Home › Kaag en Braassem › Amendement
Amendement A Herenweg 119
Aangenomen
| Type | Amendement |
| Gemeente | Kaag en Braassem |
| Datum | 2026-09-21 |
| Dataniveau | Volledige stemdata |
| Bron | Download brondocument → |
Document
Geëxtraheerde tekst
Motivering gemeenteraad Kaag en Braassem
Negatief advies BOPA Herenweg 119, Rijnsaterwoude
21 september 2026
Deze motivering behoort bij raadsbesluit d.d. 21 september 2026, getiteld “Raadsbesluit
Verzwaard adviesrecht BOPA Herenweg 119, Rijnsaterwoude”.
Zaaknummer: 799431
Op 24 november 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor het
realiseren van in totaal tien appartementen in het pand op Herenweg 119 in
Rijnsaterwoude. Tegen de verleende vergunning zijn negen bezwaarschriften ingediend. De
bezwaarschriftencommissie concludeerde in haar advies dat bij nader inzien het verzwaard
adviesrecht van de gemeenteraad wel van toepassing was. De raad heeft kennisgenomen
van de vergunningstukken (onderbouwing, tekeningen en bijlagen), van de ingediende
bezwaren, het advies van de bezwaarschriftencommissie en van de anterieure
overeenkomst die met initiatiefnemer is gesloten. Het voorstel is besproken tijdens de
Hoorzitting Ruimtelijke Ontwikkeling op 7 september 2026 en in de raadsvergadering van 21
september 2026. Tijdens de raadsvergadering heeft de raad tegen het voorstel gestemd.
In dit document benoemen wij, de gemeenteraad, de argumenten die voor ons de reden
zijn geweest om ten aanzien van de aangevraagde buitenplanse omgevingsplanactiviteit een
negatief advies uit te brengen. Wij achten onvoldoende aangetoond dat het initiatief leidt
tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Parkeren en verkeersveiligheid
Het voornaamste argument is de situatie die zal ontstaan in de openbare ruimte wanneer
alle appartementen zijn gerealiseerd en worden bewoond. Hoewel de door het college
gebruikte salderingssystematiek – waarbij de parkeerbehoefte van de bestaande functie
wordt afgezet tegen die van de toekomstige functie – volgens de Herziening Nota
Parkeernormen 2018 toegepast mag worden, achten wij onvoldoende onderbouwd dat in
dit geval daadwerkelijk sprake zal zijn van een afname van de parkeerbehoefte.
Het college gaat uit van een bestaande parkeerbehoefte van 21 parkeerplaatsen tegenover
17 parkeerplaatsen in de toekomstige situatie. Die 21 parkeerplaatsen zijn gebaseerd op
acht kamers van een 3-sterrenhotel, 50% van de parkeerbehoefte van een restaurant van
194 m² bvo (bruto vloeroppervlak) en de bestaande woning. Naar onze mening is
onvoldoende onderbouwd dat deze uitgangspunten een realistische en objectief vast te
stellen bestaande parkeerbehoefte opleveren.
Zo is niet gemotiveerd waarom voor het hotel specifiek is uitgegaan van een 3-sterrenhotel
en waarom binnen de toepasselijke bandbreedte het gemiddelde is gehanteerd. Ook is
onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom naast de parkeerbehoefte van het hotel een
afzonderlijke parkeerbehoefte voor een restaurant van 194 m² moet worden meegenomen.
Uit de stukken blijkt niet in welke verhouding de restaurantfunctie tot het hotel stond, welk
deel van het restaurant daadwerkelijk door andere bezoekers dan hotelgasten werd
gebruikt en waarop de toegepaste correctie van 50% is gebaseerd. Het is op basis van de
stukken bijvoorbeeld ook denkbaar dat het restaurant geheel of grotendeels ten dienste
stond van de hotelgasten. De parkeernota kent voor gecombineerde functies juist een
systematiek waarbij rekening wordt gehouden met dubbelgebruik en
aanwezigheidspercentages.
Dat verschil is voor de uitkomst aanzienlijk. Ter illustratie: indien destijds sprake zou zijn
geweest van een 2-sterrenhotel en het aanwezige restaurant uitsluitend ten dienste stond
van de hotelgasten, zou voor de acht hotelkamers op basis van de gemiddelde norm een
parkeerbehoefte van 3,4 parkeerplaatsen volgen. Zelfs wanneer daarnaast de door het
college gehanteerde 1,9 parkeerplaats voor de woning wordt meegenomen, bedraagt de
bestaande parkeerbehoefte in dat scenario afgerond zes parkeerplaatsen. Tegenover een
toekomstige parkeerbehoefte van afgerond zeventien parkeerplaatsen resteert dan een
toename van elf parkeerplaatsen. Nu op eigen terrein slechts in één parkeerplaats wordt
voorzien, zouden in dat scenario nog tien parkeerplaatsen overeenkomstig de Herziening
Nota Parkeernormen 2018 moeten worden opgevangen.
Dit voorbeeld is niet bedoeld als vaststelling dat de voormalige parkeerbehoefte
daadwerkelijk vijf parkeerplaatsen bedroeg. Het illustreert juist dat de conclusie dat sprake
is van een afname van 21 naar 17 parkeerplaatsen in hoge mate afhankelijk is van aannames
over de voormalige hotel- en restaurantfunctie die op basis van de voorliggende stukken
onvoldoende objectief zijn onderbouwd.
Dat klemt temeer omdat het pand inmiddels al meerdere jaren niet meer als hotel en
restaurant in gebruik is. De voormalige parkeerbehoefte kan daardoor niet zonder meer uit
de huidige feitelijke situatie worden afgeleid. Juist dan moet voldoende objectief worden
onderbouwd welke functies daadwerkelijk aanwezig waren, hoe deze zich tot elkaar
verhielden en welke zelfstandige parkeerbehoefte daaraan kon worden toegerekend.
Dit sluit aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1313. De Afdeling overweegt in rechtsoverweging 6.5 dat
bij saldering de parkeerbehoefte in de bestaande situatie in zekere mate objectief moet
worden vastgesteld. Bij een functiewijziging moet bovendien worden gemotiveerd hoe
rekening is gehouden met het gegeven dat de parkeerbehoefte van de bestaande en nieuwe
functie op verschillende momenten van de dag kan ontstaan. Een onvoldoende
onderbouwde vergelijking van de oude en nieuwe normatieve parkeerbehoefte volstaat
daarom niet. Immers is er in het geval van Herenweg 119 ook sprake van verschillende
momenten van de dag waarop de parkeerdruk plaatsvindt (restaurant vs. appartementen).
Wij zijn daarom van mening dat op basis van de voorliggende stukken onvoldoende is
aangetoond dat de bestaande parkeerbehoefte daadwerkelijk 21 parkeerplaatsen bedroeg
en dat de toekomstige parkeerbehoefte van 17 parkeerplaatsen volledig daartegen kan
worden gesaldeerd. Dat is van belang omdat volgens de Herziening Nota Parkeernormen
2018 de na saldering resterende parkeerbehoefte bij een functiewijziging in beginsel op
eigen terrein moet worden ondergebracht. Indien dat niet mogelijk is, kan slechts onder de
in het beleid genoemde voorwaarden in de openbare ruimte worden gecompenseerd.
Wij zijn van mening dat daarbij ook de feitelijke situatie ter plaatse niet buiten beschouwing
kan blijven. Het pand aan de Herenweg 119 is al enkele jaren niet meer als
horecagelegenheid in gebruik, terwijl in de huidige situatie door omwonenden reeds
parkeerdruk wordt ervaren. Een bezoek aan de locatie laat zien dat de mogelijkheden om
aanvullende parkeerplaatsen op eigen terrein of in de directe openbare ruimte te realiseren
zeer beperkt zijn. Wij baseren het negatieve advies niet op de verplichting voor
initiatiefnemer om een eventueel bestaand parkeerprobleem op te lossen. De raad acht
echter onvoldoende onderbouwd dat de ontwikkeling geen aanvullende parkeerbehoefte
veroorzaakt. Daardoor is onvoldoende verzekerd dat de parkeerbehoefte die rechtstreeks
uit het plan voortvloeit, overeenkomstig de parkeernota wordt opgevangen.
Daarbij komt dat een eventuele toename van het aantal geparkeerde auto's de
verkeersveiligheid op de Herenweg negatief kan beïnvloeden. De Herenweg betreft ter
hoogte van nummer 119 een relatief smalle weg waarbij tevens langs de weg wordt
geparkeerd. Zolang niet voldoende is onderbouwd welke aanvullende parkeerbehoefte de
ontwikkeling veroorzaakt en op welke wijze daarin overeenkomstig het gemeentelijke
parkeerbeleid wordt voorzien, achten wij onvoldoende gewaarborgd dat de ontwikkeling uit
het oogpunt van parkeren en verkeersveiligheid leidt tot een evenwichtige toedeling van
functies aan locaties.
Woonkwaliteit en gebruiksintensiteit
De appartementen vallen nagenoeg allemaal binnen het sociale huursegment en variëren in
omvang van circa 31 m² tot 105 m². Hoewel niet op voorhand kan worden vastgesteld
hoeveel personen de woningen uiteindelijk zullen bewonen, kan de
huishoudensamenstelling gedurende de bewoning veranderen, bijvoorbeeld door
samenwonen of gezinsuitbreiding. Wij vinden het daarom van belang om bij de beoordeling
niet alleen te kijken naar de afzonderlijke woningen, maar ook naar de woonkwaliteit en de
gebruiksintensiteit van het perceel als geheel.
Daarbij wordt voor de appartementen ingezet op een gezamenlijke buitenruimte in plaats
van afzonderlijke tuinen of balkons. Voor nieuwbouwwoningen bepaalt artikel 4.175 Bbl als
uitgangspunt dat een woning moet beschikken over een niet-gemeenschappelijke
buitenruimte van ten minste 4 m². Alleen bij woningen met een gebruiksoppervlakte van
maximaal 50 m² kan onder voorwaarden worden volstaan met een gemeenschappelijke
buitenruimte. Omdat hier sprake is van de functiewijziging van een bestaand gebouw, geldt
deze nieuwbouweis echter niet rechtstreeks. Bij functiewijziging gelden in beginsel de eisen
voor bestaande bouw en voor bestaande woningen bestaat geen verplichting om alsnog
balkons of andere buitenruimten te realiseren. De nieuwbouweisen kunnen daarbij wel als
richtlijn dienen voor de beoordeling van de kwaliteit van het plan.
Het ontbreken van een afzonderlijke buitenruimte bij de grotere appartementen vormt
daarom op zichzelf geen reden om te concluderen dat niet aan het Bbl wordt voldaan. Wel
vinden wij het relevant dat bij een ontwikkeling met tien woningen volledig wordt
teruggevallen op één gezamenlijke buitenruimte. In diezelfde ruimte moet bovendien plaats
worden geboden aan 30 afvalcontainers. Het college heeft daarvoor een oppervlakte van 6
bij 1,8 meter gereserveerd, terwijl de exacte inrichting nog nader moet worden bepaald.
Wij achten daarom onvoldoende inzichtelijk welk gedeelte van deze buitenruimte
uiteindelijk daadwerkelijk als kwalitatief bruikbare verblijfsruimte voor de bewoners
resteert en hoe de verschillende functies binnen deze relatief beperkte buitenruimte zich
tot elkaar verhouden. Dit aspect betrekken wij, mede gelet op het aantal woningen en de
omvang van een deel van de appartementen, bij onze beoordeling van de woonkwaliteit en
de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie
Beoordeeld moet worden of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan een
evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij die beoordeling moeten de betrokken
belangen en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving in samenhang worden afgewogen.
Voor een BOPA geldt dat de vergunning alleen kan worden verleend met het oog op een
evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Naar onze mening is daarvan in dit geval onvoldoende sprake. Zoals hiervoor is toegelicht, is
onvoldoende objectief onderbouwd dat de parkeerbehoefte in de bestaande situatie
daadwerkelijk 21 parkeerplaatsen bedroeg en dat de toekomstige parkeerbehoefte van 17
parkeerplaatsen volledig kan worden gesaldeerd. Daarmee is ook onvoldoende
gewaarborgd dat een eventuele aanvullende parkeerbehoefte overeenkomstig het
gemeentelijke parkeerbeleid kan worden opgevangen zonder deze af te wentelen op de
openbare ruimte. Daarbij betrekken wij de bestaande parkeerdruk, de beperkte ruimte op
en rond het perceel en de mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid op de Herenweg.
Daarnaast hebben wij de woonkwaliteit en de gebruiksintensiteit van het perceel
meegewogen. Daarbij vinden wij met name van belang dat voor tien woningen wordt
ingezet op een gezamenlijke buitenruimte, terwijl in diezelfde ruimte ook plaats moet
worden geboden aan 30 afvalcontainers. Naar ons oordeel is onvoldoende inzichtelijk
gemaakt welk gedeelte van die buitenruimte uiteindelijk daadwerkelijk als kwalitatief
bruikbare buitenruimte voor de bewoners resteert.
Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, achten wij onvoldoende
gewaarborgd dat het plan voor tien appartementen aan de Herenweg 119 leidt tot een
evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om die reden hebben wij een negatief
advies uitgebracht.
*****
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Kaag en Braassem
gehouden op 21 september 2026.
de griffier, de voorzitter,
{{esl:Signer1:Capture:size(200,100)}} {{esl:Signer2:Capture:size(200,100)}}
T.P. Scherpenzeel A. Heijstee-Bolt
Tekst uit PDF geëxtraheerd
Stemverdeling
Voor (21)
Individuele stemmen
| Raadslid | Partij | Stem |
|---|---|---|
| Anja de de Rijk - de Jong | Fractie CDA | voor |
| Johan Hoogendoorn | Fractie CDA | voor |
| Oscar van van Leijden | Fractie CDA | voor |
| Anke Kusters | Fractie D66 | voor |
| Elly Loos - van der Meer | Fractie D66 | voor |
| Sjaak van Halteren | Fractie D66 | voor |
| Paul Hoogenboom | Fractie Kern11 | voor |
| Sandra Kloppenburg | Fractie Kern11 | voor |
| John van der Salm | Fractie Kern11 | voor |
| Petra van der Wereld - Verkerk | Fractie Kern11 | voor |
| Julian Dias | Fractie PRO | voor |
| Luke Hogenboom | Fractie PRO | voor |
| Rick van van Seggelen | Fractie PRO | voor |
| Job de de Jong | Fractie Samen | voor |
| Marco Elstgeest | Fractie Samen | voor |
| Roland van van Beurden | Fractie Samen | voor |
| Fanny van der Meer | Fractie Samen | voor |
| Willem Weijers | Fractie Samen | voor |
| Aad Blom | Fractie VVD | voor |
| Roy Möllers | Fractie VVD | voor |
| Thijs Mooren | Fractie Mooi K&B | voor |