenvatting 7 slechts tijdelijk zouden zijn, en het handelen van partijen alsof Voorwaarden voor een passende bestuurlijke het realiseren van meer opvangplekken niet samengaat met aanpak ontbreken het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de opvangplekken. Het ontbreekt aan verschillende essentiële voorwaarden voor De schaarste aan opvangplekken blijft echter voortduren en de een bestuurlijke aanpak die de veiligheid van kinderen in de betrokken partijen blijven handelen vanuit deze crisislogica. noodopvang effectief kan waarborgen. Zo is er geen stabiel en robuust opvangsysteem, mede doordat het COA onvoldoende De Onderzoeksraad beschouwt het onderliggende probleem structurele financiële middelen, slagkracht en reservecapaciteit van schaarste aan opvangplekken niet als een plotsel inge heeft om duurzame opvangplekken te realiseren. Middelen die crisissituatie waarin, onder tijdsdruk, ingrijpende besliss ingen niet passend zijn bij de taak dwingen het COA voortdurend tot moeten worden genomen om aanwezige acute risico’s te op­ en afschalen, waardoor de continuïteit onder druk staat beheersen. Het onderliggende probleem met de opvang­ en structurele oplossingen moeilijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast capaciteit speelt al vele jaren en het Ministerie van Justitie en zijn de kaders voor de uitvoering van opvang onvoldoende Veiligheid, het COA en gemeenten zijn ook al vele jaren bezig met duidelijk en onvoldoende praktisch toepasbaar. Hierdoor ontstaat dit onderwerp. Het aantal mensen dat asiel aanvraagt, fluctueert onduidelijkheid bij uitvoerende partijen en komen de kwaliteit en door de jaren heen altijd als gevolg van internationale conflicten veiligheid van opvangvoorzieningen voor kinderen in het gedrang. en geopolitieke ontwikkelingen. Ook de samenwerking tussen Rijk, gemeenten en uitvoerings­ Vanaf 2021 heeft het kabinet verschillende noodmaatregelen organisaties staat onder druk. Lokale weerstand tegen genomen om snel extra opvangplekken te creëren, maar opvanglocaties en een beperkt maatschappelijk en bestuurlijk deze pakken de structurele problemen in de asielopvang niet draagvlak zorgen ervoor dat gemeenten terughoudend zijn aan en zetten de crisisaanpak voort. Tegelijkertijd komt de met het realiseren van langdurige opvang, of aanvullende Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, die moet zorgen voorwaarden stellen die nadelig kunnen uitpakken voor kinderen. voor een duurzaam opvangsysteem, onvoldoende van de Denk hierbij aan gemeenten die voorwaarden stellen om grond door een gebrek aan gedeelde verantwoordelijkheid en bepaalde groepen mensen in de asielprocedure juist wel of niet samenwerking. Ook de invoering van de Spreidingswet heeft nog op te vangen. Om de problematiek op te lossen is het nodig dat niet voor voldoende opvangplekken gezorgd. Het in 2024 door er breed draagvlak is en individuele belangen van bijvoorbeeld het toenmalige kabinet geuite voornemen om de wet weer in gemeenten niet prevaleren boven het gemeenschappelijk doel. te trekken heeft juist gezorgd voor onduidelijkheid, afnemend Verder is er te weinig ruimte om signalen over onveiligheid vertrouwen en problemen bij de uitvoering. om te zetten in concrete verbetermaatregelen. Hoewel signalen van onder andere toezichthouders, gemeenten en uitvoeringsorganisaties beter worden opgehaald dan voorheen, schiet de opvolging daarvan vaak tekort door gebrek aan duidelijke sturing en bestuurlijke slagkracht. Daardoor blijven Kinderen in nood, september 2026 | Samenvatting 8 bekende veiligheidstekorten bestaan en lukt het onvoldoende om de belangen en veiligheid van kinderen centraal te stellen. Tot slot Kinderen in de asielnoodopvang behoren tot een zeer kwetsbare groep die aan de zorg van de Nederlandse overheid is toever­ trouwd. Zij zijn volledig afhankelijk van de overheid voor een veilige omgeving. Het waarborgen van die veiligheid is een fun da men­ tele verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de rechts staat en inter nationale verdragen, in het bijzonder het Kinderrechten­ verdrag. De Onderzoeksraad constateert dat de overheid, met de huidige bestuurlijke aanpak, onvoldoende in staat is die verantwoordelijkheid waar te maken. Zolang een passende bestuurlijke aanpak ontbreekt, blijven kinderen opgroeien in omstandigheden die hun veiligheid en ontwikkeling ernstig schaden. Kinderen in nood, september 2026 | Samenvatting 9 Beschouwing Dit rapport gaat over de veiligheid van kinderen. Duizenden maar wordt veroorzaakt door het ontbreken van de politieke wil en kinderen leven in een onveilige noodopvanglocatie die hun het bestuurlijk vermogen om de opvang veilig vorm te geven en ontwikkeling schaadt. De noodopvang, oorspronkelijk bedoeld goed te regelen. als kortstondig overbruggingsmiddel, is sinds 2021 voor veel kinderen een langdurige werkelijkheid geworden. Dit terwijl hier Nederland handelt in strijd met Europese en nationale wet­ en kinderen verblijven die zich in een fundamenteel kwetsbare positie regelgeving. Dat is meerdere keren door de rechter vastgesteld. bevinden en juist extra bescherming verdienen; zij hebben vaak te Vele organisaties luiden al jaren de noodklok over de veiligheid maken gehad met geweld, uitsluiting en vele vormen van verlies, van de kinderen in de noodopvang, maar dit heeft evenmin tot zoals verlies van hun familie, hun huis en hun leefomgeving. Het blijvende verbetering geleid. Omdat de risico’s van noodopvang langdurig inzetten van noodopvang heeft schadelijke gevolgen al jaren bekend zijn, is het moeilijk te rechtvaardigen dat voor kinderen. Deze kinderen moeten daarnaast vanuit een zeer kinderen nog steeds in deze omstandigheden moeten verblijven. kwetsbare positie hun weg gaan vinden in onze maatschappij, De huidige positie van kinderen in de noodopvang is moreel met het risico dat zij beschadigd raken en geen aansluiting onverdedigbaar in een rechtstaat, maatschappelijk kostbaar en vinden. Alles wat hen overkomt, kan nog generaties lang voor praktisch gezien onnodig. ontwrichting zorgen. Het uitblijven van duurzame oplossingen heeft ook bredere Inmiddels is er meer noodopvang dan gewone opvang. Dit is maatschappelijke consequenties. Door de opvang voortdurend de omgekeerde wereld: de uitzondering is de regel geworden. als crisis te benaderen en te presenteren, ontstaat het beeld dat Het opvangbeleid is zo ontzettend afhankelijk van noodopvang de overheid geen grip heeft op de situatie en machteloos is. Op om het systeem overeind te houden, dat deze opvangvorm een die manier kan de voortdurende crisisretoriek het vertrouwen structureel en dragend element is geworden in plaats van een van burgers in het vermogen van de overheid om tot duurzame tijdelijke crisismaatregel. Politieke en bestuurlijke keuzes hebben oplossingen te komen ondermijnen. Dat is problematisch, omdat een opvangsysteem gecreëerd dat niet kan omgaan met de vertrouwen in het handelen van de overheid nodig is om het pieken en dalen in de aantallen mensen die in Nederland een maatschappelijk draagvlak voor het maken en uitvoeren van asielaanvraag indienen, waardoor er structureel noodopvang fundamentele keuzes te behouden. Als de overheid het beeld wordt ingezet. De Onderzoeksraad stelt vast dat de onveiligheid in van bestuurlijke onmacht blijft bevestigen, kan dat onbedoeld de de noodopvang niet het gevolg is van een crisis die ons overkomt, maatschappelijke steun voor een duurzame aanpak verzwakken Kinderen in nood, september 2026 | Beschouwing 10 en de zorgen van burgers over de problematiek vergroten. Oneigenlijke crisislogica Uiteindelijk kent deze benadering alleen verliezers. Kinderen Het huidige opvangsysteem functioneert al sinds 2021 vanuit groeien op in schadelijke omstandigheden, gemeenten blijven een oneigenlijke crisislogica. Tijdelijk bedoelde noodopvang bezig met noodoplossingen en burgers zien een overheid die wordt langdurig en grootschalig ingezet, in toenemende mate aanhoudende problemen niet opgelost krijgt. als opvangplaats voor kinderen, om een structureel tekort aan opvangplekken op te vangen. Dat zou voorstelbaar zijn als er sprake was van een onverwachte en acute noodsituatie. Een veiligheidsperspectief op noodopvang Van zo’n situatie is echter geen sprake. Schommelingen in de De Onderzoeksraad doet in uiteenlopende sectoren onderzoek asielinstroom zijn een terugkerend en voorzienbaar onderdeel van naar onveiligheid, risico’s, ongevallen en crises, en naar de wijze het asielsysteem. Hierdoor wringt het dat crisismaatregelen niet waarop organisaties daarmee omgaan. We zien dat vrijwel iedere langer uitzondering zijn, maar de bestuurlijke standaardaanpak sector beschikt over systemen voor risicobeheersing, vastgelegde zijn geworden. Er ontstaat een fundamentele paradox: maat­ verantwoordelijkheden, toezicht en crisisprotocollen. Nagenoeg regelen die bedoeld zijn om een tijdelijk tekort te overbruggen, iedere sector kent een meer of minder uitgebreid systeem van houden het onderliggende probleem juist in stand. risicobeheersing, gebaseerd op geïnventariseerde bedreigingen en op maatregelen die zijn afgestemd op frequentie en impact. Zonder een systeem met bindende normen en duidelijke grenzen aan de inzet van noodmaatregelen worden tijdelijke concessies In de wereld van de noodopvang zien we dergelijke systemen in de praktijk al snel de nieuwe norm, en daarmee leidend voor de ter bescherming van de veiligheid van kinderen niet terug, niet in inrichting van de opvang. Zo wordt het openen van een opvang­ structurele aandacht voor hun veiligheid en evenmin in effectieve locatie zonder toegang tot onderwijs gaandeweg steeds normaler. waarborgen. Kaders en toezicht bestaan formeel wel, maar Zolang een bindende norm ontbreekt die duidelijk maakt dat dit hebben in de praktijk onvoldoende betekenis als ondergrens niet aanvaardbaar is, blijven betrokken partijen op dezelfde manier voor veiligheid. De programma’s van eisen die ten grondslag handelen. Zij zien zich daartoe immers genoodzaakt binnen de horen te liggen aan noodopvanglocaties en die de veiligheid door hen ervaren crisissituatie. Zo houdt het crisishandelen zichzelf ervan moeten borgen, blijken niet afdoende als afdwingbare in stand. veiligheidsnorm te kunnen fungeren. Zij werken in de praktijk te vrijblijvend en zijn te vaak onderhevig aan concessies, wanneer Vanuit de gedachte dat ‘alles beter is dan slapen in het gras’ partijen zich vanwege de door hen ervaren crisis genoodzaakt zien worden in de noodopvanglocaties risico’s geaccepteerd die een keuze te maken tussen of kwantiteit of kwaliteit van opvang. in andere omstandigheden ondenkbaar zouden zijn. Hierdoor Hierdoor worden veiligheidsnormen voor kinderen meer een verschuift geleidelijk de ondergrens van wat stilzwijgend wordt keuzemenu dan een basisvereiste. aanvaard. Het huidige systeem kent nauwelijks mechanismen die deze normalisering corrigeren of begrenzen. Zo is een opvangsysteem gecreëerd waarin fundamentele rechten en Kinderen in nood, september 2026 | Beschouwing 11 de belangen van kinderen niet langer uitgangspunt zijn, maar Het systeem leunt steeds verder op improvisatie en persoonlijke afweegbare factoren binnen een voortdurende crisisaanpak. De inzet, terwijl de vraag gesteld kan worden of uit professioneel bestuurlijke angst voor een afnemend maatschappelijk en politiek perspectief (van de locatiemedewerker, de dokter, de voogd, de draagvlak voor asielopvang versterkt die ontwikkeling verder. docent) deze verantwoordelijkheid werkelijk genomen kan worden. Uiteindelijk brengt dit kinderen in onveiligheid. Het zou juist de overheid moeten zijn die verantwoordelijkheid neemt voor het waarborgen van fundamentele rechten en voor­ Bestuurlijk gezien kan de situatie dus niet beschouwd worden zieningen voor kinderen. als een bestuurlijke crisis, maar medewerkers en betrokken organisaties ervaren rond de noodopvang wel voortdurend een crisissfeer. Zij moeten hun werk doen in omstandigheden De bereidheid om het op te lossen die worden gekenmerkt door chronische onrust, politieke strijd Het waarborgen van de veiligheid van kinderen in de noodopvang en voortdurende druk. Het uitblijven van duurzame oplossingen begint bij de nationale overheid. Het is aan de verantwoordelijke heeft de opvang in een permanente staat van improvisatie en minister om leiderschap te tonen door richting te geven aan een onzekerheid gebracht. bestuurlijke aanpak die past bij een structureel opvangvraagstuk en de voorwaarden te creëren waarbinnen gemeenten, het COA en andere uitvoeringsorganisaties hun verantwoordelijkheid Medewerkers in de knel kunnen nemen. Dat vraagt om stabiele financiering, duidelijke Misschien wel een van de meest wrange dynamieken in het kaders, voldoende uitvoeringscapaciteit en bestuurlijke continuïteit huidige opvangsysteem is dat juist de inzet en betrokkenheid van – zoals vele partijen zelf ook al bijna tien jaar aangeven. individuele professionals verhullen dat het systeem volledig is vastgelopen. Medewerkers zoeken, vaak met grote toewijding en Als deze randvoorwaarden aanwezig zijn, kunnen gemeenten en creativiteit, voortdurend naar manieren om de omstandigheden uitvoeringsorganisaties makkelijker duurzame keuzes maken en voor kinderen iets draaglijker te maken. Zo ontstaan geïmproviseerde werken aan veilige opvang. Cruciaal daarbij is politieke dekking oplossingen voor fundamentele tekortkomingen, bijvoorbeeld voor impopulaire keuzes vanuit de uitgedragen overtuiging dat wanneer kinderen langdurig geen toegang hebben tot regulier we de opvangproblematiek kunnen oplossen. Stabiele finan­ onderwijs en medewerkers zelf alternatieven organiseren. Die ciering van het COA is ook een randvoorwaarde om vold oende inspanningen zijn zonder meer waardevol en getuigen van grote opvangplekken te kunnen realiseren en duurzame afspraken met betrokkenheid. Tegelijkertijd schuilt daarin een pijnlijke paradox: onder andere gemeenten mogelijk te maken. Het aanhouden doordat medewerkers de gaten dichtlopen, neemt de druk op van een buffer aan reguliere opvangplekken in tijden van lagere bestuurders af om de onderliggende oorzaken met structurele instroom is een noodzakelijke investering in veiligheid en contin uïteit oplossingen aan te pakken. ­ een verzekering tegen het peperdure alternatief van onveilige noodopvang van kinderen op cruiseschepen en in hotels. Kinderen in nood, september 2026 | Beschouwing 12 Het opvangvraagstuk vraagt om een verschuiving van denken. Daartoe is nodig dat in de meest basale zin een vorm van veilig­ Niet de vraag 'wie slaapt waar?' zou leidend moeten zijn, maar heids risicobeheersing ten aanzien van de noodopvang van 'hoe organiseren we veilige opvang?'. Dat betekent investeren kinderen in de asielketen wordt opgezet. Welke risico’s lopen in een robuuster opvangstelsel dat meer rekening houdt met kinderen en welke maatregelen worden getroffen om die risico’s mogelijke veranderende omstandigheden en tegenslagen. te verminderen? Wie heeft een verantwoordelijkheid voor die Noodopvang hoort een tijdelijk vangnet te zijn voor uitzonderlijke veiligheid, wie ziet erop toe? situaties en niet de manier waarop een regulier opvangsysteem wordt georganiseerd. Kinderen in de asielopvang bevinden zich in een positie waarin zij voor hun basisbehoeften en het waarborgen van hun rechten com pleet afhankelijk zijn van de Nederlandse overheid. Er is sprake Aandacht voor het kind in de praktijk van een vorm van systemisch falen binnen de asielopvang, waar­ In een robuuster opvangstelsel is er voortdurend aandacht voor door kinderen langdurig blootstaan aan onveiligheid, instab iliteit de veiligheid en ontwikkeling van kinderen. Dat begint met zicht en ontwikkelingsrisico’s die leiden tot schade of ontoe rei kende op hun situatie: weten waar zij verblijven, hoe het met hen gaat, zorg. Deze schade vloeit niet primair voort uit indivi dueel nalatig welke risico's zij lopen en wat de gevolgen zijn van verhuizingen handelen, maar ontstaat uit de manier waarop verant woorde lijk­ en langdurig verblijf in de noodopvang. Zonder dat zicht raken heden, capaciteit, beleid en uitvoering binnen het asielo pvang­ kinderen gemakkelijk uit beeld en worden zij een speelbal van het stelsel als geheel op elkaar inwerken, zelfs wanneer individuele systeem, zoals de praktijk van veelvuldige verhuizingen tussen professionals zich zorgvuldig en met goede intenties inzetten. Het noodopvanglocaties laat zien. Het Kinderrechtenverdrag vraagt onvermogen van de overheid om de noodopvang te beperken tot bovendien dat kinderen worden betrokken bij besluiten die hen een tijdelijk en laatste redmiddel leidt ertoe dat Nederland deze raken, op een manier die past bij hun leeftijd en ontwikkeling. Dat kinderen institutioneel verwaarloost, en structureel tekortschiet in vraagt om het luisteren naar hun belangen en perspectief, en het hun opvang en bescherming. expliciet meewegen van hun belangen om tot een veilige opvang te kunnen komen. Structurele noodopvang zorgt voor structurele verwaarlozing Dat er veranderingen in het opvangsysteem nodig zijn om de veilig heid van kinderen te garanderen is geen nieuwe boodschap. Zolang wezenlijke veranderingen uitblijven, vraagt het beheersen van de huidige onveiligheid de absolute prioriteit voor de duizen den kinderen die nu leven in deze onveilige opvangvorm. Kinderen in nood, september 2026 | Beschouwing 13 Aanbevelingen Het onderzoek laat twee samenhangende kernproblemen zien De onderstaande aanbevelingen vormen één samenhangend die ervoor zorgen dat kinderen langdurig, onveilig in de asiel­ geheel en kennen geen volgordelijkheid; zij dienen gelijktijdig en in noodopvang moeten verblijven. onderlinge samenhang te worden opgepakt. De minister van Asiel en A. Crisismaatregelen worden ingezet om om te gaan met een Migratie is nu, als stelselverantwoordelijke, aan zet. De minister moet structureel tekort aan opvangplekken. Door deze bestuurlijke de huidige, zoals in dit rapport gedefinieerde onveiligheid aanpakken keuze blijft duurzame opvangcapaciteit uit. Hierdoor wordt en de structurele voorwaarden scheppen voor een opvangsysteem noodopvang structureel ingezet. waarin kinderen niet opnieuw aan deze risico's worden blootgesteld. B. De noodopvang kent onvoldoende begrenzing en veiligheids­ waarborgen, waardoor kinderen structureel worden bloot­ Aan de minister van Asiel en Migratie: gesteld aan veiligheidsrisico's. 1. Verbeter binnen zes maanden de veiligheid van kinderen in de asielnoodopvang, en bestendig deze verbeteringen. Neem als De hoofdboodschap van de Onderzoeksraad is dat het opvang­ stelselverantwoordelijke regie over de kwaliteit en veiligheid systeem fundamenteel moet en kan veranderen om de structurele van de noodopvang en geef uitvoering aan ten minste de onveiligheid van kinderen weg te nemen. Tegelijkertijd kunnen volgende acties: kinderen niet wachten totdat deze systeemverandering is a. Neem direct de volgende maatregelen om de veiligheid gerealiseerd. Daarom is het noodzakelijk om op korte termijn maat­ van kinderen in de asielnoodopvang te verbeteren: regelen te nemen die de veiligheid van kinderen direct verbeteren, „ Breng op alle noodopvanglocaties de veiligheidsrisico's terwijl tegelijkertijd wordt gewerkt aan een duurzaam opvang­ voor kinderen in beeld en zorg dat geen enkel kind in systeem waarin deze onveiligheid zich niet opnieuw kan voordoen. een onveilige situatie verblijft. Hef onveilige situaties direct op of plaats kinderen over naar een locatie waar De Onderzoeksraad heeft kennisgenomen van de brief van de hun veiligheid is gewaarborgd. minister van Asiel en Migratie van 2 juni 2026 (Kamerstuk 19 637, „ Stel een harde maximale verblijfsduur voor kinderen in nr. 3565) over de positie van kinderen in de asielketen en over zijn noodopvang vast. visie op de mogelijkheden tot verbetering van hun veiligheid. Ook „ Creëer kwaliteits­ en veiligheidseisen voor noodopvang in dat licht acht de Onderzoeksraad het nog steeds noodzakelijk waar een bindende werking van uitgaat en zorg ervoor aanbevelingen te doen om direct uit de aanwezige crisislogica dat deze in de praktijk de veiligheid van kinderen te stappen en gelijktijdig de acute problemen van kinderen in de waarborgen. asielnoodopvang aan te pakken. „ Handhaaf de kwaliteits­ en veiligheidseisen van de noodopvang. Kinderen in nood, september 2026 | Aanbevelingen 14 b. Neem besluiten over noodopvang aantoonbaar vanuit de Dit moet bijdragen aan het ontstaan van een weerbaar belangen en veiligheid van kinderen. opvangstelsel dat schommelingen in het aantal mensen Geef bij het nemen van beslissingen consequent de dat asiel aanvraagt kan opvangen zonder structureel terug veiligheid van kinderen prioriteit en betrek hen hierbij, in lijn te vallen op noodopvang. met de uitgangs punten van een Kinderrechtentoets. b. Spoor gemeenten aan hun verantwoordelijkheid te nemen c. Signaleer, monitor en pak veiligheidsrisico's van ieder kind voor het realiseren van veilige opvang en stel ze hiertoe in direct aan. staat. Houd gedurende het verblijf van kinderen voortdurend Voorzie gemeenten langdurig van voldoende middelen, zicht op hun veiligheid, gezondheid, onderwijsdeelname, handelings ruimte en ondersteuning. Het Rijk dient zich in verhuis bewegingen en verblijfsduur. Besteed daarbij woord en daad op te stellen als mede­eigenaar van de expliciet aandacht aan de stapeling van problemen en het opvang opgave, zodat gemeenten die opvang realiseren gegeven dat door verhuizingen risico's uit beeld kunnen de bestuur lijke en politieke gevolgen van besluiten die raken. Zorg dat signalen tijdig worden herkend en dat voortvloeien uit nationaal beleid, zoals de Spreidingswet, passende maatregelen volgen. niet alleen dragen. d. Stel gemeenten en uitvoeringsorganisaties in staat om de c. Stel uitvoeringsorganisaties in staat veilige opvang te bieden. veiligheid van kinderen in de noodopvang te verbeteren. Voorzie uitvoeringsorganisaties van voldoende middelen, Zorg dat gemeenten en uitvoeringsorganisaties beschikken handelingsruimte en ondersteuning om de veiligheid over de middelen, handelingsruimte en ondersteuning en kwaliteit van de opvang te waarborgen. Verstevig die nodig zijn om veiligheidsrisico’s direct weg te daarnaast op korte termijn hun positie in de besluitvorming nemen en kinderen veilig op te vangen. Neem hierin als zodat zij (structurele) veiligheidsknelpunten uit de praktijk minister de regie en geef invulling aan de benodigde tijdig kunnen signaleren en rechtstreeks kunnen escaleren stelselverantwoordelijkheid voor kwaliteit en veiligheid van naar de minister. Neem als stelselverantwoordelijke de opvang. verantwoordelijkheid voor het voortvarend oplossen van deze knelpunten. 2. Stap uit de crisislogica en investeer in de oplosbaarheid van de structurele onveiligheid van kinderen in de asiel­ noodopvang. Zet daartoe in ieder geval de volgende stappen om een duurzaam en veilig opvangsysteem te creëren: a. Bouw de afhankelijkheid van noodopvang af. Zorg voor de volgende noodzakelijke randvoorwaarden: voldoende opvangplekken (zoals ook wordt beoogd met de Spreidingswet) die ook veilig zijn, reservecapaciteit en mr. C.J.L. van Dam MPM dr. V.J. Batelaan blijvend stabiele financiering van uitvoeringsorganisaties. voorzitter secretaris-directeur a.i. Kinderen in nood, september 2026 | Aanbevelingen 15 Lijst van begrippen en afkortingen Afkorting of begrip Omschrijving Alleenstaande minderjarige vreemdeling, voorheen alleenstaande minderjarige asielzoeker (ama) genoemd. amv Het gaat hierbij om kinderen die zonder ouder of wettelijk voogd in Nederland een asielaanvraag indienen. (Ministerie van) Asiel en Migratie. Sinds het aantreden van het Kabinet­Jetten valt de minister van Asiel A&M en Migratie weer onder het Ministerie Justitie en Veiligheid en is het Ministerie van Asiel en Migratie opgeheven. De ministerspost van Asiel en Migratie blijft wel gehandhaafd. Een asielzoeker vraagt een ander land dan diens thuisland om bescherming. Het land waar diegene asiel aanvraagt, moet onderzoeken of de asielzoeker onder het VN­Vluchtelingenverdrag valt, of onder de Asielzoeker voorwaarden voor een aanvullende vorm van internationale bescherming zoals vastgelegd in Europese verdragen (subsidiaire bescherming). Dit gebeurt in Nederland tijdens de asielprocedure. azc Asielzoekerscentrum COA Centraal Orgaan opvang asielzoekers DGO Duurzame gemeentelijke opvang, de langdurige tegenhanger van tijdelijke gemeentelijke opvang. European Asylum Support Office, sinds 19 januari 2022 vervangen door het European Union Agency for EASO Asylum. EKANN Expertisecentrum Kinderen en Adolescenten Nieuw in Nederland. Gezondheidszorg Asielzoekers Nederland B.V., verantwoordelijk voor eerstelijnsgezondheidszorg op GZA opvanglocaties. Het COA heeft middels een aanbesteding de (huisartsen)zorg uitbesteed aan GZA. IGJ Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd IND Immigratie­ en Naturalisatiedienst Internationale Schakelklas, klas voor kinderen van 12 t/m 18 jaar die korter dan twee jaar in Nederland ISK wonen. De ISK bereidt hen voor op vervolgonderwijs in Nederland. Kinderen in nood, september 2026 | Lijst van begrippen en afkortingen 16 Afkorting of begrip Omschrijving Inspectie JenV Inspectie Justitie en Veiligheid JenV (Ministerie van) Justitie en Veiligheid Het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties (het Internationale Verdrag inzake de Rechten van Kinderrechtenverdrag het Kind, (IVRK)). Stichting Nidos, de landelijke voogdij­ en opvangorganisatie voor alleenstaande minderjarige Nidos vreemdelingen (amv). Zij treedt op als wettelijk vertegenwoordiger en voogd voor kinderen en jongeren die zonder ouders of verzorgers in Nederland asiel aanvragen. De Europese Richtlijn 2013/33/EU regelt de minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de Opvangrichtlijn lidstaten van de Europese Unie (EU). Met ingang van 12 juni 2026 is deze richtlijn vervangen door een herziene Opvangrichtlijn, als onderdeel van het Europese Asiel­ en migratiepact. Pharos Landelijk expertisecentrum, gericht op het terugdringen van grote gezondheidsverschillen in Nederland. Landelijke organisatie; ondersteunt scholen die het eerste opvang­onderwijs aan nieuwkomers verzorgen LOWAN in zowel het primair als het voortgezet onderwijs. Programma van Eisen. Beschrijft de functionele en ruimtelijke eisen die het COA stelt aan opvanglocaties, PvE inclusief de ideale inrichting­ en huisvestingseisen. Een statushouder is een asielzoeker die een (tijdelijke) verblijfsvergunning in Nederland heeft gekregen. Statushouder Een statushouder wordt ook wel een vergunninghouder genoemd. Tijdelijke gemeentelijke opvang, opvangcentrum waarvoor niet het COA maar een gemeente de TGO verantwoordelijkheid draagt. VluchtelingenWerk Nederland, organisatie die zich inzet als belangenbehartiger voor asielzoekers en VWN vluchtelingen in Nederland en met vrijwilligers begeleiding biedt aan vluchtelingen vanaf aankomst tot volwaardige deelname aan de samenleving. WODC Wetenschappelijk Onderzoek­ en Datacentrum van het Ministerie van Justitie. VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten Kinderen in nood, september 2026 | Lijst van begrippen en afkortingen 17 1 Inleiding Sara heeft weinig privacy. Niet als ze slaapt, niet als Leven tussen ze zich omkleedt, niet tijdens het huiswerk maken. schotten Haar ouders proberen stabiliteit te bieden, maar ze Sara zijn zelf uitgeput. Haar peuterbroertje slaapt slecht en huilt veel, waardoor Sara zich soms schuldig voelt als ze boos wordt. Ze mist momenten alleen: Sara (15 jaar) woont al bijna een jaar met haar vader, een deur die even dicht kan en plek om rustig te moeder en peuterbroertje in een tijdelijke noodopvang lezen of haar favoriete dansjes te oefenen. Ze zegt waar gezinnen met minderjarige kinderen worden dat ze zich ‘altijd bekeken voelt’. Sara vertelt: ‘ik wil opgevangen. De noodopvang is ondergebracht in een grote een kamer hebben met muren en een plafond Figuur 1: Noodopvang met schotten (bron: evenementenhal. De privéruimtes waar kinderen en hun waar niemand mij kan horen huilen’. Onderzoeksraad voor Veiligheid). gezins leden overnachten, worden gescheiden door dunne schotten. In de slaapzalen slapen ongev eer zeventig bewoners ‘Ik wil een kamer hebben met bij elkaar. De schotten reiken niet tot het plafond en zijn nauwelijks geluidswerend. De deur van de privéruimtes kan muren en een plafond waar niet op slot. Er zijn geen ramen, er is geen daglicht en geen niemand mij kan horen huilen.’ ventilatiemogelijkheid. . Sara slaapt slecht. 's Nachts hoort ze de mensen om zich Hoewel het verblijf in deze hal als tijdelijk bedoeld heen praten, huilen of discussiëren. Een baby die twee ruimtes was, woont het gezin hier al elf maanden. Sara verderop huilt, een buurman die laat thuiskomt van een vraagt zich af hoelang ‘tijdelijk’ nog gaat duren. afspraak, de galm van een dichtvallende toiletdeur: alles klinkt Wanneer moeten zij verhuizen? Waar zullen zij Figuur 2: Privéruimte met stapelbedden in een door. De lichten in de hal gaan ’s morgens om 7 uur aan en ’s dan moeten wonen? Zal ze haar schooljaar noodopvang met schotten (bron: foto genomen avonds om 21 uur uit. kunnen afmaken? door een kind in het photovoice-project van de Onderzoeksraad voor Veiligheid). Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 18 1.1 Aanleiding zijn voor een verblijf langer dan een paar weken’. De casus van Sara geeft een inkijkje in het leven van kinderen in de noodopvang. De leefomstandigheden in noodopvanglocaties De inspectiediensten en een reeks andere organisaties (onder zijn vaak ondermaats. In Sara’s situatie is sprake van gebrekkige meer de Kinderombudsman, de Nationale ombudsman2 en huisvesting (schotten), weinig privacy (geen plafonds en geen VluchtelingenWerk Nederland3) drongen meermaals aan slot op de deur) en beperkte autonomie (verlichting die op vaste op verandering. De Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie tijden wordt aan­ en uitgezet). Daarnaast beschrijft Sara hoe het JenV) rapporteerde tussen 2022 en 2024 regelmatig en met gebrek aan stabiliteit onzekerheid creëert in haar dagelijks leven, steeds grotere urgentie over de slechte leefomstandigheden en leidt tot onzekerheid over de voortzetting van haar onderwijs. van kinderen in de noodopvang. Dat deed zij vaak samen met In 2025 verbleven ongeveer zevenduizend kinderen zoals Sara andere inspectiediensten zoals de Inspectie Gezondheidszorg en haar broertje maandenlang, en soms zelfs jaren, in de nood­ en Jeugd (IGJ). Zo constateerden vier inspectiediensten in 2023 opvang. Dit rapport gaat in op de veiligheid van deze kinderen. in een gezamenlijke brandbrief aan de staatssecretaris dat de noodopvang voor kinderen op het gebied van leef omstandig­ Halverwege het jaar 2021 ging het Centraal Orgaan opvang heden, zorg en onderwijs niet voldeed aan de minimale kwaliteits­ asiel zoekers (COA) over tot de inzet van noodopvang, omdat normen.4 In de zomer van 2025 stuurde de Inspectie JenV opnieuw de reguliere asielopvang op dat moment niet langer genoeg een brief aan het Ministerie van Asiel en Migratie, medeondert ekend opvang plekken bood voor mensen die in Nederland asiel hadden door de IGJ en de Inspectie van het Onderwijs. De inspectied iensten aangevraagd. In de periode van 2021 tot en met 2025 kwamen constateerden dat ‘ondanks een aantal verbeteringen en de er veel signalen dat de veiligheid van kinderen in nood opvang­ variatie in kwaliteit van noodopvanglocaties – de veiligheid en het locaties in het geding was. Zo schreven het College voor de welzijn van kinderen in de noodopvang nog steeds onvoldoende Rechten van de Mens en de Nationale ombudsman in november zijn gewaarborgd’.5 2021 een brief aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over hun bezoek aan noodopvang Heumensoord waar duizend Ondanks alle signalen is het aantal kinderen dat in noodopvang­ gevluchte Afghanen verbleven, onder wie 450 kinderen.1 Zij stelden locaties verblijft in de afgelopen jaren gestegen (zie figuur 3). In dat de omstandigheden in deze noodopvang ‘volstrekt ongeschikt totaal verbleven in juli 2025 ongeveer 6.900 kinderen in de nood­ 1 Brief van Nationale ombudsman en College voor de Rechten van de Mens aan Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, ‘Bezoek College voor de Rechten van de Mens en Nationale ombudsman aan noodopvang Heumensoord’, 8 november 2021. 2 Kinderombudsman en Nationale ombudsman, De crisis voorbij. Naar een menswaardige opvang van asielzoekers vanuit mensenrechten en kinderrechtelijk perspectief, 27 juni 2023. 3 VluchtelingenWerk Nederland, Tweede QuickScan leefomstandigheden noodopvanglocatie asielzoekers, 1 maart 2022; VluchtelingenWerk Nederland, Gevlucht en vergeten? Leefomstandigheden in de (crisis)noodopvang voor asielzoekers, 7 september 2023. 4 Inspectie Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs en de Nederlandse Arbeidsinspectie, Brief ‘Kinderen in de noodopvang en crisisnoodopvang’, 19 april 2023. 5 Inspectie van Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs, Brief ‘Verbetermaatregelen noodopvang: situatie kinderen onveranderd zorgelijk’, 17 juli 2025. Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 19 opvang, van de in totaal ongeveer 17.000 kinderen die op dat Er zijn verschillende soorten noodopvang. Kinderen in moment in Nederland in de asielopvang zaten.6 gezinsverband kunnen terechtkomen in een COA­noodopvang Het gaat om minder jarige kinderen met een of meer familieleden of een tijdelijke gemeentelijke opvang (TGO)8. Het COA vangt (veelal één of beide ouders) en om alleenstaande kinderen alleen staande kinderen op in specifiek voor hen bedoelde amv­ van 15 tot 18 jaar7 (de zoge noemde alleenstaande minderjarige noodopvang. vreemdelingen, afgekort amv). 18.000 5.000 16.000 4.500 4.000 14.000 3.500 12.000 3.000 10.000 2.500 8.000 2.000 6.000 1.500 4.000 1.000 2.000 500 0 0 septe mbe d r- e 2 c 1 e mber-21 maart-22 jun s i e - p 22 te mbe d r- e 2 c 2 e mber-22 maart-23 jun s i e - p 23 te mbe d r- e 2 c 3 e mber-23 maart-24 jun s i e - p 24 te mbe d r- e 2 c 4 e mber-24 maart-25 juni-25 septe mbe d r- e 2 c 1 e mber-21 maart-22 jun s i e - p 22 te mbe d r- e 2 c 2 e mber-22 maart-23 jun s i e - p 23 te mbe d r- e 2 c 3 e mber-23 maart-24 jun s i e - p 24 te mbe d r- e 2 c 4 e mber-24 maart-25 juni-25 - Totaal aantal kinderen in asielopvang - Totaal aantal kinderen in noodopvang - Kinderen in COA-noodopvang - Kinderen in crisisnoodopvang/TGO - Kinderen in AMV-noodopvang Figuur 3: (a) Aantal kinderen in de asielopvang en in de noodopvang, en (b) aantal kinderen in de noodopvang gesplitst naar type locatie (bron: COA). 6 Het aantal kinderen in de (nood)opvang is gebaseerd op de dataregistratie die het COA uitvoert. Ook de in dit rapport genoemde data met betrekking tot het aantal opvang locaties, openingsduur van locaties, verblijfsduur van kinderen in noodopvang, verhuisbewegingen zijn gebaseerd op de data zoals geregistreerd door het COA en is opgevraagd door de Onderzoeksraad. In bijlage F is een methodologische verantwoording opgenomen met betrekking tot gebruik van de data uit de COA­registratie in dit rapport. 7 Alleenstaande kinderen jonger dan 15 jaar worden niet in de noodopvang geplaatst en vallen daarom buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Deze kinderen worden door Nidos opgevangen, doorgaans in opvanggezinnen en sommige gevallen in kleinschalige woonvoorzieningen.. 8 In 2022 werden Veiligheidsregio’s en gemeenten gevraagd het COA te helpen met het realiseren van tijdelijke noodopvanglocaties, zogenoemde crisisnoodopvanglocaties (CNO). Na een jaar trekken de Veiligheidsregio’s zich terug en wordt een deel van de door gemeenten opgezette CNO omgezet naar tijdelijke gemeentelijke opvang (TGO). In een TGO voert niet het COA maar de gemeente het dagelijkse beheer. Zie paragraaf 2.2.4 voor meer toelichting. Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 20 Bij de eerste inzet van noodopvang in 2021 was er expliciet sprake inspectiediensten en een reeks andere organisaties aan dat de van een tijdelijke en uit nood geboren oplossing. Inmiddels is leefomstandigheden op veel noodopvanglocaties niet geschikt het inzetten van noodopvang een blijvend alternatief geworden zijn voor kinderen. Er is sprake van een impasse; hoewel de door het gebrek aan duurzame reguliere opvangplekken. onveilige leefomstandigheden voor kinderen in de noodopvang Noodopvang is bijvoorbeeld gevestigd in evenementenhallen, een bekend probleem vormen binnen het werkveld en bij zoals in het geval van Sara en haar broertje in de casus aan het beleidsmakers, lukt het de Nederlandse overheid niet om hier begin van dit hoofdstuk. Maar ook leegstaande kantoren, hotels, structureel verandering in aan te brengen. recreatiewoningen, schepen en tijdelijke containerwoningen worden gebruikt. De noodopvang is in ongeveer vier jaar tijd De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft besloten om onderzoek gegroeid naar 229 COA­noodopvanglocaties en 49 zogenoemde te doen naar de veiligheid van kinderen in de asielnoodopvang. TGO’s in juli 2025. In juli 2025 waren er in Nederland 124 reguliere De focus ligt op de situatie waarin kinderen worden opgevangen opvanglocaties.9 Ongeveer de helft van alle asielzoekers is in in noodopvang waar de leefomstandigheden ondermaats zijn, en 2025 opgevangen in de noodopvang. Van de kinderen die op 1 juli op de vraag waardoor die situatie maanden­ en soms jarenlang 2025 in de asielopvang verbleven, woonden er bijna 5.200 (onder blijft voortduren. Waar andere instanties en inspectiediensten zich wie 1.600 alleenstaande kinderen) langer dan een jaar op één of in het verleden al regelmatig en veelvuldig hebben uitgelaten over meerdere noodopvanglocaties.10 de problematiek in de noodopvang, benadert de Onderzoeksraad dit vraagstuk expliciet vanuit een veiligheidsperspectief. Kinderen die alleen of onder begeleiding van hun ouders naar Daarnaast richt de analyse zich op de vraag hoe de aanwezige Nederland vluchten en een asielprocedure doorlopen, vormen een veiligheidsrisico’s vanuit bestuurlijk perspectief zijn ontstaan, en kwetsbare groep. Zij zijn voor hun veiligheid en welzijn afhankelijk hoe deze kunnen worden beheerst. van de Nederlandse overheid die de opvang organiseert. Met de jarenlange inzet van noodopvang accepteert de overheid dat kinderen langdurig moeten leven op noodopvanglocaties 1.2 Definitie van veiligheid van kinderen in de die niet bestemd zijn voor een langdurig verblijf. Hoewel noodopvang medewerkers van de direct bij de opvang betrokken partijen, De Onderzoeksraad definieert veilige opvang van kinderen als zoals het COA en gemeenten, dag in dag uit werken aan goede een omgeving waarin risico’s op fysieke en mentale schade opvang van kinderen die asiel hebben aangevraagd, geven in acceptabele mate worden beheerst, zowel op de korte als 9 Zie figuur 5 in paragraaf 2.3 voor een overzicht van het aantal reguliere opvanglocaties, COA­noodopvanglocaties en crisisnoodopvanglocaties/TGO’s in de afgelopen jaren. 10 Zie tabel 1 in paragraaf 2.3 waarin de verblijftijd in de noodopvang is gegeven van alle kinderen die op 1 juli 2025 werden opgevangen (in de reguliere opvang of noodopvang). Daarnaast is in deze tabel ook de verblijftijd genoemde van de kinderen die in de afgelopen jaren de asielopvang hebben verlaten. Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 21 lange termijn.11 Veiligheid omvat dus twee met elkaar verweven een veilige omgeving ziet als de daar verblijvende kinderen dimensies: fysieke en mentale veiligheid. De fysieke veiligheid kunnen opgroeien in gezonde en stabiele leefomstandigheden. van kinderen in de noodopvang wordt bepaald door de mate Als de risico’s op fysieke of mentale schade bij de kinderen waarin zij worden blootgesteld aan agressie, fysiek geweld, in de noodopvang niet worden beheerst, is er volgens de grensoverschrijdend gedrag, gezondheidsrisico’s en een fysiek Onderzoeksraad sprake van een veiligheidstekort. In dit onderzoek gevaarlijke omgeving, en de mate waarin kinderen hiertegen worden de volgende risicogebieden onderscheiden die van beschermd worden. Mogelijke gevolgen van aantasting van belang zijn voor deze veilige leefomgeving: de fysieke veiligheid zijn lichamelijk letsel, slechte hygiëne en 1. De fysieke leefomstandigheden, gerelateerd aan het gezondheidsschade. De mentale veiligheid van kinderen wordt onderkomen waar kinderen verblijven. bepaald door aspecten als sociaal­emotionele ondersteuning 2. De mate waarin kinderen op een noodopvanglocatie en ontwikkelingskansen (onder andere de ter plaatse aanwezige autonomie en privacy ervaren. begeleiding en de toegang tot onderwijs), de autonomie en het 3. De mate waarin kinderen op een noodopvanglocatie worden gevoel van privacy dat zij ervaren, en het gevoel van controle blootgesteld aan of getuige zijn van fysiek en seksueel geweld, en stabiliteit. Mogelijke uitingen van aantasting van de mentale en de aanwezigheid van een (on)veilige sociale omgeving. veiligheid zijn gevoelens van stress, angst en somberheid. 4. De mate waarin kinderen op een noodopvanglocatie zich kunnen ontwikkelen (toegang tot onderwijs en dagbesteding). Kinderen zitten volop in hun cognitieve, lichamelijke en 5. De toegang tot en continuïteit van medische zorg wanneer emotionele ontwikkeling. Wanneer zij blootgesteld worden aan kinderen die nodig hebben. mentale of fysieke veiligheidstekorten, heeft dit gevolgen voor 6. De mate waarin kinderen op een noodopvanglocatie stabiliteit deze ontwikkelingsprocessen die onomkeerbaar kunnen zijn. in levensomstandigheden en toekomstperspectief ervaren. Wetenschappelijk onderzoek toont dat hoe langer kinderen worden blootgesteld aan veiligheidstekorten, des te groter het In bijlage D.1 zijn deze zes risicogebieden uitgewerkt ten behoeve risico is dat hun veerkracht wordt aangetast en dat zij op lange van het referentiekader dat de Onderzoeksraad heeft ontwikkeld termijn ontwikkelingsschade oplopen.12 voor dit onderzoek. In hoofdstuk 3 volgt een bespreking van elke van deze risicogebieden in relatie tot de leefomstandigheden voor Hieruit volgt dat de Onderzoeksraad de noodopvang pas als kinderen in de noodopvang. 11 Met ‘schade op korte en lange termijn’ wordt hier bedoeld dat er negatieve impact is op de fysieke of mentale gezondheid en het de fysieke, cognitieve en sociale ontwikkeling van een kind die zich nu of in de toekomst manifesteert. Met een ‘acceptabele mate’ van risicobeheersing doelen wij op de mate die wij, op grond van het in dit onderzoek gehanteerde referentiekader (zie paragraaf 1.5 en bijlage D.1) redelijk achten in het kader van de veiligheid voor kinderen die verblijven in de asiel(nood)opvang in Nederland. 12 Van der Kuil, Marjolein. Structuur, steun en stabiliteit. Mentale zorgverlening voor kinderen in de asielopvang en wat daarvoor nodig is. Uitgave van Werkgroep Kind in azc, 2024. Zie ook: Pharos en Save the Children, Gevlucht en geland Psychosociale steun en mentale zorg in Nederland voor jongeren met een vluchtachtergrond, maart 2023; Save the Children, M. Snijder en M. Apgar, Institute of Development. Psychosocial wellbeing for children in Dutch asylum reception centers Team Up Impact evaluation. April 2024; NCJ­onderzoek Stress bij kinderen: hoe houden we het gezond? Stress bezien vanuit de Jeugdgezondheidszorg, 2019. Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 22 De (on)veiligheid van kinderen moet gezien worden als een 1. Welke veiligheidstekorten bestaan in de noodopvanglocaties doorlopend proces. In dit proces werken de risico’s die de mate waar kinderen worden opgevangen? van fysieke en mentale veiligheid van kinderen bepalen op elkaar 2. Wat verklaart dat er veiligheidstekorten voor kinderen in het in, en beïnvloeden elkaar. Inbreuken op de fysieke veiligheid asielopvangsysteem met noodopvang bestaan? ondermijnen de mentale veiligheid, en vice versa. Bovendien 3. Wat verklaart dat deze veiligheidstekorten blijven voortbestaan? dient rekening te worden gehouden met een opeenstapeling In dit onderzoek kijkt de Onderzoeksraad naar de veiligheids­ van risico’s. Wanneer kinderen niet buiten kunnen spelen is dat problematiek rond alle kinderen van 0 tot 18 jaar die binnen de onprettig. Maar als zij daarnaast niet naar school gaan, leven asielketen in Nederland worden opgevangen in noodopvang, in een omgeving met weinig privacy, getuige zijn van vecht­ ongeacht de status van hun asielprocedure. Dit betreft zowel partijen en geen perspectief zien op verbetering, tasten deze alleenstaande kinderen als kinderen die samen met hun gezin leefomstandig heden het mentale welbevinden en/of de gezond­ de asielprocedure in Nederland doorlopen. Het onderzoek richt heid van deze kinderen rechtstreeks aan. Door deze opeen­ zich op de noodopvang georganiseerd door het COA en de stapeling versterken veiligheidstekorten elkaar over en weer en noodopvang georganiseerd door gemeenten (TGO’s). kunnen zij een grotere schadelijke impact hebben. Voor de verdere afbakening van dit onderzoek wordt verwezen naar de onderzoeksverantwoording in bijlage A. De casus van Sara aan het begin van het rapport laat zien waar een ongeschikte leefomgeving voor een kind in een nood opvang­ locatie toe kan leiden. Hier is sprake van een opeenstapeling 1.4 Onderzoeksaanpak van veiligheidsrisico’s op het terrein van huisvesting, autonomie De onderzoeksaanpak wordt hieronder toegelicht aan de en privacy, en stabiliteit. Deze opeenstapeling maakt de nood­ hand van de beantwoording van de onderzoeksvragen. Een opvanglocatie waar Sara verblijft tot een onveilige omgeving om uitgebreide uitwerking van deze aanpak is opgenomen in de op te groeien. onderzoeksverantwoording in bijlage A. Onderzoeksvraag 1 1.3 Doel, focus en onderzoeksvragen Voor het beantwoorden van onderzoeksvraag 1 (Welke veiligheids- De onveilige leefomstandigheden voor kinderen in tekorten bestaan in de noodopvanglocaties waar kinderen noodopvanglocaties zijn een bekend probleem, maar het lukt de worden opgevangen?) zijn verschillende typen kwalitatieve Nederlandse overheid niet om hier structureel verandering in aan en kwantitatieve data verzameld en vervolgens met elkaar te brengen. Met dit onderzoek wil de Onderzoeksraad bijdragen geïntegreerd (‘mixed methods’). aan het doorbreken van deze al vele malen eerder gesignaleerde A. Review van andere onderzoeken. situatie, die ertoe leidt dat de onveiligheid van kinderen in de B. Opstellen conceptueel model van veiligheid. noodopvang blijft voortduren. Om dit doel te bereiken, heeft de C. Veldonderzoek (interviews, observatie, photovoice). Onderzoeksraad de volgende drie onderzoeksvragen geformuleerd: D. Verzamelen van kwantitatieve data. Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 23 A. De veiligheid van kinderen in de Nederlandse (nood)opvang­ ouders die met hun minderjarige kinderen in de noodopvang locaties is al jaren een breed erkend probleem. Door een verblijven en photovoice13 met kinderen vanaf twaalf jaar. systematische review van zestig onderzoeken, inspectie­ In de uitwerking van het veldonderzoek zijn in dit onderzoek brieven, rapporten en andere documenten is deze veiligheids­ verschillende casussen beschreven die de onveilige problematiek inzichtelijk gemaakt. De informatie is afkomstig omstandigheden op de noodopvanglocaties illustreren. van de vele partijen die tijdens de onderzoeksperiode 2021­2025, soms meermaals, over het onderwerp hebben gerapporteerd. In D. In het onderzoek wordt gebruik gemaakt van kwantitatieve Bijlage C is de lijst van deze documenten opgenomen. data die inzicht bieden in zowel de leefomstandigheden van kinderen in de noodopvang als in de omvang van de B. Op basis van de review heeft de Onderzoeksraad de veiligheidsproblematiek, voor zover die data beschikbaar zijn. belangrijkste veiligheidsrisico’s geordend in een conceptueel Zo zijn gegevens van het COA opgevraagd over aantallen model ‘veiligheid’. Dit model beschrijft hoe de Onderzoeksraad kinderen, locatiekenmerken, beschikbare faciliteiten en aankijkt tegen de leefomstandigheden waar kinderen aan voorzieningen op noodopvanglocaties, duur van het verblijf worden blootgesteld tijdens hun verblijf in de noodopvang en op noodopvanglocaties en aantallen verhuisbewegingen. waar die leefomstandigheden raken aan hun veiligheid. Dit Het Wetenschappelijk Onderzoek­ en Datacentrum (WODC) model is aangescherpt gedurende de onderzoeksactiviteiten. leverde informatie over het aantal incidenten en misdrijven Dit heeft geresulteerd in de zes risicogebieden zoals genoemd dat plaatsvindt in noodopvanglocaties waar zich kinderen in paragraaf 1.2. Ze zijn uitgewerkt in het referentiekader voor bevinden. In bijlage F is een methodologische verantwoording de veiligheid van kinderen in de noodopvang (zie bijlage D.1). van het gebruik van de kwantitatieve data gegeven. C. De genoemde risicogebieden vormen het uitgangspunt Onderzoeksvraag 2 en 3 voor het (kwalitatief­empirische) veldonderzoek naar de Voor de beantwoording van onderzoeksvraag 2 (Wat verklaart dat veiligheidssituatie van kinderen die in noodopvanglocaties er veiligheidstekorten voor kinderen in het asielopvangsysteem verblijven. Doel van dit veldonderzoek is het verzamelen van met noodopvang bestaan?) en onderzoeksvraag 3 (Wat verklaart data om dieper inzicht te krijgen in de al breed bekende dat deze veiligheidstekorten blijven voortbestaan?) is allereerst fysieke en mentale veiligheidsrisico’s. Hierbij nemen we het systeem van noodopvang in kaart gebracht. Hiervoor zijn expliciet het perspectief mee van het kind. De Onderzoeksraad alle betrokken partijen met hun taken, verantwoordelijkheden heeft acht noodopvanglocaties in Nederland bezocht in de en bevoegdheden beschreven. Daarnaast is een tijdlijn van eerste helft van 2025, meestal gedurende meerdere dagen. gebeurtenissen gemaakt. Vervolgens is een systemische analyse Voor de dataverzameling zijn de volgende methoden ingezet: uitgevoerd die ingaat op de dynamiek van krachten, belangen, observaties, interviews met medewerkers, interviews met invloeden en veronderstellingen tussen betrokken partijen op 13 Photovoice is een participatieve onderzoeksmethode waarbij deelnemers door middel van door henzelf gemaakte foto’s hun leefwereld in beeld brengen en vervolgens in een groep in gesprek gaan over deze foto’s. Deze methode is geschikt om potentieel kwetsbare onderzoeksparticipanten, zoals kinderen, aan het woord te laten. Voor een nadere omschrijving van deze methode wordt verwezen naar hoofdstuk 3.2 en Bijlage A: Onderzoeksverantwoording. Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 24 verschillende lagen van het systeem van noodopvang (van en begeleiding.16 Omdat de beschermende, opvoedende en partijen op locatieniveau, tot aan overheids­ en uitvoerings­ zorgdragende rol van ouders ontbreekt, zijn alleenstaande niveau). Om de nodige informatie te vergaren, hebben de minderjarigen extra kwetsbaar. onderzoekers de betrokken partijen geïnterviewd en gericht documenten opgevraagd en bestudeerd. Zoals in paragraaf 1.2 vermeld, ziet de Onderzoeksraad de (nood)opvang als een veilige omgeving wanneer de daar verblijvende kinderen kunnen opgroeien in gezonde en stabiele 1.5 Referentiekader leefomstandigheden. Om deze veilige leefomgeving te kunnen De Onderzoeksraad hanteert het uitgangspunt dat alle kinderen bieden, moeten noodopvanglocaties waar kinderen voor recht hebben op een veilige omgeving om op te groeien en langere tijd17 verblijven (ten minste) voldoen aan de eisen aan zich te kunnen ontwikkelen. Kinderen die asiel aanvragen in opvang zoals gesteld in de Europese Opvangrichtlijn 2013/33/EU18 Nederland en worden opgevangen in asielopvangcentra (inclusief (hierna: Opvangrichtlijn). Ook moeten de leefomstandigheden noodopvanglocaties) zijn afhankelijk van de overheid voor hun op de noodopvanglocaties in overeenstemming zijn met het bescherming en voor de vervulling van hun basisbehoeften.14 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: De kwetsbare positie van kinderen in de asielketen legt de het Kinderrechtenverdrag)19 en met het Europees Verdrag voor overheid een extra verplichting op wat betreft hun bescherming. de Rechten van de Mens (EVRM).20 In bijlage D.1 zijn de vereisten Als een alleenstaand kind asiel aanvraagt zonder ouders of uitgewerkt die bepalend zijn voor leefomstandigheden in de wettelijk vertegenwoordigers ­ de zogenoemde alleenstaande noodopvang, gerelateerd aan de zes risicogebieden zoals minderjarige vreemdeling (amv)15 ­ draagt de overheid de benoemd in paragraaf 1.2. volledige verantwoordelijkheid voor zijn/haar veiligheid, verzorging 14 De opdracht van de overheid om zorg te dragen voor de opvang van asielzoekers, en hun immateriële en materiële behoeften vloeit voort uit Europese Opvangrichtlijn (Richtlijn 2013/33). Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in nationale wetgeving, met name de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (RVA) 2005. 15 In dit rapport wordt de term ’alleenstaande kinderen’ gebruikt voor kinderen die zonder ouder of wettelijk vertegenwoordiger de asielprocedure in Nederland doorlopen. Wanneer wordt verwezen naar beleid, sturing en institutionele contexten, wordt de officiële afkorting amv (alleenstaande minderjarige vreemdelingen) gevolgd. 16 In overeenstemming de Opvangrichtlijn (artikel 24) en het Kinderrechtenverdrag (artikel 20). 17 Ter indicatie: De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geeft in november 2020 aan dat asielzoekers voor maximaal zeven dagen in crisisnoodopvang mogen worden opgevangen (Kamerstukken II 2020/21, 19 637, nr. 2684). En in het programma van eisen voor noodopvang (COA, april 2023) is de maximale verblijfstijd van bewoners op 6 maanden gesteld. 18 De Europese Opvangrichtlijn 2013/33 is van toepassing op burgers uit derde landen en staatlozen die een verzoek hebben ingediend om internationale bescherming op het grondgebied van een EU­lidstaat. De Opvangrichtlijn kent specifieke voorschriften met betrekking tot kinderen, die bindend zijn voor Nederland. De Opvangrichtlijn (Richtlijn 2013/33) is met ingang van 12 juni 2026 ingetrokken en vervangen door de herziene Opvangrichtlijn, Richtlijn 2024/1346. 19 Het Kinderrechtenverdrag (het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)) beschermt de rechten van iedereen jonger dan achttien jaar. Uit dit verdrag vloeien voor de overheid speciale verplichtingen voort ten aanzien van kinderen die asiel zoeken of erkend vluchteling zijn, zodat hun ontwikkeling en waardigheid beschermd worden. Het Kinderrechtenverdrag is in 1989 aangenomen door de Verenigde Naties en in 1995 bekrachtigd door Nederland. Door die bekrachtiging heeft Nederland de verplichting het verdrag na te leven. 20 Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verankert onder andere het recht op eerbieding van het privé, familie­ en gezinsleven (artikel 8) en het recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5). Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 25 Aanvullend hierop verwacht de Onderzoeksraad dat bij de ondernemen hier actie op. De Rijksoverheid moet vervolgens de opvang van kinderen rekening wordt gehouden met de andere betrokken partijen, zoals uitvoeringsorganisaties COA effecten van een opeenstapeling van veiligheidstekorten in de en Nidos en de medeoverheden (gemeenten), in staat stellen leefomstandigheden. Juist door die opeenstapeling kan een hun taak naar behoren uit te voeren. Hoewel partijen binnen het voor kinderen onveilige situatie ontstaan. De opeenstapeling (nood)opvangstelsel gedeelde, gedifferentieerde taken hebben, van tekorten kan er op langere termijn voor zorgen dat kinderen dragen zij gezamenlijk de verantwoordelijkheid om veilige opvang achterblijven in hun emotionele en sociale ontwikkeling. voor kinderen te realiseren. In bijlage D.2 zijn deze uitgangspunten in een uitgebreid referentiekader uitgewerkt. Aanleiding voor dit onderzoek is de langdurige inzet van noodopvang met leefomstandigheden die voor kinderen onveilig zijn, en het feit dat het de Nederlandse overheid niet lukt om hier 1.6 Leeswijzer structureel verandering in aan te brengen. De Onderzoeksraad In dit rapport wordt in hoofdstuk 2 beschreven welke plek de beschouwt het onderliggende probleem van een tekort aan nood opvang inneemt in het systeem van asielopvang. Het hoofd­ opvangcapaciteit in het asielsysteem niet als een crisis in de stuk gaat in op welke partijen betrokken zijn bij de noodo pvang zin van een onverwachte gebeurtenis waardoor, in onzekere en wat hun verantwoordelijkheden zijn. Daarna beschrijft het omstandigheden en onder tijdsdruk, ingrijpende beslissingen hoofdstuk hoe de inzet van noodopvang zich heeft ontwikkeld, moeten worden genomen om acute aanwezige risico’s te met name vanaf 2021. Tot slot wordt met behulp van cijfers aan­ beheersen. Dit probleem speelt immers al vele jaren en wordt getoond dat noodopvang niet langer incidenteel en kortstondig gekenmerkt door een dynamische en onvoorspelbare interactie is, maar structureel wordt ingezet om opvang te realiseren voor tussen gebeurtenissen en ontwikkelingen, zoals een fluctuerend kinderen die asiel hebben aangevraagd. aantal asielzoekers dat naar Nederland komt. Hoe om te gaan met een dergelijke situatie wordt in de literatuur beschreven als Hoofdstuk 3 gaat in op de veiligheidsrisico’s waar kinderen in de ‘goed bestuur in turbulente tijden’.21 noodopvang mee worden geconfronteerd en geeft antwoord op onderzoeksvraag 1 (Welke veiligheidstekorten bestaan in In lijn hiermee verwacht de Onderzoeksraad dat overheids­ de noodopvanglocaties waar kinderen worden opgevangen?) handelen door de bij asielopvang betrokken overheidspartijen Het hoofdstuk werkt toe naar de constatering dat kinderen voor gestoeld is op ‘robuust bestuur’. Dit houdt in dat bij het organiseren langere tijd te maken hebben met een opeenstapeling van van de opvang van asielzoekers rekening wordt gehouden met veiligheidsrisico’s. mogelijke veranderende omstandigheden en tegenslagen, waarbij de veiligheid van kinderen altijd gewaarborgd moet In de hoofdstukken 4 en 5 volgt de analyse van het systeem van blijven. De partijen pikken signalen over veiligheidsrisico’s op en noodopvang dat is ontstaan om asielzoekers te kunnen opvangen. 21 C. Ansell et al., Robust Governance in Turbulent times, 2024. Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 26 Hoofdstuk 4 gaat in op de systemische tekorten die ertoe leiden dat kinderen worden opgevangen op onveilige nood­ opvanglocaties. In hoofdstuk 5 staat de vraag centraal waardoor deze situatie blijft voortbestaan. Deze twee analyseh oofdstukken geven antwoord op onderzoeksvraag 2 (Wat verklaart dat er veiligheidstekorten voor kinderen in het asielopvangsysteem met noodopvang bestaan?) en onderzoeksvraag 3 (Wat verklaart dat deze veiligheidstekorten blijven voortbestaan?). Hoofdstuk 6 bevat de conclusies van dit onderzoek. Tot slot worden in hoofdstuk 7 de aanbevelingen gegeven die de Onderzoeksraad naar aanleiding van dit onderzoek heeft opgesteld. Kinderen in nood, september 2026 | H1 Inleiding 27 2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem Noodopvang neemt, naast reguliere opvang, een belangrijke plek 2.1 Betrokken partijen en verantwoordelijkheden in binnen het huidige systeem van asielopvang in Nederland. Daar zijn verschillende partijen bij betrokken. Aangezien deze partijen Verantwoordelijkheden in het asielsysteem ook, direct of indirect, betrokken zijn bij de veiligheid van kinderen Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) is verantwoordelijk in de noodopvang, is het binnen dit onderzoek van belang om voor het asielstelsel en de opdrachtgever van verschillende hun rollen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in kaart te organisaties in de migratieketen, waaronder het Centraal brengen. Dat is het doel van dit hoofdstuk. Orgaan opvang asielzoekers (COA).22 Het ministerie ontwikkelt het asielbeleid en is verantwoordelijk voor de regie op de De beschrijving in paragraaf 2.1 gaat uit van de situatie zoals die migratieketen.23 De wettelijke taak tot (im)materiële opvang bestond tot juli 2025. Mede als gevolg van politiek­bestuurlijke en plaatsing van asielzoekers is belegd bij het COA.24 Het COA keuzes is het asielopvangsysteem een zeer dynamisch systeem. is onder andere verantwoordelijk voor het opvangen van Ook de verdeling van de verantwoordelijkheden voor de realisatie asielzoekers, het verwerven en beheren van opvanglocaties, van de noodopvang is met regelmaat gewijzigd. De situatie (in juli het begeleiden van asielzoekers, het zorgen voor de voor hen 2025) laat zich dan ook alleen goed begrijpen in het licht van hoe noodzakelijke middelen en het handhaven van de veiligheid die is ontstaan. Daarom biedt paragraaf 2.2 een korte historische en de leefbaarheid op locaties. Het COA is een zelfstandig reconstructie. We maken duidelijk hoe de inzet van noodopvang bestuursorgaan (zbo) en ontvangt financiering van het Ministerie de afgelopen jaren tot stand is gekomen en hoe noodopvang zich, van JenV om zijn taak uit te voeren. als onderdeel van het totale asielopvangsysteem, heeft ontwikkeld tot wat het vandaag de dag is. In paragraaf 2.3 wordt ten slotte met behulp van cijfers een beeld geschetst van de omvang van de inzet van de noodopvang. 22 In de periode van 2 juli 2024 ­ 23 februari 2026 betrof dit het ministerie van A&M. Zie voor toelichting de blauwe box in deze paragraaf. 23 Ministerie van Justitie en Veiligheid, Introductiedossier Ministerie van Justitie en Veiligheid, juni 2024. 24 Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, 5 juli 1994 (Wet COA). Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 28 Regietafels van de verschillende provinciën hebben een Ontwikkelingen rond het Ministerie van Asiel en Migratie (A&M) coördinerende rol; het Rijk bepaalt de benodigde opvang plekken In de periode van het kabinet­Schoof (2 juli 2024 ­ 23 februari 2026) is het Ministerie van Asiel en verdeelt deze over de twaalf provincies, en de Commissarissen en Migratie (A&M) opgericht als zelfstandig departement, met een nieuwe ministerspost met van de Koning overleggen met de gemeenten over de invulling de verantwoordelijkheid voor het asiel­ en migratiebeleid, de minister van Asiel en Migratie. van deze taak. Gemeenten stellen vervolgens locaties beschik­ Taken die voorheen onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) vielen, werden baar aan het COA. Het COA zorgt voor de benodigde financiering daarmee ondergebracht bij het nieuwgevormde ministerie. en faciliteert de voorzieningen op locaties. In overleg kan ervoor gekozen worden om de exploitatie van opvanglocaties bij Onder het kabinet­Jetten is het Ministerie van Asiel en Migratie opgeheven. De verantwoordelijk­ gemeenten te beleggen.26 De minister van A&M treedt op als heden op het terrein van asiel en migratie zijn opnieuw ondergebracht bij het ministerie van JenV. toezicht houder in het kader van de Spreidingswet en kan hand­ De minister van Asiel en Migratie is wel als afzonderlijke ministerspost gehandhaafd binnen JenV. haven wanneer gemeenten tekortschieten in het realiseren van opvang plekken conform verdeelbesluiten in het kader van de In dit rapport wordt voor de aanduiding van betrokken actoren aangesloten bij de bestuurlijke Spreidingswet. De minister van A&M kan gemeenten vergoedingen inrichting van de beschreven periode. Voor de periode waarin sprake was van een zelfstandig verstrekken als er sprake is van extra inspanningen.27 Ministerie van Asiel en Migratie wordt de actor aangeduid als A&M. Voor perioden waarin de verantwoordelijkheden voor asiel en migratie waren ondergebracht bij het Ministerie van Wanneer er te weinig reguliere opvangplekken zijn, realiseren het Rijk, Justitie en Veiligheid wordt de actor aangeduid als JenV, ook wanneer daarbij sprake was van het COA en gemeenten noodopvang. Het Rijk roept gemeenten en een afzonderlijke staatssecretaris of minister van Asiel en Migratie binnen dat ministerie. provincies in dat geval op om extra opvang locaties te leveren.28 Wanneer gemeenten een locatie beschikbaar stellen, kunnen zij ervoor kiezen om de exploitatie daarvan over te dragen aan Als gevolg van de inwerkingtreding van de Spreidingswet25 op het COA (noodopvang) of om zelf tijdelijk een locatie te beheren 1 februari 2024 en de vaststelling van de bijbehorende verdeel­ (tijdelijke gemeentelijke opvang, TGO).29 Het COA, dat van het Rijk besluiten (20 december 2024) hebben gemeenten een wettelijke de opdracht heeft gekregen om deze noodopvang te faciliteren, taak om opvangplekken beschikbaar te stellen. De Provinciale financiert zowel de eigen noodopvang als de TGO­locaties. 25 Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen, 1 februari 2024 (Spreidingswet). N.B. De officiële naam van de Spreidingswet is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen. Het doel van de wet is te komen tot voldoende opvangplekken en een evenwichtiger verdeling van asielzoekers over provincies en gemeenten. 26 Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (artikel 3b). 27 Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Spreidingswet), artikel 9. Zie ook: Memorie van toelichting, Regels inzake het toedelen van een wettelijke taak aan gemeenten om opvangvoorzieningen voor asielzoekers mogelijk te maken en wijzigingen van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen), 8 november 2022, p.4. 28 In 2022 werd Veiligheidsregio’s en gemeenten gevraagd het COA te helpen met het realiseren van tijdelijke noodopvanglocaties, zogenoemde crisisn ood­ opvanglocaties (CNO). Na afbouwen van de nationale crisisstructuur is een deel van de door gemeenten opgezette CNO omgezet naar tijdelijke gemeentelijke opvang (TGO). Aanvullend is gemeenten ook gevraagd te zoeken naar nieuwe en snel te realiseren locaties die als TGO konden worden geëxploiteerd. 29 In een TGO voert niet het COA, maar de gemeente het dagelijkse beheer. Een locatiemanager en woonbegeleiders zijn in dienst van (of ingehuurd door) de gemeente. In afstemming met de desbetreffende gemeente vervult het COA (en/of een veiligheidsregio) een ondersteunende rol. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 29 Het COA zorgt voor de voorzieningen in de eigen locaties, voor en Jeugd (IGJ) houdt zich bezig met de zorg voor asielzoekers in een TGO regelt een gemeente die voorzieningen vaak zelf. Als een Nederland. De IGJ kijkt onder meer naar de toegang tot zorg en de gemeente dat wil, kan het COA enige vorm van ondersteuning kwaliteit van zorg. Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de opvang bieden. Ook kan een gemeente een verzoek indienen bij de veilig­ en begeleiding van alleenstaande kinderen (amv). De Inspectie heidsregio voor ondersteuning bij het regelen van voor zieningen in van het Onderwijs houdt toezicht op de toegang tot en kwaliteit tijdelijke gemeentelijke opvanglocaties. van het onderwijs. Bijkomende verantwoordelijkheid voor alle gemeenten waar Aanwezige partijen op een noodopvanglocatie kinderen in de asielopvang verblijven, is dat zij verplicht zijn ervoor Naast medewerkers van het COA of gemeentelijke ambtenaren te zorgen dat kinderen binnen drie maanden na aankomst in die betrokken zijn bij het beheer en de dagelijkse gang van Nederland naar school kunnen. zaken op een noodopvanglocatie, zijn er veelal ook nog medewerkers van andere partijen aanwezig. De beheerder van Voogdij­ en opvangorganisatie Nidos is verantwoordelijk voor een noodopvanglocatie (COA of gemeente) huurt beveiligers opvangplekken voor alleenstaande kinderen jonger dan vijftien in voor 24­uursbewaking en/of voor de receptie. Wanneer er jaar en voor alleenstaande kinderen met een verblijfsvergunning.30 op noodopvanglocaties geen keukenfaciliteiten aanwezig zijn, Nidos is niet betrokken bij de organisatie van opvang in nood­ schakelt de beheerder een cateraar in. Jeugdbeschermers opvang locaties, maar blijft wel altijd betrokken als voogd van van Nidos zijn regelmatig aanwezig op de opvanglocatie alleen staande kinderen die in de noodopvang verblijven.31 voor gesprekken met alleenstaande kinderen en overleg met begeleiders van het COA. Toezicht Verschillende toezichthouders houden toezicht op het asiel­ Het bedrijf Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) biedt systeem, zowel op de reguliere opvang als op de noodopvang.32 eerstelijnszorg aan asielzoekers in noodopvanglocaties. Dit De Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) houdt toezicht doet GZA door ervoor te zorgen dat een doktersassistent, een op het systeem van asiel en migratie. Het doel van de inspectie is praktijkverpleegkundige, een praktijkondersteuner huisarts om de kwaliteit van de uitvoering van taken van organisaties als en een huisarts er spreekuur houden.33 De frequentie van de het COA en Nidos te verbeteren. De Inspectie Gezondheidszorg aanwezigheid van GZA verschilt van locatie tot locatie: van 30 In de wereld van asielopvang wordt voor alleenstaande kinderen de term alleenstaande minderjarige vreemdelingen, afgekort amv, gebruikt. 31 Alleenstaande kinderen die zonder ouders of wettelijk vertegenwoordiger asiel aanvragen in Nederland krijgen een jeugdbeschermer van het Nidos toegewezen. De wettelijke voogdij wordt door de jeugdrechter toegewezen. Daarnaast hebben alleenstaande kinderen die op een (nood)opvanglocatie van het COA verblijven ook een mentor van het COA die hen ondersteunt en begeleidt tijdens hun verblijf in de opvang. 32 Naast de in deze alinea genoemde toezichthouders houdt de Nederlandse Arbeidsinspectie toezicht op de werkomstandigheden van medewerkers van opvanglocaties. Dit valt buiten de scope van dit onderzoek. 33 Eind 2024 had GZA voor 290 locaties een contract met het COA of de lokale gemeente om zorg te verlenen; op de andere locaties waren andere externe zorgaanbieders actief en op enkele kleine CNO­locaties een lokale huisarts (bron: Dokters van de wereld, Pharos, Rode Kruis, Uitzichtloos in de opvang - Vervolgonderzoek naar gezondheidszorg en leefomstandigheden in de tijdelijke gemeentelijke opvang, december 2024). Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 30 enkele dagdelen per week tot dagelijks.34 De huisarts van GZA kan opgenomen, waarin de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de bewoners doorverwijzen naar specialistische tweedelijnszorg.35 periode van 2021 tot medio 2025 chronologisch zijn beschreven. Asielzoekers kunnen ook gebruik maken van de Praktijklijn van Hieronder is voor het overzicht een figuur met een tijdlijn GZA, die 24 uur per dag bereikbaar is voor telefonisch advies, opgenomen. triage en soms ook medicatievoorschriften. Daarnaast hebben jeugdverpleegkundigen en ­artsen van Jeugdgezondheidszorg (GGD­GHOR) een taak om de groei en ontwikkeling van alle kinderen tot 18 jaar te volgen tijdens periodieke contactmomenten. Medewerkers van VluchtelingenWerk Nederland zijn vaak een of meer dagdelen per week aanwezig in een noodopvanglocatie om asielzoekers en vluchtelingen te begeleiden bij hun asielp rocedure en hun integratie. Daarnaast zijn in gemeenten regelmatig lokale vrijwilligersorganisaties actief die activiteiten voor kinderen organiseren. Zij bieden ook vaak sociale en praktische onders teuning voor asielzoekers, zoals hulp bij onder wijs en taal. Organisaties zoals Save the Children, VluchtelingenWerk Nederland, Stichting De Vrolijkheid en lokale vrijwilligers organisaties organiseren in verschillende noodopvanglocaties activiteiten voor kinderen, die mede als doel hebben hun psychosociaal welzijn te verbeteren.36 2.2 Terugblik op de inzet noodopvang Hieronder volgt een terugblik op hoe de inzet van noodopvang de afgelopen jaren (vanaf 2021) tot stand is gekomen en zich heeft ontwikkeld. We belichten de verschillende belangrijke momenten zoals die zich hebben voorgedaan vanaf de toenemende druk op de opvang in 2018. In bijlage E is een uitgebreide reconstructie 34 Voor enkele locaties wordt door GZA fysieke zorg geboden op een nabijgelegen opvanglocatie (een zogenaamde satellietlocatie). Bewoners worden voor fysieke consultaties in overleg met het COA doorverwezen naar de huisarts van GZA op deze satellietlocaties. 35 De Regeling Medische Zorg Asielzoekers (RMA) stelt vast op welke zorg personen tijdens de asielprocedure recht hebben. Voor kinderen is de meeste zorg vrij toegankelijk (verglijkbaar met basisverzekering). 36 Een deel van deze activiteiten wordt ingekocht en/of gesubsidieerd vanuit het Ministerie van JenV. De activiteiten vanuit VluchtelingenWerk worden gesubsidieerd vanuit het Asiel, Migratie en Integratiefonds (AMIF) van de EU en aanvullende financieringsbronnen. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 31 Kabinet activeert de Nationale Crisisstructuur; Dreiging met inzet van een ruimtelijk Veiligheidsregio’s gaan crisisnoodopvang realiseren ordeningsinstrumentarium om opvang te 17 juni '22 realiseren in een voormalig hotel in Albergen augustus '22 COA meldt aan de staatssecretaris voor Asiel en Uitvoeringsagenda Flexibilisering Migratie: de kwaliteit van de asielopvang zakt door Uitspraak Gerechtshof Den Haag in Asielketen vastgesteld de ondergrens van leefbaarheid en veiligheid hoger beroep Staat en COA tegen VWN Het EU Asiel- en migratiepact mei ‘20 april ‘22 20 december '22 april ‘24 COA treft voorbereidingen voor Kabinet wijst drie gemeenten en een regio aan Veiligheidsregio's stoppen met Actualisatie van Uitvoeringsagenda het realiseren van noodopvang waar op korte termijn noodopvanglocaties coördinatie crisisnoodopvang Flexibilisering Asielketen maart ‘20 moeten worden gerealiseerd. 1 juli ‘23 april ‘24 december ‘21 Minister van JenV Spreidingswet Ministerie Asiel en Migratie opgezet meldt toename COVID-19 reisbeperkingen opgeheven. van kracht juni ‘24 aantal asielzoekers Toename aantal asielzoekers 1 februari '24 november ‘18 augustus ‘21 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 3 5 10 1 2 4 6 7 8 9 11 12 13 14 Signalen van partijen over omstandigheden van kinderen in de noodopvang Nr Omschrijving Nr Omschrijving 1 Brief (9 november 2021) van College voor de Rechten de Mens en Nationale ombudsman aan de staatssecretaris 8 Brief van Jeugdartsen Nederland (AJN), Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) en LOWAN aan van Justitie en van Veiligheid, onderwerp: Bezoek aan noodopvang Heumensoord staatssecretaris Justitie en Veiligheid (23 maart 2023), onderwerp: Schadelijke verplaatsingen asielkinderen 2 Rapportage van VluchtelingenWerk Nederland (december 2021): Quikscan Leefomstandigheden noodopvang 9 Brief (19 april 2023) van Inspectie Justitie en Veiligheid (mede namens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, asielzoekers de Inspectie van het Onderwijs en Nederlandse Arbeidsinspectie) aan staatssecretaris Justitie en Veiligheid, onderwerp: Kinderen in de noodopvang en crisisnoodopvang 3 Rapportage van VluchtelingenWerk Nederland (maart 2022): Tweede Quickscan Leefomstandigheden 10 Rapport van Pharos, Dokters van de Wereld en Rode Kruis (19 juni 2023): Zorgen in tijden van crisis. noodopvang asielzoekers Gezondheidszorg in de crisisnoodopvang 4 Brief (24 maart 22) van College voor de Rechten de Mens, Nationale ombudsman en Kinderombudsman aan de 11 Rapport van Kinderombudsman en Nationale ombudsman (27 juni 2023): De crisis voorbij. staatssecretaris van Justitie en van Veiligheid, onderwerp: Zorgen opvang vluchtelingen 5 Signaalbrief (16 juni 2022) van Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, onderwerp: 12 Rapportage van VluchtelingenWerk Nederland (januari 2024): Gevlucht en vergeten? Kinderen in de asielopvang 6 Rapportage van Werkgroep Kind in azc (20 juni 2022): Noodsituatie op noodlocaties 13 Onderzoek van Dokters van de Wereld, Pharos, Rode Kruis (18 december 2024): Uitzichtloos in de opvang. Vervolgonderzoek naar gezondheidszorg en leefomstandigheden in de tijdelijke gemeentelijke opvang 7 Rapportage van VluchtelingenWerk Nederland (oktober 2022): Derde quickscan (crisis) noodopvang asielzoekers 14 Brief van Inspectie Justitie en Veiligheid, Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd aan de minister van Asiel en Migratie (29 juli 2025), onderwerp: Verbetermaatregelen noodopvang: situatie kinderen onveranderd zorgelijk Figuur 4: Tijdlijn met gebeurtenissen relevant voor de inzet van noodopvang (vanaf de toenemende druk op de opvang in 2018) (bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid). Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 32 2.2.1 Toenemende druk op de opvang effectief bij het realiseren van de benodigde opvangplekken. Sinds het najaar van 2021 wordt in Nederland veelvuldig nood­ De revitalisering van de regietafels blijkt in 2018 onvoldoende opvang ingezet. De toenemende druk op de opvang is in de effect te hebben. Begin maart 2020 deelt de staatssecretaris drie jaar daarvoor echter al zichtbaar. In 2015 en 2016 zette het de Tweede Kamer mee dat het COA voorbereidingen treft voor COA ook al noodopvang in om het grote aantal vluchtelingen uit het realiseren van noodopvang. Terwijl dat proces in volle gang onder andere Syrië en Eritrea op te vangen.37,38 Na het afbouwen is, breekt de coronacrisis uit. Vanwege de maatregelen om het van de laatste noodopvangvoorzieningen in het voorjaar van coronavirus in te dammen moet de ingebruikname van twee 2016 volgt voor het COA een periode van relatief lage instroom. noodopvanglocaties uiteindelijk worden gestaakt. Het aantal mensen dat asiel aanvraagt loopt terug en het COA ziet zich genoodzaakt de beschikbare capaciteit af te bouwen. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid onderkent in Uit evaluatie van die crisis bleek dat, hoewel het lukte om november 2020 de risico’s van het inzetten van noodopvang. Zij iedereen van opvang te voorzien, het opvangstelsel niet flexibel schrijft in een brief aan de Tweede Kamer: ‘Specifiek ten aanzien genoeg was om grote pieken en dalen in de asielopvang aan van de inzet van crisisnoodopvang42 wil ik benadrukken dat dit een te kunnen. In mei 2020 stelde de Landelijke Regietafel daarom uiterste redmiddel is, namelijk als er geen andere mogelijkheden de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen vast, waarin het resteren. Het betekent namelijk dat asielzoekers voor maximaal streven werd vastgelegd naar een flexibel en effectief systeem zeven dagen worden opgevangen, veelal in sporthallen in dat zou kunnen reageren op schommelingen in de omvang en gemeenten. Zonder uitzicht op korte termijn realisatie van meer samenstelling van de instroom.39 reguliere opvanglocaties kan dit ertoe leiden dat asielzoekers gedurende onbepaalde tijd van sporthal naar sporthal worden Eind 2018 rapporteert het Ministerie van Justitie en Veiligheid verplaatst’.43 voor het eerst dat het aantal asielzoekers weer toeneemt.40 Om de totstandkoming van extra opvangcapaciteit te versnellen, 2.2.2 Start inzet van noodopvang roept de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op om de Als halverwege 2021, in de loop van de coronaperiode, reizen Regionale Regietafels (nu Provinciale Regietafels) nieuw leven weer mogelijk is, ontstaat er al snel druk op de capaciteit van de in te blazen.41 Deze overlegstructuren bleken in 2015 en 2016 reguliere asielopvang. Na herhaalde oproepen van het kabinet 37 COA, Tijdlijn 30 jaar COA, https://www.coa.nl/nl/tijdlijn­30­jaar­coa [laatst geraadpleegd op 9 september 2025]. 38 Nederland heeft te maken gehad met meerdere pieken in de toestroom van migranten, zoals bijvoorbeeld vluchtelingen uit Hongarije in 1956, uit Chili en Vietnam in de jaren '70/'80 en uit voormalig Joegoslavië in de jaren '90. 39 Landelijke Regietafel, Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, 14 mei 2020, p. 3. 40 Kamerstukken II 2018­2019, 19 637, nr. 2443. 41 Brief van Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan Commissarissen van de Koning, Revitaliseren Regionale Regietafels ten behoeve van opvanglocaties asielzoekers, 8 november 2019. 42 Crisisnoodopvang is de soberste vorm van (nood)opvang. Het gaat om een basisvoorziening die normaal gesproken worden ingericht tijdens een ramp of een acute crisis. De veiligheidsregio’s zijn verantwoordelijk voor het dagelijkse beheer, het COA speelt een ondersteunende rol. Crisisnoodopvang voor deze doeleinden werd (in de regel) voor een beperkte periode beschikbaar gesteld. 43 Kamerstukken II 2020/21, 19 637, nr. 2684. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 33 aan provincies en gemeenten om meer opvang te realiseren, gewaarborgd is. Het COA vraagt om een structurele oplossing op constateert het COA in augustus 2021 dat de grenzen van de korte termijn.46 Die oproep zal het COA meerdere malen herhalen. reguliere capaciteit zijn bereikt. Het COA gaat op dat moment over tot de inzet van noodopvang. Meteen zijn er zorgen over de Rondom het aanmeldcentrum van de Immigratie­ en kwaliteit en de veiligheid van die opvang. Het College voor de Naturalisatiedienst (IND) in Ter Apel wordt de situatie in de tussen­ Rechten van de Mens en de Nationale ombudsman brengen in tijd onhoudbaar. De nachtopvang in tenten, bedoeld voor kleine oktober 2021 een bezoek aan noodopvang Heumensoord, waar groepen mensen die laat in de avond aankomen en daar één sinds augustus 2021 duizend gevluchte Afghanen verblijven. nacht verblijven, verandert in een permanente opvanglocatie Onder hen zijn 450 jonge kinderen. De noodopvang is volkomen waar op een gegeven moment meer dan zeshonderd mensen ongeschikt voor langdurig verblijf, laten zij via een brief aan de verblijven.47 Mensen willen niet naar een andere opvang omdat staatssecretaris weten.44 ze bang zijn uit beeld te raken, of om hun plaats te verliezen in de wachtrij.48 Op 14 december 2021 is de nood zo hoog dat het kabinet drie gemeenten en een regio aanwijst waar op korte termijn nood­ De Inspectie JenV rapporteert tussen 2022 en 2024 regelmatig, opvang locaties moeten worden gerealiseerd.45 Deze aanwijzingen en met steeds grotere urgentie, aan de staatssecretaris van stuiten op protest van gemeenten, die vraagtekens plaatsen bij de Justitie en Veiligheid. Op 16 juni 2022 noemt de inspectie samen rechtmatigheid ervan. Hoewel verschillende gemeenten overgaan met de IGJ in een ‘signaalbrief’ de veiligheid van kinderen in de tot de realisatie van noodopvang, verkent één gemeente ook de asielopvang ‘onder de maat’: ‘Er worden bedden bijgeplaatst, de mogelijkheid om het besluit juridisch aan te vechten. Kamerv ragen plaatsingssystematiek is losgelaten en er wordt noodopvang en volgen, en uit het antwoord daarop blijkt dat de aanw ijzingen geen crisisnoodopvang georganiseerd. Deze maatregelen trekken een grondslag hebben in Nederlandse wet­ en regel geving. zware wissel op de medewerkers en hebben een negatief effect op de kwaliteit van de opvang en begeleiding’.49 De inspectiediensten Het COA schrijft op 22 april 2022 in een brief aan de staatss ecretaris zien geen verbetering: ‘De inzet van extra maatregelen door voor Asiel en Migratie dat de kwaliteit van de asielo pvang door het kabinet heeft tot dusver (..) niet geleid tot het vinden van de ondergrens van leefbaarheid en veiligheid zakt en dat de oplossingen, maar tot de situatie dat de (..) geldende normen voor menselijke maat voor bewoners en medewerkers niet meer opvang en uitplaatsing te veel onder druk staan.’50 44 Brief van College voor de Rechten van de Mens en de Nationale ombudsman aan Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Bezoek College voor de Rechten van de Mens en Nationale ombudsman aan noodopvang Heumensoord, 8 november 2021. 45 Kamerstukken II 2021-22, 19 637, nr. 2806. 46 Brief van het COA aan staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Structurele oplossingen nodig, 22 april 2022. 47 Crisismanager. Rode Kruis over opvangcrisis, 20 maart 2024, https://crisismanager.nl/rode­kruis­over­opvangcrisis­ter­apel­onacceptabel­maar­we­zijn­nu­ beter­voorbereid [laatst geraadpleegd 16 april 2026]. 48 COA, Crisis in Ter Apel, 24 april 2023, https://www.coa.nl/nl/verhaal/crisis­ter­apel [laatst geraadpleegde 16 april 2026]. 49 Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Signaalbrief kinderen in de asielopvang, 16 juni 2022, p.1. 50 Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Signaalbrief kinderen in de asielopvang, 16 juni 2022, p.2. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 34 2.2.3 Activering nationale crisisstructuur De voorzieningenrechter oordeelt op 6 oktober 2022 in een kort Ondanks de inzet van noodopvang blijft de druk op de opvang geding, aangespannen door VluchtelingenWerk Nederland, dat onverminderd hoog. Op 17 juni 2022 merkt het kabinet de opvang de Staat en het COA per direct de opvang van alle asielzoekers van asielzoekers aan als een nationale crisis en activeert het moeten verbeteren. De Staat en het COA gaan in hoger de nationale crisisstructuur. Met behulp van besluitvorming en beroep, onder meer vanwege de onhaalbaarheid van de door coördinatie op hoog ambtelijk en politiek­bestuurlijk niveau de rechter gestelde termijnen. Het Gerechtshof Den Haag probeert het kabinet de doorstroom in de migratieketen te oordeelt op 20 december 2022 (gedeeltelijk) in het voordeel bevorderen. De veiligheidsregio’s gaan akkoord met het realiseren van VluchtelingenWerk Nederland en de voorzieningenrechter; van crisisnoodopvang, een vorm van opvang met kwalitatief de opvang voldoet op essentiële punten niet aan de wettelijke mindere voorzieningen dan de noodopvang. Crisisnoodopvang normen. Het Gerechtshof verbiedt tevens de Staat en het COA is de soberste vorm van opvang. Het is een basisvoorziening die om kwetsbare asielzoekers in een noodopvanglocatie of een normaal gesproken wordt ingericht tijdens een ramp of een acute crisisnoodopvanglocatie te plaatsen, tenzij in die locatie in crisis. De veiligheidsregio’s zijn verantwoordelijk voor het dagelijkse hun specifieke opvangbehoefte kan worden voorzien. Het Hof beheer, het COA speelt een ondersteunende rol. Crisisnoodopvang overweegt echter ook dat de Staat en het COA er alles aan doen wordt (in de regel) voor een beperkte periode beschikbaar gesteld. om de problemen op te lossen. Het Hof ziet verder dat het niet mogelijk is om op korte termijn de opvang van alle asielzoekers Het uitblijven van voldoende reguliere opvang leidt ertoe te verbeteren, zoals VluchtelingenWerk Nederland wil. Het Haagse dat het kabinet in augustus 2022 aankondigt een ruimtelijk Gerechtshof oordeelt tot slot dat de Staat zichzelf in een positie ordeningsinstrumentarium te willen inzetten, om opvang te heeft gebracht waarin het bieden van goede opvang nu niet kunnen realiseren in een voormalig hotel in Albergen.51 Met dit mogelijk is; de Staat heeft in de jaren na 2016 de aanwezige dwingende juridische middel passeert het Rijk de gemeente opvangcapaciteit afgebouwd.53 en verleent zelf de vergunning voor een opvanglocatie. De voorgenomen inzet van het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium Op 19 april 2023 stuurt de Inspectie JenV opnieuw een brief naar stuit op verzet in de gemeente Tubbergen, de gemeente waar de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, ditmaal over de het dorp Albergen deel van uitmaakt. Uiteindelijk is de inzet van situatie van kinderen in gezinnen en alleenstaande kinderen het instrumentarium niet nodig, omdat Tubbergen akkoord in de noodopvang en crisisnoodopvang.54 Ook de IGJ, de gaat met de opvanglocatie.52 Protesten en rechtszaken omtrent Inspectie van het Onderwijs en de Nederlandse Arbeidsinspectie vergunningen zorgen ervoor dat de opvang uiteindelijk pas twee ondertekenen de brief. De vier inspectiediensten maken zich jaar later zijn deuren opent. onverminderd grote zorgen over het welzijn, de toegang tot 51 Kamerstukken II 2021­22, 19 637, nr. 2950. 52 Handelingen II 2023­24, 189, p1. 53 Gerechtshof Den Haag, 20 december 2022. ECLI:NL:GHDHA:2022:2429. 54 Inspectie Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs en de Nederlandse Arbeidsinspectie, Brief ‘Kinderen in de noodopvang en crisisnoodopvang’, 19 april 2023. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 35 zorg en onderwijs en de veiligheid van kinderen in de opvang, wordt de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvang­ in het bijzonder in noodopvang­ en crisisnoodopvanglocaties. voorzieningen, ook wel de Spreidingswet genoemd, van kracht. ‘De kwaliteitsstandaarden zijn voor de duur van de crisis in de asielopvang tijdelijk losgelaten, maar door het voortduren van de De verwachte groei van het aantal minderjarige asielzoekers crisis worden ze voor onbepaalde termijn niet gehandhaafd. Het ten opzichte van 2023 zal zich in 2024 doorzetten, zo schrijft is niet verantwoord kinderen voor lange termijn aan ondermaatse de demissionair staatssecretaris op 28 mei 2024 aan de kwaliteitsstandaarden bloot te stellen.’55 Tweede Kamer. ‘Door gebrek aan opvangplekken worden veel alleenstaande minderjarige vluchtelingen in hotels opgevangen, 2.2.4 Van crisisnoodopvang naar tijdelijke gemeentelijke terwijl dergelijke locaties onvoldoende geschikt zijn voor de opvang opvang van minderjarigen,’ merkt de staatssecretaris op.57 Een Na de activering van de nationale crisisstructuur in juli 2022 en uitweg ziet de staatssecretaris niet. ‘Tot het moment dat er de eerste inzet van crisisnoodopvang beoogt het kabinet die zo voldoende structurele opvangplekken voor hen zijn, zet het COA de snel mogelijk weer af te bouwen. Het doel is: de crisisnoodopvang reeds ingezette maatregelen voort.’ omzetten in noodopvang die voldoet aan alle kwaliteitseisen die het COA stelt. Dit lukt niet, ondanks inspanningen van het kabinet. Het Europese Asiel­ en migratiepact (Pact on Migration and De veiligheidsregio’s trekken zich formeel terug per 1 juli 2023.56 Zij Asylum) is afgesloten in april 2024. Omgezet in nationale wetgeving dragen de exploitatie van de crisisnoodopvanglocaties over aan is het in werking getreden op 12 juni 2026.58 Dit Pact omvat een gemeenten, waardoor de resterende crisisnoodopvang verandert grote hervorming van het Europese migratie­ en asielbeleid, in tijdelijke gemeentelijke opvang (TGO). waar onder een herziening van de Opvangrichtlijn. Één van de punten die zijn opgenomen in de gewijzigde Opvangrichtlijn is het 2.2.5 Inwerkingtreding van de Spreidingswet opstellen van ‘crisisplannen’ (‘contingency planning’). Het Pact Vanaf de inzet van de eerste noodopvang in augustus 2021 blijft stelt dat uit de praktijk blijkt dat lidstaten voorbereid moeten zijn het kabinet permanent op zoek naar nieuwe opvanglocaties. De op situaties waarin zij geconfronteerd worden met een oneven­ roep om structurele oplossingen wordt in de loop van de jaren redig groot aantal ‘verzoekers om internationale bescherming’. steeds luider. In het voorjaar van 2022 start de staatssecretaris Daarom moeten lidstaten plannen ontwikkelen om in dergelijke van Justitie en Veiligheid met een verkenning voor een juridisch gevallen zoveel als mogelijk adequate opvang te blijven garanderen, instrumentarium om gemeenten een wettelijke taak te geven in en moet worden gemonitord en beoordeeld of de in de plannen het beschikbaar stellen van opvanglocaties. Op 1 februari 2024 opgenomen maatregelen toereikend zijn. 55 Inspectie Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs en de Nederlandse Arbeidsinspectie, Brief ‘Kinderen in de noodopvang en crisisnoodopvang’, 19 april 2023, p.7. 56 Kamerstukken II 2022­23, 19 637, nr. 3065. 57 Kamerstukken II 2023­24, 27 062, nr. 139. 58 Het EU Asiel­ en migratiepact is een pakket van nieuwe en herziene regelingen die samen het Europese asielbeleid vormen. Een herziening van de Opvangrichtlijn is onderdeel van dit pakket. Zie ook: Council of the European Union, EU Pact on Migration and Asylum adopted (Press Release, 14 May 2024). Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 36 In april 2024 is in opdracht van de Landelijke Regietafel de 2025 en 2026 wel extra middelen, maar stabiele financiering Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen geactualiseerd.59 blijft uit.63 Het COA laat weten dat het door het uitblijven van Aanleiding hiervoor was het (gedeeltelijk) uitblijven van realisatie stabiele financiering opvanglocaties moet sluiten, en later weer van een aantal uitgangspunten uit de Uitvoeringsagenda en heropenen, wanneer er sprake is van schommelingen in de ontwikkelingen als de aanhoudende druk op het organiseren van bezetting. Daardoor blijkt de inzet van noodopvang noodzakelijk.64 asielopvang, opvang voor ontheemden uit Oekraïne, doorloop­ tijden bij de Immigratie­ en Naturalisatiedienst (IND) en de In april 2025 biedt het kabinet de Contourennota intrekking invoering van de Spreidingswet.60 Spreidingswet ter consultatie aan, waarna partijen als het COA, gemeenten en provincies er op kunnen reageren. In die Een nieuw kabinet treedt aan op 2 juli 2024. Het kabinet­Schoof contouren nota beschrijft het kabinet hoe het de asielopvang creëert een nieuw ministerie: het Ministerie van Asiel en Migratie wil organiseren zonder wettelijke taak voor gemeenten.65 Dit (A&M). Niet langer de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, is een eerste stap in het voornemen van het kabinet om de maar de minister van A&M is vanaf dat moment eind verant­ Spreidingswet in te trekken. woordelijk voor de asielopvang. In het regeerakkoord van het nieuwe kabinet is een aantal afspraken over de asielopvang Binnen het kabinet bestaat onenigheid over strengere asielmaat­ opgenomen, waaronder de voornemens om de Spreidingswet regelen. Als gevolg daarvan trekt de PVV zich op 3 juni 2025 terug in te trekken en de opvang te versoberen.61 Ondertussen blijft de uit het kabinet en biedt minister­president Schoof het ontslag van problematiek rondom de noodopvang bestaan. Verschillende zijn kabinet aan de koning aan. Op 1 juli 2025 moeten gemeenten kinderrechtenorganisaties trekken aan de bel over het groeiende volgens de Spreidingswet de hen aangewezen opvangplekken aantal kinderen dat daar verblijft.62 gerealiseerd hebben. Op deze datum voldoet circa driekwart van de gemeenten geheel of gedeeltelijk aan deze opgave. 74.500 van De minister van A&M maakt in november 2024 tijdens de begrotings­ de 101.500 plekken uit het verdeelbesluit van de minister zijn behandeling in de Tweede Kamer haar voorn emen bekend op dat moment gerealiseerd. Wel is ongeveer de helft van de om vanaf 2027 flink te bezuinigen op de asiel opvang. In de opvangplekken nog noodopvang.66 Voorjaarsnota van april 2025 krijgt het COA van het Rijk voor 59 Landelijke Regietafel, Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, 3 april 2024. 60 Ministerie Justitie en Veiligheid, Nota - Actualisering Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, Kwaliteitskader gemeentelijke opvang en Beleidsregel Verdeelbesluit, 17 mei 2024. 61 Rijksoverheid, Regeerprogramma – uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, september 2024. 62 Kinderrechtencollectief, 65% meer kinderen in noodopvang is onacceptabel, 22 oktober 2024. 63 Kamerstukken II, 2024/25, 36 725, nr. 1, p.20. 64 Centraal Orgaan opvang asielzoekers [COA], Voorjaarsnota: Kabinet blijft kostbare pleisters plakken, 18 april 2025, https://www.coa.nl/nl/nieuws/voorjaarsnota­ kabinet­blijft­kostbare­pleisters­plakken [laatst geraadpleegd 16 april 2026]. 65 Ministerie van Asiel en Migratie, Contourennota intrekking Spreidingswet, 14 april 2025. 66 COA, Betere spreiding en meer gemeenten met opvang dankzij Spreidingswet, Geplaatst op 1 juli 2025 en aangepast op 17 juli 2025, https://www.coa.nl/nl/nieuws/ betere­spreiding­en­meer­gemeenten­met­opvang­dankzij­de­spreidingswet [laatst geraadpleegd op 16 april 2026]. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 37 De Inspectie JenV stuurt op 17 juli 2025 opnieuw een brief aan het het aandeel noodopvanglocaties ten opzichte van het aandeel ministerie van A&M. Ook deze brief wordt medeondertekend door reguliere asielopvang groter geworden. In ongeveer vier jaar de IGJ en de Inspectie van het Onderwijs. De inspecties wijzen erop tijd groeide de noodopvang tot 229 COA­noodopvanglocaties dat zij samen met maatschappelijke organisaties al lange tijd en 49 zogenaamde TGO’s (gemeentelijke opvanglocaties) in aandacht vragen voor de zorgelijke situatie waarin veel kinderen juli 2025. In die maand waren er 124 reguliere opvanglocaties. in de noodopvang verblijven. De inspecties constateren dat Ongeveer de helft van alle asielzoekers werd in 2025 opgevangen ‘ondanks een aantal verbeteringen en de variatie in kwaliteit van op een noodopvanglocatie. Op 1 juli 2025 verbleven er ongeveer noodopvanglocaties – de veiligheid en het welzijn van kinderen 17.000 kinderen in de asielopvang, waarvan 6.900 kinderen op in de noodopvang nog steeds onvoldoende zijn gewaarborgd.’ noodopvanglocaties.68 Ook hebben ze ‘zorgen dat tot dusver genomen maatregelen onvoldoende waarborgen dat de afhankelijkheid van noodopvang wordt afgebouwd.’ 67 2.3 Structurele inzet van noodopvang In paragraaf 2.2 is beschreven dat vanaf 2021 noodopvang structureel wordt ingezet om de schaarste aan opvangplekken in de asielketen het hoofd te bieden. In deze paragraaf tonen we aan de hand van twee grafieken en een tabel hoe noodopvang een structureel onderdeel is geworden van het asielopvangstelsel. De eerste grafiek geeft de ontwikkeling weer van het aandeel noodopvanglocaties ten opzichte van reguliere opvanglocaties. De tweede grafiek toont de openingsduur van noodopvanglocaties. De tabel brengt aan de hand van de verblijfsduur van kinderen op deze noodopvanglocaties in beeld in hoeverre noodopvang wordt ingezet voor langdurig verblijf. Uit figuur 5 blijkt dat het aantal noodopvanglocaties vanaf 2021 gestaag is gegroeid. Hieruit volgt dat noodopvang sindsdien permanent en in steeds grotere mate is ingezet. Daardoor is 67 Inspectie van Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs, Brief ‘Verbetermaatregelen noodopvang: situatie kinderen onveranderd zorgelijk’, 17 juli 2025. 68 Het aantal kinderen in de noodopvang in de afgelopen jaren is weergegeven in figuur 3 in paragraaf 1.1. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 38 450 400 350 300 250 200 150 100 50 s e pt e m 0 b e o r k - t 2 o n 1 b o e v r e - m 2 d 1 b e c e e r- m 21 b e j a r- n 2 u 1 a f e ri b -2 r u 2 ari m -2 a 2 art-2 a 2 pril-2 m 2 ei-22 j u ni-22 a j u u l g i- u s 2 e s 2 t p u t s e - m 22 b e o r k - t 2 o n 2 b o e v e r- m 2 d 2 b e e c r e - m 22 b e j r a - n 2 u 2 a f e ri b -2 r u 3 ari m -2 a 3 art-2 a 3 pril-2 m 3 ei-23 j u ni-23 a j u u g li- u s 2 e s 3 t p u t s e - m 23 b e o r k - t 2 o n 3 b o e v r e - m 2 d 3 b e e c r e - m 23 b e j r a - n 2 u 3 a f e ri b -2 r u 4 ari m -2 a 4 art-2 a 4 pril-2 m 4 ei-2 4 j u ni-2 4 a j u u l g i- u s 2 e s 4 t p u t s e - m 2 4 b e o r k - t 2 o n 4 b o e v e r- m 2 d 4 b e e c r e - m 2 4 b e j r a - n 2 u 4 a f e r b i- r 2 u 5 ari m -2 a 5 art-2 a 5 pril-2 m 5 ei-2 5 j u ni-2 5 j uli-2 5 - Aantal reguliere opvanglocaties - Aantal COA-noodopvanglocaties - Aantal crisisnoodopvanglocaties / TGO Figuur 5: Aantal opvanglocaties in de afgelopen periode (bron: COA). Noodopvanglocaties zijn bedoeld als tijdelijke opvang­ voorzieningen. Ze sluiten als de tijdelijke vergunning van een gemeente is verstreken of als de contracten voor gebruik van een pand of terrein aflopen, eventueel nadat de openingsduur een of meerdere keren verlengd is. In figuur 6 is de openingsduur weergegeven van de sinds 2021 ingezette opvanglocaties. De figuur laat zien dat noodopvanglocaties in de praktijk vaak langer dan twee jaar openblijven. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 39 Door de structurele inzet van noodopvang wonen veel kinderen 140 voor langere tijd in een of meerdere noodopvanglocaties. Tabel 1 laat zien hoelang kinderen in totaal in de noodopvang verblijven 120 of hebben verbleven. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen kinderen die al uit de opvang zijn ‘gestroomd’ en de kinderen die 100 op 1 juli 2025 nog in de asielopvang zaten. Hoewel noodopvang in principe bedoeld is voor tijdelijk verblijf, volgt uit de tabel dat 80 ongeveer 4.200 kinderen in gezinsverband en ongeveer 2.100 alleenstaande kinderen langer dan 1 jaar in een (of meerdere) 60 noodopvanglocaties verblijven of hebben verbleven (peildatum 1 juli 2025). Omdat het aantal noodopvanglocaties in verhouding 40 tot de reguliere azc’s groot is, verhuizen kinderen regelmatig van de ene noodopvanglocatie naar de andere. 20 0 <3 maanden 3-6 maanden 6-12 maanden 1-2 jaar >2 jaar - COA noodopvanglocaties - Crisisnoodopvang en TGO - COA AMV-noodopvanglocaties Figuur 6: Aantal noodopvanglocaties met bepaalde duur van gebruik (in periode van start noodopvang in 2021 tot juli 2025) (bron: COA).69 69 Voor de noodopvanglocaties die op peildatum juli 2025 open waren, is uitgegaan van de geplande openingsduur op dat moment. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 40 Tabel 1: Verblijftijd van individuele kinderen in de noodopvang in de periode tussen start noodopvang 2021 tot 1 juli 202570 (bron: COA). Uitgestroomd in jaar Aantal kinderen X tijd in noodopvang <1 maand 1-3 maanden 3-6 maanden 6-12 maanden 1-2 jaar >2 jaar 2021 226 156 62 63 12 2 2022 616 768 661 549 167 17 2023 1655 1086 988 696 270 29 kind in gezin 2024 945 1152 963 604 125 6 2025 (tot juli) 201 490 299 58 16 3 Totaal 3643 3652 2973 1970 590 57 2021 26 16 0 1 0 0 2022 169 195 96 88 112 13 2023 118 102 92 111 220 7 amv 2024 43 67 74 77 125 2 2025 (tot juli) 5 8 12 13 20 0 Totaal 361 388 274 290 477 22 kind in gezin Niet uitgestroomd op 1 juli 2025 1604 1268 1230 2308 1890 1701 amv Niet uitgestroomd op 1 juli 2025 654 819 616 546 849 751 70 Als een kind in meerdere noodopvanglocaties verbleef, is de duur in de verschillende noodopvanglocaties bij elkaar opgeteld. Kinderen in nood, september 2026 | H2 Noodopvang als onderdeel van het asielopvangsysteem 41 3 De veiligheidsrisico’s voor kinderen in de noodopvang In het vorige hoofdstuk is uiteengezet hoe de noodopvang expliciet aan bod in de vorm van verhalen, citaten en foto’s die functioneert als onderdeel van het asielopvangsysteem. In dit kinderen zelf hebben gemaakt tijdens het photovoice­project.75 hoofdstuk gaan we in op de veiligheidsrisico’s waaraan kinderen In paragraaf 3.3 wordt de specifieke situatie van alleenstaande in de noodopvang worden blootgesteld. Daarbij gaat het, zoals in minderjarigen in de noodopvang toegelicht. Voor alleenstaande paragraaf 1.2 vermeld, om de aanwezigheid van risico’s op fysieke minderjarige vreemdelingen (amv) (hierna ‘alleenstaande en mentale schade die erkend wordt door betrokken partijen en kinderen’ genoemd) gelden enkele specifieke veiligheidsrisico’s die deskundigen.71 voortkomen uit hun kwetsbare sociale en juridische positie. Omdat een ouder of wettelijk vertegenwoordiger ontbreekt, hebben deze In paragraaf 3.1 introduceert de Onderzoeksraad voor Veiligheid kinderen recht op passende voogdij, juridische bescherming en zes relevante risicogebieden.72 Paragraaf 3.2 beschrijft welke pedagogische begeleiding. risico’s – of mogelijke veiligheidstekorten – we op deze zes risicogebieden zijn tegengekomen tijdens onze bezoeken In paragraaf 3.4 worden de geconstateerde veiligheidstekorten aan verschillende noodopvanglocaties in Nederland. Deze nader geduid. Dan zal duidelijk worden dat in de kwalitatieve data, opgehaald uit gesprekken met kinderen, geselecteerde casussen, die illustratief zijn voor de bredere ouders, voogden en locatiemedewerkers, combineren we waar veiligheidsproblematiek in de asielnoodopvang, sprake is mogelijk met kwantitatieve gegevens afkomstig van het Centraal van een ‘opeenstapeling van veiligheidstekorten’. Juist deze Orgaan opvang asielzoekers (COA) en het Wetenschappelijk opeenstapeling, in combinatie met het langdurige verblijf van Onderzoek­ en datacentrum (WODC)73, en met inzichten uit eerder kinderen in de noodopvang, maakt de situatie structureel onveilig. gepubliceerde onderzoeken.74 Het perspectief van het kind komt 71 Zie bijlage C met de lijst van rapportages die zijn meegenomen in de review door de Onderzoeksraad. 72 Voor een uitgebreid toelichting wordt op de zes risicogebieden wordt verwezen naar de uitwerking in het referentiekader in bijlage D.1. 73 Zie bijlage F voor de methodologische verantwoording van de gebruikte kwantitatieve data. 74 Zie bijlage C met de lijst van rapportages die zijn meegenomen in de review door de Onderzoeksraad. 75 Zie paragraaf 1.4 en bijlage A met de onderzoeksverantwoording, waarin het photovoice­project wordt uitgelegd. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 42 3.1 Zes risicogebieden samenhang, bepalend voor de veiligheid voor kinderen in de Zoals in paragraaf 1.2 vermeld, definieert de Onderzoeksraad noodopvang. Deze risicogebieden zijn: veilige opvang voor kinderen als een omgeving waarin risico’s op „ Huisvesting fysieke en mentale schade worden beheerst, zowel op de korte Kinderen hebben recht op een adequate levensstandaard als op de lange termijn. Als deze risico’s niet worden beheerst, is er die de menselijke waardigheid waarborgt. Dit recht, verankerd volgens de Onderzoeksraad sprake van een veiligheidstekort. in de Opvangrichtlijn en omgezet in concrete normen in het richtsnoer van het Europese Asielagentschap (het EASO­ De Onderzoeksraad is van mening dat kinderen die langere tijd richtsnoer)78, betreft onder meer de kwaliteit van huisvesting, in de noodopvang verblijven hier alleen veilig kunnen opgroeien inclusief hygiëne, brandveiligheid en de beschikbaarheid als er sprake is van gezonde en stabiele leefomstandigheden. van speel­ en ontspanningsruimte. In noodopvanglocaties Om deze veilige leefomgeving te kunnen bieden, moeten de betekent dit concreet dat kinderen in een schone en fysiek risico’s in de noodopvanglocaties zodanig beheerst worden veilige woonomgeving verblijven. dat ze (ten minste) voldoen aan de eisen die worden gesteld „ Autonomie en privacy in de Europese Opvangrichtlijn (hierna ‘de Opvangrichtlijn’).76 Het Kinderrechtenverdrag heeft bijzondere aandacht voor de Ook moeten de leefomstandigheden in noodopvanglocaties de autonomie, de zelfbeschikking en de privacy van kinderen.79 rechten van kinderen waarborgen, zoals die zijn vastgelegd in het Kinderen en hun gezinsleden moeten een redelijke mate Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna ‘het van controle en zeggenschap kunnen behouden over het Kinderrechtenverdrag’) en het Europees Verdrag voor de Rechten inrichten van hun dagritme en (gezins)leven. Een dergelijke van de Mens (EVRM).77 vorm van autonomie draagt bij aan de ontwikkeling van hun zelfvertrouwen, eigenwaarde en veerkracht. Daarnaast hebben Na een review van zestig bronnen (eerder gepubliceerde onder­ kinderen recht op privacy. Geen enkel kind mag structureel zoeken, rapporten, wetenschappelijke literatuur), in combinatie worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige met inzichten opgedaan tijdens onze locatiebezoeken, hebben inmenging in zijn of haar privéleven.80 we zes risicogebieden geïdentificeerd. Zij zijn, in onderlinge 76 De Europese Opvangrichtlijn 2013/33 is van toepassing op burgers uit derde landen en staatlozen die een verzoek hebben ingediend om internationale bescherming op het grondgebied van een EU­lidstaat. De Opvangrichtlijn kent specifieke voorschriften met betrekking tot kinderen, die zijn omgezet in bindende nationale wetgeving. De huidige Opvangrichtlijn (Richtlijn 2013/33), wordt met ingang van 12 juni 2026 ingetrokken en vervangen door de herziene Opvangrichtlijn, Richtlijn 2024/1346. 77 Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verankert onder andere het recht op eerbieding van het privé, familie­ en gezinsleven (artikel 8) en het recht op vrijheid en veiligheid (artikel 5). 78 De Opvangrichtlijn is tevens omgezet in basisnormen via het EASO­richtsnoer van het Europees Asielagentschap (EUAA, voormalig EASO). Bron: European Asylum Support Office. EASO­richtsnoer voor opvangvoorzieningen: operationele normen en indicatoren. September 2016. 79 Het Kinderrechtenverdrag (artikel 12) erkent het recht van kinderen om hun mening te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen. 80 Het Kinderrechtenverdrag (artikel 16) waarborgt het recht van elk kind op privacy. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verankert het recht op eerbieding van het privé, familie­ en gezinsleven (artikel 8). Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 43 „ Sociale omgeving Opvangrichtlijn op 12 juni 2026 is deze maximale termijn terug­ Het Kinderrechtenverdrag verplicht staten om alle passende gebracht tot twee maanden.85 Daarnaast dienen aan kinderen maatregelen te nemen om kinderen te beschermen tegen recreatieve activiteiten86 en begeleiding87 te worden aan­ vormen van lichamelijk of geestelijk geweld.81 Betrokken geboden. Die zijn cruciaal voor hun mentale veiligheid in de over heids partijen dienen zich maximaal in te spannen82 om opvang, maar ook voor hun sociaal­emotionele ont wikkeling kinderen in de noodopvang te beschermen tegen bloot stelling op de lange termijn. aan (de dreiging van) fysiek geweld, seksueel grens over­ „ Medische zorg schrijdend gedrag en misbruik, inclusief de dreiging daarvan. Volgens het Kinderrechtenverdrag heeft ieder kind in Nederland Daarnaast moet de noodopvang een omgeving creëren recht op een zo goed mogelijke gezondheid en op de best waarin kinderen zich sociaal veilig voelen.83 mogelijke gezondheidszorg.88 De Opvangrichtlijn bepaalt dat „ Persoonlijke ontwikkeling kinderen, vanaf het moment waarop hun asiel aanvraag is Kinderen hebben recht op onderwijs en op voorzieningen en ingediend, toegang moeten hebben tot medische zorg en faciliteiten waardoor zij zich kunnen ontwikkelen en ontplooien. de noodzakelijke behandelingen.89 Kinderen op elke opvang­ Het Kinderrechtenverdrag verankert het fundamentele locatie hebben recht op toegang tot laagdrempelige, kind­ recht van elk kind op beschikbaar, toegankelijk en passend gerichte en adequate medische zorg voor hun fysieke en onderwijs.84 Ook de Europese Opvangrichtlijn onderstreept mentale gezondheid.90 dit recht door te bepalen dat kinderen zo snel mogelijk, na „ Stabiliteit aankomst, toegang moeten krijgen tot het reguliere onder­ Zowel het Kinderrechtenverdrag als de Opvangrichtlijn wijs systeem. Hiervoor gold een maximale termijn van drie benadrukken het belang van stabiliteit en continuïteit in maanden, maar met het van kracht worden van de herziene de leefwereld van kinderen. Verhuizingen moeten tot een 81 Het Kinderrechtenverdrag (artikel 19) verplicht staten om kinderen te beschermen tegen alle vormen van geweld, mishandeling en verwaarlozing. 82 Het gaat hier om een inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting. De Onderzoeksraad stelt dat risico’s op geweld nooit helemaal geheel weggenomen kunnen worden, maar dat de overheid zich voldoende moet inzetten om deze te beperken. 83 Een sociaal veilige omgeving is een omgeving zonder dreiging van geweld of confrontatie met geweld. Het gaat daarbij om het ongewenst gedrag door mensen dat tot fysieke onveiligheid of onveiligheidsgevoelens (mentale onveiligheid) leidt. 84 Het Kinderrechtenverdrag (artikel 28) waarborgt het recht op onderwijs voor elk kind. 85 De herziene Opvangrichtlijn (Richtlijn 2024/1346/EU, artikel 16) geeft aan dat kinderen die asiel aanvragen, recht hebben op onderwijs ‘onder vergelijkbare omstandigheden’ als de lidstaten dat bieden aan hun eigen burgers. Met het van kracht worden van de herziene opvangrichtlijn op 12 juni 2026 is de bepaling met betrekking tot toegang tot onderwijs verkort van uiterlijk binnen drie maanden, naar uiterlijk binnen twee maanden vanaf de datum waarop het asielverzoek is ingediend, rekening houdend met schoolvakanties. 86 Het Kinderrechtenverdrag (artikel 31) erkent het recht van kinderen op rust, vrije tijd en deelname aan recreatieve activiteiten. De Opvangrichtlijn (artikel 23) verplicht de lidstaten minderjarige asielzoekers een levensstandaard te bieden ‘die past bij hun fysieke, geestelijke, spirituele, morele en sociale ontwikkeling’. Zij moeten kunnen deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten, met inbegrip van spel­ en recreatieve activiteiten die passen bij hun leeftijd, en aan activiteiten in de open lucht. 87 De Opvangrichtlijn (artikel 24) schrijft voor dat alleenstaande kinderen zo snel als mogelijk moeten worden bijgestaan door een vertegenwoordiger die deskundig is en die handelt vanuit van het belang van het kind. 88 Het Kinderrechtenverdrag (artikel 24) stelt dat elk kind heeft recht op de best mogelijke gezondheid en op gezondheidszorgvoorzieningen. 89 De Opvangrichtlijn (artikel 19) verplichten staten om adequate gezondheidszorg te bieden aan kinderen, inclusief psychologische ondersteuning. 90 Het recht op mentale gezondheidszorg wordt in de hervormde Opvangrichtlijn expliciet benadrukt (artikel 19)., zie Opvangrichtlijn 2024/1346/EU. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 44 minimum worden beperkt ten behoeve van continuïteit in In elk van de risicogebieden bestaat de mogelijkheid dat risico’s de zorg, de opvoeding en het onderwijs.91 Besluiten over niet worden beheerst. Elk onvoldoende beheerst risico kan een overplaatsingen of wijziging van opvanglocatie moeten veiligheidstekort veroorzaken. Bijvoorbeeld: in het risicogebied daarom altijd zorgvuldig worden afgewogen, waarbij persoonlijke ontwikkeling bestaat het risico dat kinderen langer het belang van het kind centraal staat en moet worden dan drie maanden niet naar school kunnen gaan. Als dit risico niet meegenomen in het besluitvormingsproces.92 wordt beheerst, en kinderen daadwerkelijk niet naar school gaan, is er sprake van een veiligheidstekort. In figuur 7 zijn deze risicogebieden visueel weergegeven. Het model laat tegelijkertijd zien hoe zes risicogebieden elkaar kunnen beïnvloeden. Bijvoorbeeld: in het risicogebied ‘stabiliteit’ bestaat het risico op veel verhuizingen, wat in het risicogebieden risico gebied ‘persoonlijke ontwikkeling’ het risico verhoogt dat kinderen langer dan drie manden niet naar school gaan. huisvesting Elk risico kan op zich al een veiligheidstekort opleveren, maar het is vooral de opeenstapeling van deze tekorten waardoor sociale omgeving kinderen in een onveilige situatie leven. In het dagelijks leven van kinderen stapelen deze tekorten zich op en versterken ze elkaar. Deze ‘opeenstapeling’ is meer dan de som der delen; de medische zorg veiligheidsrisico’s worden erdoor geïntensiveerd. Daar komt bij dat de impact van deze veiligheidsrisico’s moeten stabiliteit worden gezien door de bril van langdurig verblijf. Zoals tabel 1 in paragraaf 2.3 toont, worden noodopvanglocaties niet slechts autonomie ingezet voor kortdurend verblijf; kinderen verblijven er structureel en privacy voor langdurige periodes. De impact van blootstelling aan noodopvanglocatie veiligheidsrisico’s neemt toe naarmate kinderen er langer aan persoonlijke ontwikkeling worden blootgesteld. In paragraaf 3.4 illustreren we hoe deze opeenstapeling en het langdurige verblijf doorwerken in het dagelijks leven van kinderen in de noodopvang. Figuur 7: Model van veiligheid met zes risicogebieden (bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid). 91 Het Kinderrechtenverdrag waarborgt het recht van minderjarige vluchtelingen op continuïteit in zorg en opvoeding (artikel 22). In het verdrag is tevens vastgelegd dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft om de rechten van kinderen te waarborgen als ouders niet in staat zijn dat te doen (artikel 5). 92 Het Kinderrechtenverdrag (artikel 3) bepaalt dat bij alle maatregelen die kinderen betreffen de belangen van het kind de eerste overweging dienen te vormen, ongeacht de vraag welke partij die maatregelen neemt. Ook in de Opvangrichtlijn (artikel 23, lid 1) is vastgelegd dat de lidstaten zich bij de uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die betrekking hebben op minderjarigen primair laten leiden door het belang van het kind. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 45 3.2 Risico’s in de noodopvang Aan de hand van casuïstiek beschrijft deze paragraaf hoe de risico’s binnen de zes risicogebieden zich manifesteren in de dagelijkse werkelijkheid van kinderen in de noodopvang. Wij gaan zowel in op de situatie van kinderen die in gezinsverband in de opvang verblijven als op de situatie van alleenstaande kinderen die op COA­noodopvanglocaties verblijven (alleenstaande kinderen tussen de 15 en 18 jaar oud). Toelichting bij de casuïstiek De casussen, foto’s en citaten in dit hoofdstuk komen uit het photov oice­project dat de Onderzoeksraad op zeven nood opvang locaties heeft uitgevoerd. Photovoice is een participatieve onderzoeksmethode waarbij kinderen foto’s maken van hun leefwereld, en hier vervolgens in groeps verband over in gesprek gaan met de onderzoekers. De kinderen die aan het woord komen, spraken tijdens de gesprekken in de meeste gevallen hun moedertaal. De casussen geven hun persoonlijke ervaringen weer. Ter bescherming van de privacy van deze kinderen is gebruik gemaakt van pseudoniemen. Omwille van de leesbaarheid zijn de verhalen waar nodig taalkundig gecorrigeerd en/of geparafraseerd. Voor een toelichting op de casusselectie: zie de onderzoeks verantwoording in bijlage A . Figuur 8: Foto: deelnemers aan een photovoice-sessie (bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid). Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 46 3.2.1 Huisvesting Wonen op een schip Idris & Omar Idris (12 jaar) en Omar (13 jaar) wonen met hun twee jongere broertjes en hun beide ouders op een groot schip dat al jaren wordt ingezet als noodopvanglocatie. Er verblijven ongeveer vijftienhonderd mensen. De hutten zijn erg smal en slechts geschikt voor twee personen. Er kunnen alleen bedden staan. Er is een uitklaptafel, maar geen ruimte om een stoel te plaatsen. Het gezin waar Idris en Omar deel van uitmaken verblijft noodgedwongen verspreid over drie verschillende kamers, allemaal op dezelfde gang. ‘De kamer van onze moeder heeft wel een raam, maar dat kan niet open, dus er is nooit frisse lucht.’ Omar vertelt: ‘mijn moeder slaapt met mijn jongste broertje, die Figuur 9 (linksboven): Kamer op een schip met een raam is drie jaar oud. Mijn vader slaapt met ons andere broertje van dat niet open kan (bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid). zeven jaar oud. Ik en Idris slapen alleen op een kamer. Soms Figuur 10 (rechtsboven): Kamer op een schip zonder raam proberen wij toch bij onze moeder te slapen, allemaal op één (bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid). kamer.’ Idris vult aan: ‘de meeste kamers hier hebben geen Figuur 11 (rechtsonder): Kamer op een schip zonder raam raam, geen daglicht. De kamer van onze moeder heeft wel een (bron: foto genomen door een kind in het photovoice- raam maar dat kan niet open, dus er is nooit frisse lucht’. project van de Onderzoeksraad voor Veiligheid). Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 47 Idris en Omar zijn twee van de vele kinderen die de Onderzoeksraad heeft gesproken die langdurig werden opgevangen op groot­ Samir (17 jaar), alleenstaand kind: schalige passagiersschepen. Het COA en gemeenten zetten naast schepen ook gebouwen in als noodopvanglocatie, zoals ‘Er zitten tralies voor de ramen. Het leegstaande kantoorpanden, sport­ of evenementenhallen raam kan ook niet open. Elke dag en hotels. Daarnaast kunnen tenten en tijdelijke mobiele units worden ingezet voor noodopvang. In een poging om ruimtes als ik de tralies zie, denk ik: waar ben voor langere tijd bewoonbaar te maken voor grotere groepen ik? De tralies alleen al, wat heb ik mensen, worden vaak aanpassingen gedaan. Zo bezocht de Onderzoekraad noodopvanglocaties waar in grote hallen kamers gedaan om dat te verdienen?’ waren gecreëerd door middel van dunne schotten. Ondanks dergelijke aanpassingen constateert de Onderzoeksraad dat de fysieke omstandigheden op de bezochte locaties niet geschikt zijn om kinderen langdurig te laten wonen en opgroeien. Gevaren in de fysieke omgeving De locatie van de noodopvang en de fysieke eigenschappen van de omgeving kunnen voor kinderen risico’s met zich meebrengen. De Onderzoeksraad bezocht onder andere noodopvang op schepen, waar open water een risico vormde voor kinderen van wege verdrinkingsgevaar. Andere locaties hadden geen veilige moge lijk heden om buiten te spelen en lagen vlak naast een drukke autoweg. In sommige gebouwen vormden gevaarlijke trappen en slecht afsluitbare buitenruimtes een risico. Tijdens de locatiebezoeken sprak de Onderzoeksraad ouders die aangaven dat zij hun kinderen, vanwege dergelijke risico’s, op de gezinskamer hielden. Figuur 12: Raam met tralies in een amv-noodopvanglocaties (bron: foto genomen door een kind in het photovoice-project van de Onderzoeksraad voor Veiligheid). Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 48 Ook inspectiediensten93, de Kinderombudsman en de Nationale wordt geen enkele vorm van voorlichting verzorgd. Voor kinderen ombudsman94 en VluchtelingenWerk Nederland95 hebben op reguliere locaties is de voorlichting gebrekkiger; op 42% van de de afgelopen jaren expliciet gewezen op de risico’s van het locaties wordt helemaal geen voorlichting gegeven, en slechts op huisvesten van kinderen op schepen en in omgebouwde 13% van de locaties wordt voorlichting gegeven over alle drie de kantoorpanden, leegstaande hotels en sport­ en evenement­ bovengenoemde punten. hallen. In hun aanbevelingen stelden deze partijen dat kinderen niet meer zouden moeten worden opgevangen op de meest onveilige locaties, zoals op schepen of in grote hallen. Het COA vindt schepen geen geschikte opvanglocatie voor kinderen. In de praktijk vangt het COA daar toch kinderen op. Volgens het COA verbleven er in maart 2025 505 kinderen op schepen,96 zoals de casus van Idris, Omar en hun broertjes illustreert (zie ook paragraaf 4.1.3). Het COA en gemeenten zijn zich bewust van dergelijke veiligheidsrisico’s. Zij proberen hier onder andere op in te spelen door kinderen zwemles aan te bieden en voorlichting te geven over de gevaren van brand, verkeer en open water. In het voorjaar van 2025 zette het COA een enquête uit bij alle azc’s en noodopvanglocaties waar kinderen verbleven om zicht te Figuur 13: De schotten in deze noodopvang zijn niet stevig. Verschillende ouders krijgen op de leef­ en verblijfsomstandigheden.97 Een analyse en kinderen vertellen tijdens gesprekken met de Onderzoeksraad dat deze van de data uit de enquête door de Onderzoeksraad98 toont dat schotten zijn omgevallen tijdens het spel van enkele kinderen (bron: op veel noodopvanglocaties voor alleenstaande kinderen (89%) Onderzoeksraad voor Veiligheid). voorlichting wordt verzorgd over veiligheid. Slechts op één locatie 93 Inspectie Justitie en veiligheid en Inspectie Gezondheidszorg & Jeugd, Signaalbrief aan de staatssecretaris: Kinderen in de noodopvang, 16 juni 2022; Inspectie Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs en de Nederlandse Arbeidsinspectie, Brief ‘Kinderen in de noodopvang en crisisnoodopvang’, 19 april 2023; Inspectie van Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs, Brief ‘Verbetermaatregelen noodopvang: situatie kinderen onveranderd zorgelijk’, 17 juli 2025. 94 Kinderombudsman en Nationale ombudsman, De crisis voorbij. Naar een menswaardige opvang van asielzoekers vanuit mensenrechten en kinderrechtelijk perspectief, 27 juni 2023. 95 VluchtelingenWerk Nederland, Tweede QuickScan leefomstandigheden noodopvang asielzoekers, maart 2022; VluchtelingenWerk Nederland, Gevlucht en Vergeten? Leefomstandigheden in de (crisis)noodopvang voor asielzoekers, 7 september 2023. 96 Het aantal kinderen op schepen is opgevraagd bij het COA. 97 Kamerstukken II 2025­26, 19 637, nr. 3474. Zie ook: COA, Infographic - Inventarisatie leef- en verblijfsomstandigheden van kinderen en alleenstaande kinderen (amv) in de asielopvang van het COA, september 2025. 98 Zie bijlage F waarin een methodologische verantwoording is opgenomen van het gebruik van data uit de enquête uitgevoerd door COA. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 49 Kamers voldoen niet aan de eisen De Onderzoekraad zag in verschillende noodopvanglocaties privékamers met tekortkomingen. Hoewel de Opvangrichtlijn voorschrijft dat gezinnen niet mogen worden opgesplitst99 en dat kinderen toegang moeten hebben tot een afsluitbare kamer waar zij met hun gezinsleden kunnen overnachten, laat de casus van Idris en Omar zien dat gezinsleden in een noodopvang met zeer kleine kamers toch worden gescheiden. Privékamers voldeden wat betreft oppervlakte vaak niet aan de Europese minimumnormen (minimaal vier vierkante meter per persoon).100 Kamers hadden bijvoorbeeld geen natuurlijk licht, geen raam, geen plafond (kamers tussen schotten), geen afsluitbare deur of slechte ventilatie. Naast de standaard aanwezige (stapel)bedden en lockers boden de kamers in de door de Onderzoeksraad bezochte locaties niet altijd ruimte voor meubilair of persoonlijke bezittingen, of waren eigen Figuur 14: Hotelkamer voor vier bewoners: vader, moeder, dochter (4 jaar), en bezittingen vanwege brandveiligheid niet toegestaan. neef (15 jaar). Dit is een slaapkamer, badkamer, woonkamer en studiekamer ineen (bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid). Dergelijke inbreuken op Europese minimumnormen101 zijn al eerder geconstateerd, bijvoorbeeld door VluchtelingenWerk Nederland.102 Uit data verkregen via het COA blijkt dat op 14 procent van de nood­ opvanglocaties kinderen en hun gezinsleden geen afge sloten privéruimte hadden om samen te overnachten.103 Dit ging in totaal om 785 kinderen. 99 De Opvangrichtlijn (artikel 12) verplicht lidstaten de ‘eenheid van gezin’ te waarborgen. 100 Deze basisnormen zijn gebaseerd op de Europese Opvangrichtlijn (2013) en de interpretatie daarvan via het EASO­richtsnoer van het Europees Asielagentschap (EUAA, voormalig EASO). Bron: Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA, voormalig EASO). Het EASO­richtsnoer voor opvangvoorzieningen: operationele normen en indicatoren. 2018. 101 Het gaat hier om minimumeisen gebaseerd op de Europese Opvangrichtlijn (2013) en de interpretatie daarvan via het EASO­richtsnoer van het Europees Asielagentschap (EUAA, voormalig EASO). 102 VluchtelingenWerk. Gevlucht en vergeten? Leefomstandigheden in de (crisis)noodopvang voor asielzoekers, 7 september 2023. 103 Analyse Onderzoeksraad van opgevraagde COA­data naar aanleiding van een door het COA uitgevoerd enquête. Zie bijlage F voor de methodologische verantwoording. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 50 Ruimtegebrek Door het tekort aan opvangplaatsen, zo blijkt uit gesprekken met Wonen in een COA­professionals, worden in nieuw te openen noodo pv angl ocaties hotelkamer meer mensen geplaatst dan het geval zou zijn in een reguliere Emin & Sinan locatie. De hoge bezetting leidt tot onvoldoende privacy, druk op sanitaire voorzieningen, veel geluidsoverlast en een tekort aan gemeenschappelijke ruimtes waar kinderen ongestoord kunnen Emin (12 jaar) en zijn broer Sinan (13 jaar) verblijven met hun ouders in een hotel dat in rusten, spelen of huiswerk maken. De beperkte ruimtes die beschik­ gebruik is als noodopvang. Tijdens de photovoice­works hop vertellen de broers dat er binnen baar zijn voor ontspanning, spel en huiswerk moeten kinderen delen weinig speelruimte is in het hotel, en ook de buiten ruimte is beperkt. Naast de ingang van het met volwassen medebewoners. Tijdens de locatiebezoeken trof de hotel staat een picknickbank, die de jongens voor de work shop fotograferen. Sinan: ‘Dit is de Onderzoeksraad kinderen aan die speelden in gangen of op trappen. enige plek buiten, maar de mannen staan daar altijd te roken. Wij zouden ook graag een plek hebben om buiten te zitten’. Uit data die het COA in het voorjaar van 2025 verzamelde, blijkt dat 24 procent van de noodopvanglocaties waar kinderen in gezins­ verband verblijven niet beschikte over een geschikte binnenruimte ‘Dit is de enige plek buiten, waar kinderen kunnen spelen. Dat treft 1.170 kinderen.104 Van de maar de mannen staan noodopvanglocaties waar alleenstaande kinderen wonen, heeft 17 procent geen geschikte binnenruimte. Dat treft 148 kinderen. daar altijd te roken. Wij zouden ook graag een Daarnaast hebben in totaal 811 kinderen in de noodopvang (kinderen in gezinsverband en alleenstaande kinderen) geen moge lijkheid plek hebben om buiten te om buiten te spelen. Zij wonen bijvoorbeeld in hotels gelegen in zitten.’ een stadscentrum of aan de snelweg. Het gaat om 23 procent van de locaties waar kinderen in gezinsverband leven, en 19 procent van de noodopvanglocaties voor alleenstaande kinderen. Figuur 15: Een picknickbank bij de ingang van een noodopvanglocatie in een hotel (bron: foto genomen door een kind in het photovoice-project van de Onderzoeksraad voor Veiligheid). 104 Analyse Onderzoeksraad van opgevraagde COA­data naar aanleiding van een door het COA uitgevoerd enquête. Zie bijlage F voor de methodologische verantwoording. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 51 Hygiëne en sanitaire voorzieningen voldoen niet De hygiëne in noodopvanglocaties met gedeelde sanitaire voor­ Gebrekkige zieningen schiet naar het oordeel van de Onderzoeksraad structureel hygiëne tekort. Net als de meeste voorzieningen in de nood opvang is Maysoen het sanitair niet geschikt voor intensief gebruik gedurende een langere periode. In gesprekken op meerdere locaties geven Net als veel andere voorzieningen in de noodo pvang is het ouders en kinderen aan dat er sprake is van gebrekkig onderhoud sanitair niet ontworpen voor langdurig en intensief gebruik. en onhygiënische voorzieningen. Zo vertellen zij dat toiletten en Tijdens gesprekken op verschillende locaties geven zowel douches vaak ‘vies’ of defect zijn, ondanks het feit dat bewoners ouders als kinderen aan dat het onderhoud tekortschiet en dat vertellen zelf ook hun handen uit de mouwen te steken om hun de sanitaire voorz ieningen vaak onhygiënisch zijn. Ouders geven Figuur 17: Afval in de gemeen- leefomgeving schoon te houden. Waar bewoners eigen sanitaire aan dat zij telkens het toilet moeten schoonmaken voordat hun schappelijke keuken (bron: foto voorzieningen hebben, zijn hygiënestandaarden vaak hoger. Die kind er gebruik van kan maken. Voor jonge kinderen kan het genomen door een kind in het voorzieningen worden als ‘schoon’, toegankelijk en comfortabel lastig zijn om te wachten totdat het toilet schoon is. photovoice-project van de ervaren, zowel door kinderen als door ouders die wij spraken. Onderzoeksraad voor Veiligheid). ‘Zoveel mensen laten het toilet vies In noodopvang die gevestigd is in kantoorpanden en hallen zijn vaak extra toiletten geïnstalleerd. Soms ook buiten, waardoor ze achter. Mijn broertje weigert zijn tanden met name voor jonge kinderen en moeders met baby’s minder te poetsen, hij moet ervan walgen.’ goed toegankelijk zijn. Zowel kinderen als ouders die wonen in dergelijke locaties vertellen dat zij de sanitaire voorzieningen ervaren als onveilig, omdat ze onvoldoende privacy bieden. Kinderen Meerdere kinderen hebben foto’s gemaakt om de maken duidelijk dat zij vooral ’s nachts niet alleen naar het toilet onhygiënische omstandigheden in de opvang vast te leggen. durven, wanneer dat zich buiten of op grote afstand van de Maysoen (15 jaar) vertelt bij de foto: ‘Zoveel mensen laten het privékamers bevindt. Ouders stellen dat zij hun kinderen altijd toilet vies achter. Mijn broertje is acht jaar oud en hij weigert proberen te begeleiden. zijn tanden te poetsen, hij moet ervan walgen’. Figuur 18: Onhygiënische gedeelde sanitaire voorzieningen, geplaatst in een evenementenhal Figuur 16: Onhygiënisch gedeeld toilet (bron: foto genomen door een (bron: foto genomen door een kind kind in het photovoice-project in het photovoice-project van de van de Onderzoeksraad voor Onderzoeksraad voor Veiligheid). Veiligheid). Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 52 voorzieningen op verschillende noodopvanglocaties wat betreft hygiëne niet voldeden aan de minimale humanitaire eisen.106 Met kleuters naar In het vervolgrapport Uitzichtloos in de opvang (december, het toilet 2024) bevestigt Pharos107 dat, ondanks enkele verbeteringen, de leefomstandigheden – en de sanitaire hygiëne – op veel tijdelijke locaties nog steeds ver onder de norm liggen.108 Structurele tekortkomingen op het gebied van hygiëne en sanitaire Met name moeders met baby’s en peuters, zwangere vrouwen en kinderen met een medische voorzieningen versterken de risico’s voor de gezondheid en het problematiek ervaren de belemmeringen van vies en ontoereikend sanitair. Een moeder welzijn van kinderen. vertelt dat haar kindje van vier jaar niet in staat was om naar het grote toilet te gaan, omdat de toiletten op de verdieping waar ze woonde nat en vies waren. Dit probleem werd urgenter omdat de kleuter naar de basisschool zou gaan en daarop voorbereid moet worden. Ze moest met haar kleuter steeds de trap op naar een schoon toilet op een andere verdieping. Een moeder op een andere locatie vertelt dat haar zoontje van zeven jaar vanwege de onhygiënische omstandigheden weigerde zijn tanden te poetsen en weer in zijn broek plaste. De combinatie van ongeschikte huisvesting, overbezetting en gebrekkige hygiëne leidt ertoe dat infectieziekten, huidproblemen en andere hygiëne­gerelateerde problemen makkelijker ontstaan, of pas in een laat stadium worden gesignaleerd.105 De Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Figuur 19: Sanitair in een container, waar kinderen door de buitenlucht naar landelijke expertisecentrum Pharos en VluchtelingenWerk Nederland toe moeten om naar het toilet te gaan of te douchen (bron: verkregen van de constateerden tussen 2021 en 2023 meermaals dat de sanitaire uitvoerende organisatie van deze noodopvanglocatie (TGO)). 105 VluchtelingenWerk Nederland, Toelichting kort geding en situatieschets noodopvang, augustus 2022; VluchtelingenWerk Nederland, Gevlucht en Vergeten? Leefomstandigheden in de (crisis)noodopvang voor asielzoekers, 7 september 2023. 106 Dokters van de Wereld, Pharos, Rode Kruis, Zorgen in tijden van crisis: gezondheidszorg in de crisisnoodopvang, juni 2023; VluchtelingenWerk Nederland, Toelichting kort geding en situatieschets noodopvang, augustus 2022; VluchtelingenWerk Nederland, Gevlucht en Vergeten? Leefomstandigheden in de (crisis) noodopvang voor asielzoekers, 7 september 2023. Inspectie Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs en de Nederlandse Arbeidsinspectie, Brief ‘Kinderen in de noodopvang en crisisnoodopvang’, 19 april 2023. 107 Pharos is het Landelijk expertisecentrum dat zich inzet voor het terugdringen van grote gezondheidsverschillen in Nederland. 108 Pharos, Dokters van de Wereld, Rode Kruis. Uitzichtloos in de opvang. Vervolgonderzoek naar gezondheidszorg en leefomstandigheden in de tijdelijke gemeentelijke opvang, december 2024. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 53 3.2.2 Autonomie en privacy gezinsleden, speelt zich noodgedwongen af tussen vier muren. Hierdoor nemen spanningen toe. Daarnaast ervaren kinderen een groot verlies van controle, autonomie en zelfbeschikking. Voor vrijwel elk onderdeel van het dagelijks leven bestaan strikte regels Zoeken naar een en vaste routines waarop zij geen invloed hebben. De combinatie plek om alleen te zijn van continue nabijheid van anderen, gebrek aan persoonlijke Jasmina ruimte en beperkte autonomie leidt bij kinderen structureel tot gevoelens van stress, machteloosheid en voortdurende alertheid. Jasmina (13 jaar) verblijft met haar zus, vader en moeder in Gebrek aan privacy: nooit alleen kunnen zijn een hotel dat al enkele jaren ingezet wordt als noodopvang. Uit de bezoeken aan noodopvanglocaties blijkt dat kinderen, Er verblijven meer dan driehonderd mensen, van wie er veel zoals Jasmina, weinig tot geen persoonlijke ruimte hebben. Zij leven in gezinsverband. Jasmina vertelt tijdens de photovoice wonen, spelen, slapen en leren in één kamer die zij delen met workshop: ‘De kamer is klein. Als ik ruzie heb gehad met mijn het hele gezin. Ook buiten de eigen kamer zijn er altijd volwassen zus is er gewoon geen zuurstof in de kamer. Mijn vader, mijn Figuur 20: Foto: een schommel medebewoners met wie rekening moet worden gehouden. moeder en mijn zus, allemaal tussen vier muren. Dan ga ik naast een noodopvang locatie in Hierdoor nemen spanningen toe. De Onderzoeksraad zag soms naar deze schommel om alleen te zijn.’ een hotel (bron: foto genomen bijvoorbeeld hoe in grote evenementhallen honderden personen, door een kind in het photovoice- onder wie veel jonge kinderen, dicht op elkaar tussen schotten ‘Soms ga ik naar deze schommel om project van de Onderzoeksraad woonden. Ruimtegebrek, en de daarbij horende ervaring van voor Veiligheid). voortdurende stress en geluidsoverlast zoals beschreven in alleen te zijn.’ paragraaf 3.2.1, raakten hier aan het gebrek aan privacy. Deze situatie staat haaks op internationale kinderrechten, die expliciet aangeven dat privacy een basisvoorwaarde is voor veiligheid, waardigheid en gezonde ontwikkeling. Het Kinderrechtenverdrag noemt voldoende privacy en autonomie noodzakelijke voorwaarden voor het waarborgen Ouders, kinderen en zorgprofessionals stellen in interviews dat van een (mentaal) veilige omgeving voor kinderen. In veel het leven in een drukke omgeving, waar kinderen geen eigen plek noodopvanglocaties wordt aan deze voorwaarden niet voldaan. hebben om zich terug te trekken en waar de controle over hun Net als veel andere kinderen en jongeren die de Onderzoeksraad eigen leven beperkt is, structureel leidt tot stress en overprikkeling, sprak, schetste Jasmina hoe haar leven in de noodopvang angst, slaapproblemen of gevoelens van onveiligheid. Tijdens gekenmerkt werd door een gebrek aan privacy. Kinderen hebben het veldonderzoek vertelden ouders met jonge kinderen dat zij geen mogelijkheid zich terug te trekken. Hun leven, en dat van hun werden weggestuurd uit gemeenschappelijke ruimtes wanneer Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 54 alert zijn op geluiden, conflicten, kamercontroles, medebewoners ­ én op het feit dat anderen altijd kunnen meekijken of ­luisteren. De omgeving biedt weinig bescherming tegen overprikkeling, waardoor kinderen voortdurend stress ondervinden. Daardoor kunnen zij onvoldoende herstellen van eerdere negatieve ervaringen.109 VluchtelingenWerk Nederland,110 de Kinderombudsman en Nationale ombudsman111 en inspectiediensten112 hebben al eerder gesignaleerd dat kinderrechten met betrekking tot privacy onder druk staan in de noodopvang. Zo heeft VluchtelingenWerk Nederland benadrukt dat kinderen met name in sport­ en evenementenhallen onvoldoende privacy hebben, en daar dus niet meer opgevangen zouden moeten worden.113 Dat het gebrek aan privacy leidt tot verhoogde stress, spanning en gevoelens van onveiligheid binnen gezinnen, zoals de Onderzoeksraad constateerde tijdens de locatiebezoeken, wordt bevestigd in bovengenoemde verslagen van inspecties, de Kinderombudsman en Nationale ombudsman, en verschillende ngo’s (niet­gouvernementele organisaties). Figuur 21: Schotten van een privéruimte sluiten niet goed aan. Er is geen plafond Gebrek aan autonomie: verlies van controle over het dagelijks en de deur kan niet op slot. Op de foto toont een vader met zijn hand dat de leven schotten onvoldoende afsluiten. Kinderen en jongeren ervaren de binnenruimte In vrijwel alle gesprekken met kinderen kwam gebrek aan auto­ daardoor niet als een veilige privéruimte (bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid). nomie aan de orde. Zij ervaarden dat hun dagelijks leven werd bepaald door allerlei regels waar ze geen invloed op hadden, hun kinderen luidruchtig waren of zich wild gedroegen. Bij gebrek bijvoorbeeld rondom etenstijden, kamerindeling, bewegingsvrijheid, aan alternatieven voelden ze zich genoodzaakt hun kinderen in de kamercontroles, persoonlijke bezittingen en toegang tot activiteiten gezinskamer te houden. Kinderen beschreven hoe zij voortdurend of gemeenschappelijke ruimten. Het gebrek aan autonomie en 109 Van der Kuil, Marjolein. Structuur, steun en stabiliteit. Mentale zorgverlening voor kinderen in de asielopvang en wat daarvoor nodig is, 2024; Werkgroep kind in azc, Noodsituatie op noodlocaties, QuickScan naar de leefomstandigheden van kinderen in de (nood)opvang, 20 juni 2022. 110 VluchtelingenWerk Nederland, Tweede QuickScan leefomstandigheden noodopvang asielzoekers, maart 2022; VluchtelingenWerk Nederland, Gevlucht en Vergeten? Leefomstandigheden in de (crisis)noodopvang voor asielzoekers, 7 september 2023. 111 Kinderombudsman en Nationale ombudsman, De crisis voorbij. Naar een menswaardige opvang van asielzoekers vanuit mensenrechten en kinderrechtelijk perspectief, 27 juni 2023 112 Inspectie Justitie en veiligheid en Inspectie Gezondheidszorg & Jeugd, Signaalbrief: Kinderen in de noodopvang, 16 juni 2022; Inspectie Justitie en Veiligheid, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Inspectie van het Onderwijs en de Nederlandse Arbeidsinspectie, Brief ‘Kinderen in de noodopvang en crisisnoodopvang’, 19 april 2023. 113 VluchtelingenWerk Nederland, Tweede QuickScan leefomstandigheden noodopvang asielzoekers, maart 2022. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 55 keuzev rijheid lijkt met name problematisch voor adolescenten, De Onderzoeksraad constateert dat kinderen worden belemmerd die meer bewegingsvrijheid verwachten dan jongere kinderen. in hun doen en laten door de hierboven genoemde risico’s op Adolescenten vertellen nauwelijks invloed te hebben op hun dagelijks het gebied van huisvesting. Zo verblijven kinderen in kamers waar leven, waardoor zij structureel gevoelens van machteloosheid en de deur niet op slot kan, of waar ze niet zelf mogen bepalen hoe afhankelijkheid ervaren. Voor adolescenten die in hun dagelijks leven ver het raam open mag. De Kinderombudsman en de Nationale te maken hebben met onzekerheden rondom hun asielprocedure ombudsman rapporteerden in 2023 eveneens dat kinderen in en mogelijke verhuizingen, versterkt een gebrek aan autonomie het de noodopvang te weinig regie hebben over hun bestaan.114 Zij gevoel van controleverlies. Autonomie is cruciaal voor het behoud signaleerden onder meer dat kinderen ‘niet­eten’ inzetten als van veerkracht, zelfvertrouwen en mentale stabiliteit. middel om nog enige controle over de situatie uit te oefenen.115 Afhankelijk van catering: niet zelf kunnen koken Maysoen (17 jaar): In de gesprekken met COA­medewerkers, medewerkers van ketenpartners, ouders en kinderen kwam het niet zelf kunnen ‘Als ik een privégesprek met mijn koken structureel naar voren als de meest directe inbreuk op de autonomie. Koken gaat volgens hen niet alleen over kunnen moeder heb, horen alle mensen op de bepalen wat je wel en niet eet, maar ook over zelfbeschikking. Niet gang dat. Als de buurman ruzie maakt zelf kunnen koken wordt dan ook ervaren als een inbreuk daarop, als een vorm van structurele afhankelijkheid en controleverlies. met zijn vrouw, horen wij alles, elk Bewoners zijn op locaties waar zij niet zelf kunnen koken drie detail. Ik kan niet eens huilen zonder keer per dag, op vaste tijdstippen, voor hun maaltijden volledig afhankelijk van catering. Op een van de bezochte locaties dat iemand mij hoort.’ vertelden alleenstaande kinderen aan de onderzoekers dat zij ’s avonds na het sporten te laat terug waren voor het avondeten, en daardoor vaak met honger naar bed gingen. Figuur 22: Privéruimte voor vier personen tussen schotten (bron: foto genomen door een kind in het photovoice- project van de Onderzoeksraad voor Veiligheid). In het voorjaar van 2025 verzamelde het COA informatie over kookgelegenheden in noodopvanglocaties. Op basis van deze data stellen we vast dat er geen eigen kookgelegenheden zijn in 40 procent van de noodopvanglocaties waar kinderen in 114 Kinderombudsman en Nationale ombudsman, De crisis voorbij. Naar een menswaardige opvang van asielzoekers vanuit mensenrechten en kinderrechtelijk perspectief, 27 juni 2023. 115 Dit rapport stelt tevens dat de bevindingen ten aanzien van het niet eten door kinderen zijn bevestigd door twee kinderartsen en drie kinderpsychiaters. Bron: Kinderombudsman en Nationale ombudsman, De crisis voorbij. Naar een menswaardige opvang van asielzoekers vanuit mensenrechten en kinderrechtelijk perspectief, 27 juni 2023, p.33. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 56 gezinsverband verblijven, en in 22 procent van de locaties voor die niet zelf kunnen koken onvoldoende kunnen toewerken naar alleenstaande kinderen.116 zelfstandigheid. Koken, boodschappen doen en omgaan met een beperkt financieel budget zijn belangrijke vaardigheden die moeten worden geleerd in het proces van volwassen worden. Reza (16 jaar, alleenstaand kind): Catering heeft niet alleen effect op het gevoel van autonomie ‘De keuken (catering) is op vaste en controle van kinderen, het heeft ook consequenties voor hun fysieke gezondheid. In alle bezochte noodopvanglocaties waar tijden open. Als ik te laat terug ben catering aanwezig was, deden ouders hun beklag over het feit van het sporten, kan ik niet meer eten. dat kinderen weinig of onvoldoende gevarieerd aten. Kinderen lusten vaak het voor hen onbekende eten niet. Zorgprofessionals Ik ga met honger naar bed. Deze vertelden in interviews ook dat zij kinderen op consultatie zien die gesloten deur is de bron van alle eenzijdige of onvoldoende voedingsstoffen binnenkrijgen, gewicht verliezen of ongezonde alternatieven eten uit de supermarkt. ontevredenheid.’ Deze bevindingen komen overeen met eerdere signalen. In oktober 2024 trok een GGD­arts aan de bel met signalen van onderv oeding Figuur 23: De deur van de keuken in een voormalig hotel. Alleenstaande kinderen mogen daar niet naar binnen bij kinderen in de noodopvang.117 In april 2025 luidden huisartsen en krijgen eten van een cateringbedrijf (bron: foto genomen door een kind in het photovoice-project van de van GZA die werkzaam zijn op een grootschalige locatie waar Onderzoeksraad voor Veiligheid). tweeduizend mensen worden opgevangen opnieuw de noodklok met vergelijkbare signalen.118 Ook casussen gesignaleerd door kinderartsen bij het Expertisecentrum Kinderen en Adolescenten Als bewoners op noodopvanglocaties afhankelijk zijn van catering, Nieuw in Nederland (EKANN),119 en signalen die Save the Children krijgen zij minder leefgeld dan bewoners die zelf boodschappen in een Rondetafel gesprek met Tweede Kamerleden in september doen voor hun maaltijd. Voor alleenstaande kinderen die niet zelf 2025 onder de aandacht bracht120 betroffen tekenen van mogen koken, is het leefgeld veertien euro per week. Professionals ondervoeding en/of een gebrek aan essentiële voedingsstoffen bij die alleenstaande kinderen begeleiden, gaven aan dat kinderen kinderen in de noodopvang. 116 Analyse Onderzoeksraad van opgevraagde COA­data naar aanleiding van een door het COA uitgevoerd enquête. Zie bijlage F voor de methodologische verantwoording. 117 Berichtgeving hierover verscheen o.a. bij de NOS, GGD-arts slaat alarm: asielkinderen opvang Assen zijn ondervoed en bang, 10 oktober 2024. 118 Interne brandbrief opgesteld door huisartsen van het GZA op 10 april 2025 werkzaam op opvanglocatie de Silja, een cruiseschip dat in Rotterdam ligt. (Dit document is opgevraagd door de Onderzoeksraad. Berichtgeving hierover verscheen in het NRC. Een van de grootste vluchtelingencentra is een snelkookpan van geweld en besmettelijke aandoeningen, waarschuwen artsen. 10 april 2025.) 119 Analyse van casussen opgevraagd bij Expertisecentrum Kinderen en Adolescenten Nieuw in Nederland (EKANN). 120 Kamerstukken II 2025­26, 19 637, nr. 3490. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 57 3.2.3 Sociale omgeving gebrek aan overzicht geeft hem het gevoel dat er elk moment ‘iets Constant gevoel kan gebeuren’. Zain voelt zich verantwoordelijk voor zijn zussen. van onveiligheid Omdat hij hen zo min mogelijk alleen wil laten op het schip, Zain brengt Zain de meeste dagen door op zijn kleine kamer. Hoewel hij zich probeert te concentreren op schoolwerk, merkt hij dat de voortdurende onrust en het gebrek aan veilige, rustige plekken Zain (15 jaar) woont met zijn alleenstaande hem moe en prikkelbaar maken. moeder en vier broers en zussen op een groot schip dat tijdelijk als noodopvang Zain droomt ervan om in een fungeert voor zo’n vijftienhonderd mensen. gewoon huis te wonen met zijn Het gezin deelt meerdere hutten, verspreid over de gang. De hutten zijn klein, de bedden familie. Figuur 24: Deur van een hut op een grootschalig staan tegen elkaar en er is nauwelijks ruimte passagiersschip (cruiseferry) dat dienst doet als om te bewegen. In de nauwe gangen en nood opvang (bron: foto genomen door een kind in gemeenschappelijke ruimten is het vrijwel Voor Zain is het leven op het schip vooral een kwestie van het photovoice-project van de Onderzoeksraad voor voortdurend druk. Er zijn weinig plekken waar gespannen afwachten. Hoewel het gezin al te horen heeft gekregen Veiligheid). kinderen zich kunnen terugtrekken. dat zij in Nederland mogen blijven, is het nog onduidelijk wanneer zij van het schip af mogen. Zain droomt ervan om in een gewoon De drukte op het schip leidt regelmatig tot huis te wonen met zijn familie, en als een gewone jongen naar frustraties onder bewoners. Zain vertelt dat hij school te gaan. zich vaak onveilig voelt om over het schip of buiten op de kade rond te lopen. Regelmatig lopen de spanningen in de kantine op en leiden ze tot ruzies of opstootjes. Zain vertelt: ‘Er ontstaan veel ruzies, vooral in de eetzaal. Er was een tijd dat er dagelijks vechtpartijen Figuur 25: Het uitzicht op het vijfde dek van het waren.’ Er is constante spanning en het passagiersschip (bron: Onderzoeksraad voor Veiligheid). Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 58 in internationale wetgeving door de overheid onvoldoende worden Reem (15 jaar): nageleefd. Kinderen in de bezochte noodopvanglocaties werden onvoldoende beschermd tegen risico’s en liepen daardoor een grote kans om in aanraking te komen met verschillende gradaties ‘Er wordt vaak gevochten en één keer werd er geslagen. van conflict en verbaal, fysiek of seksueel geweld. Er was bloed. Ik was doodsbang; zoiets had ik nog nooit Fysiek geweld gezien in mijn leven. Het gebroken glas vloog naar ons toe. In gesprekken met de Onderzoeksraad vertelden kinderen in Sinds ik dat heb gezien, blijf ik altijd in de buurt van mijn de noodopvang over wat zij op het vlak van geweld hadden meegemaakt. Ook vertelden zij over de indruk die circulerende familie.’ verhalen over geweldsincidenten tussen medebewoners op hen maakten. Ouders uitten bezorgdheid over de veiligheid van hun kinderen omdat zij zagen dat dit geweld effect op hen had. Verschillende kinderen vertelden tijdens de photovoice gesprekken dat zij zich door de dreiging van geweld onveilig voelden en hun De Onderzoeksraad vernam tijdens het onderzoek op noodo pvang­ dagritme hadden aangepast, bijvoorbeeld door voortdurend in de locaties verschillende verhalen over geweld of de dreiging van kleine gezinskamer te zitten of nooit alleen rond te lopen. Ouders geweld, conflicten en (pogingen tot) suïcide. Kinderen, zoals Zain, gebruikten soortgelijke strategieën, en proberen hun kinderen te blijken veel incidenten van dichtbij mee te maken. Persoonlijke allen tijde te begeleiden naar de sanitaire voorzieningen. ervaringen, maar ook de verhalen die vaak nog lang blijven circuleren, moeten zij veelal verwerken zonder professionele Conflicten, agressie en fysiek geweld komen niet uitsluitend begeleiding. Incidenten als de suïcide van een medebewoner voor in de noodopvang. Toch stelde de Onderzoeksraad tijdens drukken zwaar op het mentale welzijn van kinderen. Geweld, of de het onderzoek vast dat een aantal risico­verhogende factoren dreiging van geweld, is een min of meer vast onderdeel van hun kinderen in de noodopvang enerzijds kwetsbaarder maakt, leefomgeving. Dat tast hun gevoel van veiligheid aan. en anderzijds de kans vergroot dat zij worden blootgesteld aan dergelijke vormen van geweld. Door de combinatie van Op grond van het Kinderrechtenverdrag en de Opvangrichtlijn is ondermaatse leefomstandigheden, voortdurende spanning de overheid verplicht zich maximaal in te spannen om kinderen, en het gegeven dat mensen dicht op elkaar leven, kunnen ongeacht hun verblijfsstatus of opvangplek, te beschermen meningsverschillen en ruzies snel uit de hand lopen. Uit interviews tegen alle vormen van lichamelijk en geestelijk geweld.121 De met medewerkers en ouders blijkt dat conflicten vaak beginnen Onderzoeksraad constateert dat deze beschermende bepalingen met onenigheid over triviale onderwerpen: klachten rond de 121 Het Kinderrechtenverdrag (artikel 19) verplicht staten om kinderen te beschermen tegen alle vormen van geweld, mishandeling en verwaarlozing. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 59 Het ontbreken van veilige en voor kinderen gereserveerde Salim (17 jaar), alleenstaande jongere: ruimtes vergroot de kans dat kinderen getuige worden van geweld. Door de zeer kleine privékamers en het gebrek aan kindvriendelijke ruimtes hangen kinderen vaker rond in gangen ‘Er was hier laatst een ruzie met een mes. Ik was die avond of in gemeenschappelijke ruimtes, waar zij vervolgens mogelijk niet hier, maar ik hoorde de verhalen en dat is wel heftig getuige zijn van incidenten. Tijdens het veldonderzoek vertelden kinderen en hun ouders dat zij regelmatig ruzies of geweld tussen om te horen.’ volwassenen meemaken, bijvoorbeeld in het restaurant of op de gangen, en dat zij zich hierdoor onveilig voelen. schoonmaak, het gebruik van collectieve ruimtes, eetgewoontes of geluidsoverlast. Daar zitten veelal problemen onder zoals stress over asielprocedures, trauma’s, onzekerheid over de toekomst en over familieleden, en frustraties over de slechte leefomstandigheden. Het WODC benoemt in een recent onderzoek verschillende factoren die leiden tot crimineel en overlastgevend gedrag van COA­bewoners van zowel reguliere locaties als van noodopvanglocaties.122 Het rapport benadrukt dat overlast en geweld voortkomen uit een combinatie van factoren, waaronder factoren gerelateerd aan de structurele inzet van noodopvang (zoals regelmatige verhuizingen), en factoren gerelateerd aan de specifieke leefomstandigheden in opvanglocaties (zoals het ontbreken van zorg of dagbesteding, stressfactoren, fysieke kenmerken van de opvang en een hoge caseload bij begeleiders).123 122 Wetenschappelijk onderzoek­ en datacentrum (WODC). Wat hen beweegt. Factoren die bijdragen aan overlast en criminaliteit buiten COA-opvang, 2025. 123 Wetenschappelijk onderzoek­ en datacentrum (WODC). Infographic: Factoren die bijdragen aan overlast en criminaliteit uiten COA-opvanglocaties. 2025. Kinderen in nood, september 2026 | H3 De veiligheidsrisico's voor kinderen in de noodopvang 60

Tekst uit PDF geëxtraheerd