Home › Barendrecht › Motie
Motie M2026-17 Eerst participatie en BOPA dan eventueel het COA
Verworpen
| Type | Motie |
| Gemeente | Barendrecht |
| Ingediend door | Barendrechts Belang |
| Datum | 2026-09-22 |
| Dataniveau | Alleen uitslagen |
| Bron | Download brondocument → |
Document
Geëxtraheerde tekst
'Jen/Verworpen/l©l#++e+
M/ 4 2026- 17 Stemmen: Voor 3
TegenZ 5
Handtekening
Datum 27_ci)- zJ
Barendrechts
Belang
Motie 'Eerst participatie en BOPA, dan eventueel het COA'
ex artikel 32 Reglement van Orde
De gemeenteraad van Barendrecht, in vergadering bijeen op 22 september 2026,
Constaterende dat:
het college voornemens is om voorafgaand aan de participatie met belanghebbenden en
voorafgaand aan de noodzakelijke ruimtelijke procedure een privaatrechtelijke
bestuursovereenkomst met het COA over de realisatie van een AZC in het Zuidelijk Randpark te
ondertekenen;
een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) een publiekrechtelijke omgevingsvergunning
•
betreft, waarbij het college in beginsel bevoegd gezag is;
de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving de wettelijke kaders voor de BOPA-
•
procedure en participatie bepalen, maar geen bepaling bevatten die voorschrijft dat voorafgaand
aan deze participatie en de ruimtelijke procedure eerst een bestuursovereenkomst met het COA
moet worden gesloten;
dat artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad gevallen kan
•
aanwijzen waarin participatie en overleg met derden verplicht zijn voordat een aanvraag om een
omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden ingediend, en
dat de gemeenteraad van Barendrecht deze bevoegdheid heeft benut door in de Lijst van gevallen
toepassing adviesrecht Omgevingswet de betreffende gevallen aan te wijzen, waarbij artikel 2 van
deze lijst bepaalt dat voor de in artikel 1 genoemde gevallen participatie verplicht is gesteld;
de gemeenteraad in 2024 het Participatiebeleid Omgevingswet heeft vastgesteld en het college
•
daarbij tevens de Handreiking participatie voor initiatiefnemers heeft vastgesteld;
deze gemeentelijke handreiking als uitgangspunt hanteert dat participatie vroegtijdig in het proces
•
van planontwikkeling begint en dat de mate van participatie in verhouding moet staan tot de
gevolgen van een initiatief voor de omgeving;
de in 2026 vastgestelde Participatieverordening Barendrecht bij artikel 3.2 aangeeft dat wordt
•
aangesloten bij het geldende Participatiebeleid Omgevingswet;
het coalitieakkoord 2026-2030 op pagina 11 het volgende kader meegeeft:
•
“Wij zetten in overleg met het COA de voorbereiding van een AZC in het Zuidelijk Randpark voort.
Wij streven daarbij naar overleg en samenwerking met Rotterdam. Definitieve besluitvorming vindt
pas plaats na participatie met belanghebbenden en de noodzakelijke ruimtelijke procedures. Het
COA is verantwoordelijk voor participatie en de vergunningaanvraag. De gemeente toetst en
beslist
het college op grond van artikel 160, eerste lid, onder e, van de Gemeentewet bevoegd is tot het
•
aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten en op grond van artikel 169, vierde lid, van de
Gemeentewet de raad vooraf inlichtingen verstrekt wanneer de uitoefening van deze bevoegdheid
ingrijpende gevolgen voor de gemeente kan hebben en de raad in dat geval vooraf in de
gelegenheid wordt gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
Overwegende dat:
• de formulering “definitieve besluitvorming vindt pas plaats na participatie met belanghebbenden
en de noodzakelijke ruimtelijke procedures” vraagt om een proces waarin de uitkomsten van
participatie en de ruimtelijke beoordeling daadwerkelijk kunnen worden betrokken voordat de
gemeente zich bestuurlijk en contractueel aan de realisatie van het AZC committeert;
het gemeentelijke uitgangspunt van vroegtijdige participatie erop is gericht dat belangen, meningen
•
en ideeën van belanghebbenden tijdig naar voren kunnen worden gebracht en bij de verdere
planontwikkeling kunnen worden betrokken;
• het aangaan van een bestuursovereenkomst voorafgaand aan deze participatie en ruimtelijke
procedures ertoe kan leiden dat de gemeente zich contractueel vastlegt voordat de uitkomsten
daarvan bekend zijn en in de gemaakte afspraken kunnen worden verwerkt.
Verzoekt het college:
1. de participatie met belanghebbenden en de noodzakelijke ruimtelijke procedure, waaronder de
BOPA-procedure, eerst te doorlopen;
2. de uitkomsten van deze participatie en ruimtelijke procedure inzichtelijk te maken voor de
gemeenteraad, inclusief eventuele bezwaren, risico’s, noodzakelijke aanpassingen en
resterende aandachtspunten;
3. de bestuursovereenkomst met het COA pas te ondertekenen nadat de in het eerste en tweede
dictum bedoelde procedures zijn doorlopen en de uitkomsten daarvan aan de gemeenteraad
zijn voorgelegd;
4. de gemeenteraad tijdig en voorafgaand aan de ondertekening van de bestuursovereenkomst
in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken, voor zover artikel
169, vierde lid, van de Gemeentewet van toepassing is;
5. de gemeenteraad te informeren indien het college van de in deze motie gevraagde volgorde
wenst af te wijken, met een gemotiveerde toelichting op de juridische en bestuurlijke
grondslag daarvoor,
En gaat over tot de orde van de dag.
Barendrecht,2 2 september2 026,
Tekst uit PDF geëxtraheerd