Home › Westerwolde › Motie

GR Economische Agenda Nij Begun

Aangenomen
TypeMotie
GemeenteWesterwolde
Datum2026-02-18
DataniveauVolledige stemdata
BronDownload brondocument →

Document

Geëxtraheerde tekst

AMENDEMENT Raadsvergadering 18 februari 2026 Onderwerp: gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe (Nij Begun) Ondergetekenden stelt voor het ontwerpbesluit bij agendapunt 15: ontwerp gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe als volgt te wijzigen: Voorliggend ontwerpbesluit: De raad van de gemeente Westerwolde; gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders d.d. 16 december 2025 gelet op artikel 1 en artikel 30 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en op artikel 108 en artikel 156 van de Gemeentewet; b e s l u i t : 1. Geen zienswijzen over de ontwerp gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe naar voren te brengen. 2. De bevoegdheid om subsidieregels vast te stellen ter uitvoering van de Economische Agenda en concretisering daarvan in meerjarig uitvoeringsplannen en jaarplannen over te dragen aan het college van gedeputeerde staten/burgemeester en wethouders/dagelijks bestuur, met dien verstande dat het subsidieplafond moet passen binnen de Rijksmiddelen die aan het openbaar lichaam beschikbaar worden gesteld. Nieuw voorgesteld besluit: De raad van de gemeente Westerwolde; gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders d.d. 16 december 2025 gelet op artikel 1 en artikel 30 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en op artikel 108 en artikel 156 van de Gemeentewet; b e s l u i t : 1. De volgende zienswijzen over de ontwerp gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe naar voren te brengen: Mandaat (Artikelen 4c, 6.1.c, 13.6 en 16 d) Het enkele feit dat de mogelijkheid van mandaat aan de werkorganisatie van de gemeenschappelijke regeling is opengelaten en ook mandaat of machtiging of volmacht aan andere organisaties dan de beoogde stichting mogelijk zijn, is niet voldoende. Zeker in geval er bestaande organisaties aan te wijzen zijn die daartoe bij uitstek geëquipeerd zijn en de uitvoering efficiënt en effectief ter hand kunnen nemen. Deze bestaande organisaties zouden ook expliciet kunnen worden benoemd in de toelichting bij de regeling. In het geval er geen bestaande uitvoeringsorganisatie is en een nieuwe (werk)organisatie moet worden ingericht, heeft het sterk de voorkeur dat deze door de GR wordt ingesteld en niet door de stichting of een andere organisatie die op afstand staat van de volksvertegenwoordigingen (aangezien deze niet vallen onder de actieve informatieplicht). Essentieel is dat in de mandaatregeling van de gemeenschappelijke regeling als uitgangspunt wordt vastgelegd dat een voorbehoud wordt gemaakt voor politiek gevoelige of financieel omvangrijke en ingrijpende handelingen die niet in mandaat, of met een machtiging of volmacht verricht moeten kunnen worden. Dit moet een verantwoordelijkheid blijven van de GR (en openstaan voor een zienswijzeprocedure). Uitwerking programma en plannen (artikel 7) Het is van belang dat niet alleen in de gemeenschappelijke regeling specifiek is vastgelegd dat het bestuur van de GR de meerjarenplannen, jaarplannen, afwegingskaders en regelingen vaststelt, maar ook dat die plannen en regelingen zo specifiek mogelijk zijn. Daarbij zal altijd enige afwegingsruimte noodzakelijk zijn dus die moet ook worden geboden, maar dat hoeft niet in de weg te staan aan SMART geformuleerde plannen aangezien hier achteraf verantwoording over moet worden afgelegd. Actieve informatieplicht (artikel 9) Van belang is dat vóór de inwerkingtreding van de GR adequate afspraken worden gemaakt over de invulling van de actieve informatieplicht aan de volksvertegenwoordigingen. Dit moet een verantwoordelijkheid zijn van de GR en niet van de afzonderlijke deelnemende partijen in de GR of van de bestuurders in de GR met de eigen volksvertegenwoordigingen. Deze afspraken zijn nodig omdat de volksvertegenwoordigingen gelijktijdig en op gelijke wijze behoren te worden geïnformeerd willen zij hun controlerende rol goed in kunnen vullen en ook omdat de stichting en andere (uitvoerings)organisaties niet onder dezelfde actieve informatieplicht vallen. Zienswijze (artikel 10 en 25) Bij de afspraken over de zienswijzenprocedures zal geborgd moeten worden dat de volksvertegenwoordigingen hierin een actieve rol kunnen vervullen. Dat vraagt twee dingen; een langere zienswijzeperiode en de mogelijkheid van tenminste één zienswijze per zittingsperiode. 1. Voor oprichting en wijziging van een gemeenschappelijke regeling geldt een wettelijke zienswijze termijn van 8 weken. Voor de zienswijze op de begroting is dat 12 weken. Er wordt op aangedrongen om voor het meerjarig uitvoeringsplan en voor de evaluatie eveneens een 12 weken zienswijze termijn vast te stellen. 2. Het eerste meerjarenplan kent straks een looptijd van drie jaar. Daarna wordt het een vijfjarenplan. De evaluatie loopt hieraan parallel. Dit kan tot gevolg hebben dat in één zittingsperiode van een raad of staten/AB waterschap géén zienswijze wordt gevraagd over een meerjarenplan en evaluatie en de betreffende volksvertegenwoordigingen een belangrijk controle-instrument wordt ontzegd. Dit dient te worden voorkomen. Een optie is om de doorlooptijden vast te stellen op 3 jaar. Participatie (artikel 11) Het vormgeven van de participatie is nu een “kan” bepaling die ligt bij het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Van belang is enerzijds dat er een uitgewerkt participatieplan is opgenomen in het meerjarenplan en dat in de jaarplannen per afzonderlijk jaar een concrete uitwerking hiervan wordt opgenomen. Anderzijds is van belang dat de verantwoordelijkheid voor participatie bij het AB blijft liggen en niet bij de Stichting. Ongeacht waar de uitvoering is belegd, blijft de Gemeenschappelijke Regeling hiervoor eindverantwoordelijk. Andere organisaties dan de Stichting die onderdelen van de plannen uitvoeren, dienen eveneens te voldoen aan de participatie- eisen. Samenstelling Dagelijks Bestuur (artikel 12) Het Dagelijks Bestuur wordt aangewezen door het Algemeen Bestuur. Ook het aantal leden wordt door hem bepaald. Het is van belang dat er een waarborg komt voor een evenwichtige samenstelling waarin alle betrokken partijen zich herkennen. Stichting (artikel 16) In de ontwerpregeling ontbreekt een toelichting op de samenstelling van het stichtingsbestuur, als het gaat om omvang, inrichting governance, voorzitterschap en de ondersteuning door een werkorganisatie. Ook is onduidelijk welke middelen de Stichting zelf verkrijgt of zou kunnen verkrijgen. Zonder deze informatie en kennis van de inhoud van de (concept)statuten van de Stichting is het niet mogelijk een goed beeld te krijgen van de exacte verdeling van alle rollen, taken en bevoegdheden binnen de governance. Dit is randvoorwaardelijk voor het verlenen van toestemming voor de GR. Daarom wordt erop aangedrongen deze informatie op te nemen in de reactienota op de zienswijzen en beschikbaar te stellen vóórdat de toestemmingsprocedure voor de GR start. Gelet op de stevige adviesrol van de Stichting is het verder van belang dat criteria als objectiviteit en onpartijdigheid onderdeel zijn van de profielschets voor de selectie van de leden van het bestuur van de op te richten Stichting. Evaluatie (artikel 25 en 10) In de ontwerpregeling is de basis gelegd voor een evaluatie. Het is van belang dat de volksvertegenwoordigingen hierbij actief worden betrokken. Juist omdat die evaluatie niet alleen zal zien op de benodigde aanpassingen van de regeling zelf, maar belangrijker, ook op de uitvoering van het (eerste driejarig en daarna vijfjarig) meerjarenprogramma. Daarmee vormt de evaluatie een cruciale (eerste) toets op de werking van de gehele governance in de praktijk. Dit onderstreept nog eens het belang zoals verwoord onder zienswijze (tweede punt) om de evaluatie bijvoorbeeld elke 3 jaar uit te voeren. Uitvoeringskosten / overhead Van belang is dat in de financiële kaders van de gemeenschappelijke regeling expliciet wordt vastgelegd dat uitvoeringskosten (waaronder apparaatslasten/overhead van het openbaar lichaam én van de aan de GR gekoppelde stichting, alsmede uitvoeringskosten bij subsidieverstrekking) eenduidig worden gedefinieerd en afzonderlijk worden geraamd en verantwoord in begroting en jaarrekening. Daarnaast wordt verzocht een streef- dan wel maximumpercentage voor uitvoeringskosten vast te leggen ten opzichte van de jaarlijks aan het openbaar lichaam toegekende middelen, met verplichte motivering en expliciete besluitvorming bij (dreigende) overschrijding. Daarbij wordt uitgegaan van een streefpercentage van maximaal 10% voor uitvoeringskosten, met verplichte motivering en expliciete besluitvorming indien dit percentage wordt overschreden. 2 Onderdeel 2 van het voorliggend besluit te schrappen: De bevoegdheid om subsidieregels vast te stellen ter uitvoering van de Economische Agenda en concretisering daarvan in meerjarig uitvoeringsplannen en jaarplannen over te dragen aan het college van gedeputeerde staten/burgemeester en wethouders/dagelijks bestuur, met dien verstande dat het subsidieplafond moet passen binnen de Rijksmiddelen die aan het openbaar lichaam beschikbaar worden gesteld. Toelichting wijziging lid 1 Op 27 januari 2026 (Regioberaad Nij Begun) is het gemeenschappelijk deel voor de zienswijze op de Governance economische agenda besproken. Dat heeft geleid tot het advies van het Regioberaad aan de eigen raden, staten en algemeen besturen om de strekking van de gemeenschappelijke zienswijze. Het Regioberaad adviseert deze over te nemen in de eigen zienswijze op de ontwerp- gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe en eventueel naar wens verder aan te vullen. De zienswijzen zijn verwerkt in bovengenoemd amendement. Wij als indieners sluiten ons aan bij de andere vertegenwoordigers in het Regioberaad en stellen u voor deze ook over te nemen. Toelichting schrappen lid 2 De Regioberaad adviseert om de overdracht bevoegdheid vaststellen subsidieregels om dit moment nog niet te regelen. Geadviseerd wordt dit besluit te nemen als het voorstel over de toestemming voor de ontwerpregeling voorligt. Ondertekening: Marco Visscher, fractievoorzitter Gemeentebelangen Wim Eilert, raadslid PvdA Klaas Buigel, fractievoorzitter VVD Robert Rep, fractievoorzitter PVV Sander Keizer, fractievoorzitter PvdA René Kriek, fractievoorzitter GroenLinks Herma Hemmen, fractievoorzitter Lijst Hemmen Edith van der Horst, fractievoorzitter Ecologisch Alternatief

Tekst uit PDF geëxtraheerd

Stemverdeling

19
Voor (19)

Individuele stemmen

RaadslidPartijStem
Wilt MeenderingCDAvoor
Erik GeukesGemeentebelangenvoor
Ronald KoskampGemeentebelangenvoor
Marco VisscherGemeentebelangenvoor
Janneke KruiterGemeentebelangenvoor
Bas PetersGemeentebelangenvoor
Henk BrouwerPvdAvoor
Wim EilertPvdAvoor
Diana GrubenPvdAvoor
Sander KeizerPvdAvoor
R. RepPVVvoor
Dorien TholenPVVvoor
Edith van der HorstEcologisch Alternatiefvoor
René KriekGroenlinksvoor
Herma HemmenLijst Hemmenvoor
Klaas BuigelVVDvoor
Seine LokCDAvoor
Evelien Duursma-KoomanPvdAvoor
Marjan HeidekampCDAvoor